Midden onder u staat Hij die gij niet kent
Bij Jesaja 40,1-11, 2 Petrus 3,8-18 en
Populus Sion, zo heet deze tweede Adventszondag: volk van God. Bij ‘volk van God’ denk ik aan de Hebreeën, die het uitschreeuwen in hun druk en roepen om bevrijding (Ex. 2) en vervolgens aan alle mensen van nacht en nevel, van alle tijden en alle plaatsen. Zou Hij die eens hoorde en zag, niet opnieuw horen en zien?
Advent: ‘Zie de naam des Heren nadert reeds van verre om de volkeren te verlossen. Hij zal zijn machtige stem doen horen en gij zult u van harte verheugen’ (antifoon – Jes. 30,30). ‘Gij’ – mensen van nacht en nevel. Tegen deze achtergrond lezen wij Johannes 1 en de gedeelten uit de tweede Petrusbrief en Jesaja.
Priesters en Levieten
Na de proloog die, zoals elke inleiding, later zal zijn geschreven, gaat het in Johannes 1,19-34 over Johannes. Wie is hij? Hij werd al genoemd: een mens, van God gezonden, die kwam als getuige om van het licht te getuigen (1,6-7). Dit roept bij mij de lezing van de Kerstnacht op: ‘Het volk dat in duisternis wandelt, ziet een groot licht’ (Jes. 9,1). Van dat licht getuigt Johannes. Alle dwingelandij zal voorbij zijn, alle tranen afgewist. Johannes wijst daarop, ten overstaan van priesters en Levieten die vanuit Jeruzalem naar hem toekomen, naar de Jordaan waar hij staat te dopen. Zij willen weten wie hij is.
Waarom willen zij dat weten? De tekst geeft daarop geen antwoord, maar de reactie van Johannes geeft wellicht inzicht in hun motieven. Ze willen weten of Johannes één van de vele messiaspretendenten is die voornamelijk onrust veroorzaken. Nee, zegt Johannes, in een merkwaardige zin, ik ben de Messias niet (1,20). Wie is hij dan wel? Zomaar de eerste de beste zal het toch ook niet zijn die daar staat te dopen. Elia misschien, de voorloper van de Messias? Of de profeet, de profetische gestalte die genoemd wordt in Deuteronomium 18,15? Twee keer nee. Maar wie dan? Dan komt de aap uit de mouw: de stem van één die roept in de woestijn: ‘Maakt recht de weg van de Heer.’ Johannes antwoordt met een citaat uit Jesaja (40,3) en roept daarmee de context daarvan op. Hij spreekt tot het hart van Jeruzalem (de priesters en de Levieten). De profetie van Jesaja gaat in vervulling, het Rijk van God zal komen, alle onrecht wordt gedelgd, God ontfermt zich over zijn volk, het zal vrede zijn. Met die boodschap mogen de priesters en de Levieten terug naar Jeruzalem.
Farizeeën
En dan komt een derde groep in beeld: behalve priesters en Levieten was er ook een delegatie van de farizeeën (1,24). Zij hebben de eerder gestelde vragen en antwoorden gehoord en willen nu weten: Als jij niet de Messias bent, noch Elia of de profeet, wat sta je dan te dopen? Waarom doe je dat? Het antwoord van Johannes moet hun toch wat cryptisch in de oren geklonken hebben, lijkt me. ‘Ik doop met water’ – tja, dat ligt voor de hand: onderdompeling in de Jordaan. Iedereen kon dat zien. En dan vervolgt Johannes: ‘Midden onder u staat Hij die u niet kent.’ Wat bedoelt Johannes hier? Dat de farizeeën geen affiniteit hebben met Jezus, dat ze horende doof en ziende blind zijn? Of dat zij Hem nog niet kennen, maar wel zullen leren kennen? En hij vervolgt: Hij komt na mij, maar ik ben eigenlijk zijn leerling (1,27). ‘Die na mij komt is vóór mij geweest’ (1,30). Zouden de farizeeën hier iets van begrepen hebben?
Ten slotte wordt medegedeeld dat dit zich allemaal afspeelt in Betanië, aan de overzijde van de Jordaan (1,28). Aardrijkskundig klopt dat niet, want er is daar geen Betanië. Later wordt Betanië ook genoemd, maar dat is een wel bekende plaats, veel dichter bij Jeruzalem, de woonplaats van Lazarus, Maria en Marta (11,1).
‘Volk van Sion, zie, de naam des Heren nadert van verre.’ Na lezing van dit gedeelte uit Johannes kunnen we ook zeggen: volk van Sion, zie, midden onder u staat Hij die u niet kent, die in het volgende gedeelte ‘lam van God’ genoemd wordt en van wie gezegd wordt dat Hij de zonden van deze wereld, het onrecht in zijn vele gestalten, al datgene waardoor mensen gebrutaliseerd en geschandaliseerd worden, optilt, wegtilt, wegdoet. En we lezen dat Hij anderen roept om Hem daarin te volgen. Zo nadert de Naam en krijgt het Rijk gestalte. Het begint bij het huis van de arme, Betanië.