Midden in de ballingschap
Alternatief bij 4e zondag van de Veertigdagentijd (Jeremia 29)
Midden in de Veertigdagentijd (zondag Laetare) lijkt het erop dat we even kunnen opademen met Jeremia. En dat terwijl zijn aankondigingen van onheil inderdaad zijn uitgekomen. Een deel van de bevolking is weggevoerd naar Babel. Maar dan krijgen ze een brief met woorden die uitnodigen een nieuwe blik te krijgen – juist daar.
In ballingschap weggevoerd zijn betekent stilstand. Je bent ergens waar je niet wilt zijn. Kom je verder dan het aftellen van de dagen? Dit moment vraagt om een paradigmaverschuiving, een nieuwe manier van denken. Net zoals ons moment vraagt om een nieuwe theologie waarin de klimaatverandering, de globalisering en de multireligieuze samenleving verwerkt worden. De brief van Jeremia, verstuurd uit Jeruzalem via de diplomatieke post, biedt een dergelijke uitnodiging tot een nieuw denken. In deze hoopvolle en pastorale tekst wordt driemaal een verbreding van denken aangeboden: denk breder dan jezelf, denk ruimer over God en denk wijder dan de plaats waar je nu verblijft.
Een breder denken
Vers 7 trekt de meeste aandacht in de tekst: ‘Bid tot de HEER voor de stad waarheen ik jullie weggevoerd heb en zet je in voor haar voorspoed en vrede, want de voorspoed van de stad is ook jullie voorspoed’ (NBV21). Die zin eindigt in het Hebreeuws met lachem shalom. Dat valt op, want we missen een briefaanhef waarin shalom lachem als vredewens zou hebben geklonken. Is die wens bewust uitgesteld tot het eind van vers 7?1
Hoe het ook zij, vers 4-7 roept de ballingen op om uit de slachtofferrol te treden. Ga werkelijk in het heden staan en ga huizen bouwen, tuinen aanleggen en zorg voor nageslacht. Zo stel je je niet alleen in op je eigen toekomst, maar zorg je hier en nu voor een fundamentele verbinding met de stad waar je deel van uitmaakt. Associatie: ook in ballingschap kun je de belofte van Genesis 12,3 (‘In jou zullen alle volken op aarde gezegend worden’) waarmaken. Het is een vorm van inclusief denken. Zoals niet-gevaccineerde kinderen meeliften met jouw kinderen die wel gevaccineerd zijn. Om een willekeurig voorbeeld te noemen.
In 1,10 had de profeet een opdracht gekregen die eindigde met de mogelijkheid van ‘bouwen en planten’. Het is of dit in 29,4-7 eindelijk ingelost wordt. Maar waar haal je de moed vandaan om dit werkelijk te gaan doen?
Een ruimere God
Je bent dus daar waar je niet wilt zijn. Een theologie waarin God exclusief verbonden wordt met Jeruzalem en tempel voldoet niet meer. Jeremia’s brief biedt een goed woord van God aan. Diens stem is dus ook in Babel te vinden! Het leven van de ballingen ligt nog steeds in Gods handen. Kernvers is hierbij vers 11, waar als woord van JHWH klinkt: ‘Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk’ (NBV21). De vertaling met ‘geluk’ is een poging om de breedte van het begrip shalom weer te geven in onze taal. Dat JHWH zelf de vrede zoekt ten opzichte van het volk (vs. 11) is zo de basis van de oproep zelf de vrede te zoeken voor een ander (vs. 7). Zo wordt de imperatief gegrond in de indicatief. Gods jawoord gaat vooraf aan ons handelen.
Maar hoe doe je dat in de praktijk? De ander is toch de vijand? Maar je zoekt ook diens geluk, ja, je bidt voor haar of hem. Dat klinkt als een voorloper van het gebod van de vijandsliefde uit de Bergrede. Wie gaat bidden voor een ander kan die ander niet meer louter als tegenstander en vijand zien. Dat hierbij weerstanden overwonnen moeten worden is vanzelfsprekend. Bidden wij ook voor de bevolking van Rusland?
Een wijdere plek
In vers 14 gebeurt iets bijzonders. Vergelijking van de (latere) Hebreeuwse tekst met de (oudere) Griekse versie van de Septuaginta leert dat in vers 14 oorspronkelijk alleen maar stond ‘Ik zal mij door jullie laten vinden’ – de rest van de zin stamt van een latere hand: ‘Ik zal jullie samenbrengen uit alle volken en alle plaatsen waarheen Ik je verdreven heb.’ Het is bijzonder dat hier meervoudsvormen staan: ‘volken’ en ‘plaatsen’. Zo wordt de betekenis van de hele voorafgaande tekst verbreed. Het gaat niet alleen over de ballingen die op dat moment in Babel zijn. Het gaat over allen die waar ter wereld ook in ballingschap zijn. Wat op één plek gebeurt aan vrede stichten krijgt een wereldwijde betekenis: ‘Wie één mens redt, redt de hele wereld.’ Zo toont Israël ook op vreemde grond hoe het is om eersteling te zijn, om te beginnen, hoe klein en bescheiden ook.
De vraag kan opkomen of dat alles wel enige betekenis heeft. Ook de kleiner wordende gemeente van Christus zal die vraag stellen. In Jeremia 29 krijgt een kleine, bedreigde gemeenschap in een vijandige omgeving een grote verantwoordelijkheid. Mag je dat zelfs missionair noemen? Of is dat een te groot woord? Stefan Paas schrijft vanuit Jeremia 29: ‘Voor wie aan de wereld niet kan ontsnappen en haar niet kan veranderen, staat nog een weg open: die van een vredelievende, gelovige presentie te midden van de omringende cultuur’.2 Dat mogen we ‘om niet’ doen. Dat het zoeken van vrede en geluk voor de ander ook jouw vrede en geluk kan zijn is mooi meegenomen, maar is niet de kern. Het doen van het goede heeft een betekenis in zichzelf.
In de beroemde doopbrief van Dietrich Bonhoeffer uit mei 1944 staan woorden waarmee de brief van Jeremia kernachtig kan worden samengevat: ‘Bidden, en het goede doen en wachten op Gods uur.
Deze exegese is opgesteld door Erik van Halsema.