Naamgeving
8e Kerstdag, Naamgeving (Numeri 6,22-27 en Lucas 2,21)
Het spreekt haast vanzelf dat we bij de naamgeving van de pasgeboren Jezus als eerste lezen uit Numeri 6,22-27, waarin het gaat over de Naam van God. Aan de naam die mensen elkaar geven, gaat immers de onuitsprekelijke Naam vooraf die boven alle namen uitgaat.
Mensen kunnen elkaar bij de naam noemen door die te roepen. Je richt je tot de ander via zijn of haar naam. Je merkt hoe vervelend het is als je de naam niet kent, bijvoorbeeld als iemand je opbelt en jij jouw naam moet zeggen zonder die van de ander te kennen, je weet dan niet wie er aan de andere kant van de lijn is. Bij God werkt dat anders. Hij laat zich kennen op een andere wijze. In de zegen van de priesters wordt zijn Naam niet aan de kinderen van Israël ‘gegeven’, maar op hen ‘gelegd’ (Num. 6,27). Anders dan bij de namen van mensen kunnen zij zich daarvan niet bedienen door die te roepen.
De Godsnaam die uit vier letters bestaat – verwant aan het werkwoord ‘zijn’ of ‘geschieden’ – wordt niet gegeven, maar geschiedt. Dat is het onderscheid tussen de Schepper en de schepsels (Hebr.: tussen ha Sjem en sjemoth).
De priesterlijke zegen
Voor een goed begrip van de uitdrukkingen ‘neerleggen van mijn Naam’ en ‘verheffen van zijn aangezicht’ helpt het je een beeld te vormen van het verloop van de zegening van de priesters. Staande op de trappen van de tempel of op een verhoging in de synagoge verheffen ze hun gelaat, en zien op naar het oosten, waar de ark zich bevindt. Zij draaien zich naar het zuiden en dan verder naar het westen. Hun aangezicht is nu over het volk. Vervolgens heffen zij hun handen omhoog om de kinderen van Israël te zegenen. Hierbij houden ze de vingers open, indachtig Hooglied 2,9, waarin de Heer als door vensters naar zijn kinderen kijkt. Zo wordt duidelijk dat God de bron van de zegen is.
De priesters vormen de vensters waardoor de Heer naar zijn kinderen ziet. Dit maken ook de woorden duidelijk die de zegen omlijsten: ‘Gij zult de kinderen van Israël zegenen’ (6,22), en ‘Ik zal hen zegenen’ (6,27). God legt die vrede neer zoals de priesters zijn Naam neerleggen: in zegeningen. In hun drievoudige zegening met daarin zijn Naam zegent God hen met vrede.
Besnijdenis
In Lucas 2,21 worden naamgeving en besnijdenis naast elkaar genoemd. Met het vieren ervan geeft de kerk duidelijk te kennen dat het pasgeboren kind Jezus een Jood is en dat zijn ouders met Hem doen zoals de joodse traditie voorschrijft. Dit kind, dat al voor zijn geboorte de Redder is genoemd, behoort tot het volk Israël met wie God een verbond heeft gesloten. Hij is een kind van de belofte die geldt vanaf de aartsvader Abram. Bij Abram is het dan ook dat in de Schrift de besnijdenis door God als een voorschrift wordt genoemd. Abram wordt niet zelf besneden.
Maar de besnijdenis wordt wel ingesteld als een teken van het verbond van God met hem en zijn nakomelingen. ‘In elke generatie moet iedereen van het mannelijk geslacht besneden worden wanneer hij acht dagen oud is’ (Gen. 17,12). Dit voorschrift van de besnijdenis wordt omlijst met naamgeving: Abram wordt Abraham en Sarai wordt Sarah. Een nieuwe naam, met een nieuwe betekenis.
Insnijden in het toegesloten bestaan De Hebreeuwse letter he, die aan de naam van beiden wordt toegevoegd, is een open letter. Aan de letter ontbreekt als het ware een stukje. Door deze ‘insnijding’ in de naam wordt duidelijk dat besnijdenis meer is dan alleen maar een fysiek gebeuren. Net als de naamgeving is ook de besnijdenis een teken dat God ‘insnijdt’ in de geslotenheid van het menselijk bestaan. Op deze wijze wordt het onmogelijk gemaakt om slechts ‘in jezelf’ of ‘voor jezelf’ te leven. Door deze ‘insnijding’ heeft de mens merkbaar een tekort en zal zich daarmee eerder openstellen voor de ander (of: de Ander). Wie zichzelf genoeg is, zal veel moeilijker een relatie aangaan, laat staan Gods verbond van liefde en trouw naleven.
Het sluiten van dit verbond door God veronderstelt overigens dat zijn verbond en zijn toewending naar de mens in liefde en trouw er bij de mens ook ‘insnijdt’. De eerste betekenis van het Hebreeuwse woord voor ‘sluiten’ van het verbond is immers identiek aan ‘snijden’ (Hebr.: karat). Zo werken naamgeving en besnijdenis althans bij Abram. Pas wanneer hij door de tekenen is ingesneden en opengegaan, kan hij de belofte verstaan die inhoudt dat hij vader zal worden van vele volkeren, aartsvader van de belofte, en gerechte bij uitstek. Ook in het Nieuwe Testament dragen Johannes en Jezus zowel in hun naam als in het vlees het teken van dit verbond van liefde en redding. Dit geldt ongetwijfeld ook Zacharias en Petrus, vol als zij zijn van heilige Geestesadem (Luc. 1,67; Hand. 4,8).
Het voorschrift aan Abraham van de besnijdenis op de achtste dag – de feestdag is ook acht dagen na Kerst – wijst op het bijzondere aspect van het getal acht. De achtste dag, die na de zevende komt, is gelijk aan de eerste, maar op een hoger plan, net als bij een octaaf in de muziek. We denken soms in het leven weer op hetzelfde punt te zijn gekomen als waar wij eerder zijn begonnen. Maar inmiddels hebben we wel een weg afgelegd, en veel inzicht en wijsheid opgedaan! De Talmoed (Arachin 13b) leert dat de harp van de Messias acht snaren telt. Net als muzikanten in een orkest zullen alle besnedenen in volmaakte harmonie de grote dirigent volgen, de Messias, die de compositie van Gods glorie zal uitvoeren op zijn harp met acht snaren.
Deze exegese is opgesteld door Henk Schoon.