Naastenliefde als kern van heilig leven
Bij 1 Petrus 1,13-25
In het vervolg van de lezing uit hoofdstuk 1 van de eerste Petrusbrief ligt er, anders dan in het eerste gedeelte, grote nadruk op de discipline van de gelovigen. Er ligt echter wel een duidelijk verband tussen beide delen, zoals het eerste woordje van de huidige perikoop, ‘daarom’ (Gr.: dio), aangeeft.
De gedachtegang is dat het grote heil en de grote heerlijkheid, waarop zelfs de engelen enigszins jaloers zijn (1,12), het niet alleen de moeite waard maken om het lijden en de onderdrukking uit te houden, die in de eerste twaalf verzen van deze brief een belangrijke rol speelden, maar dat het gaat om het leven op een manier die conform is aan deze verlossing, dat wil zeggen, aan de maxime die in vers 16 geformuleerd wordt met een oudtestamentisch citaat: ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’ (Lev. 11,44; 19,2; 20,7.26).
Vrijgekocht met Christus’ bloed
Van deze gedachte is het gehele Oude Testament doortrokken en deze is, volgens de eerste Petrusbrief, net zo van toepassing op het leven van de gemeente uit Joden en heidenen in Christus. Deze heiligheid waartoe de geadresseerden opgeroepen worden staat, op goed joods-hellenistische manier, in contrast met de verlangens van de gelovigen die ze voorheen – dat wil zeggen: vóór hun leven in Christus – hadden. Deze heiligheid heeft zijn oorsprong in het geloof in Christus en meer specifiek in diens bloed dat vergoten werd (1 Petr. 1,19). Het taalgebruik hier herinnert naar alle waarschijnlijkheid aan dat van de Israëlitische offercultus, die – wanneer aangenomen wordt dat de eerste Petrusbrief één van de latere geschriften van het Nieuwe Testament is en ook uit het gebied buiten Palestina stamt – voor de auteur zelf eerder een literaire dan een directe herinnering was.
Christus’ zelfgave en de offercultus
Tegelijkertijd lag voor vroege christenen de associatie van Christus en geofferde lammeren voor de hand, gezien de nabijheid van zijn dood bij het slachten van het Paaslam; zeker daar, naar de ervaring en overtuiging van vroege christenen, de dood van Christus hetzelfde effect had als de ‘oudtestamentische’ offercultus: Hij overbrugde de door zonde geschapen afstand tussen God en mens. Anders gezegd: vroegchristelijke vergelijkingen, en zelfs identificaties, van Jezus’ zelfgave voor de verlossing van de schepping met offers stoelen meer op associaties van beelden van zijn dood met beelden van de offercultus dan op hun identiteit met elkaar. Ze stoelen ook meer op een redenering die het effect van Jezus’ dood – verzoening – verstond in het kader van andere instrumenten die een soortgelijke verzoening teweegbrachten, namelijk offers, dan omgekeerd. Dat wil zeggen: Jezus’ dood had een verzoenende werking en kon daarom naar analogie van offers worden gezien en zelfs als offer worden beschreven. De gedachte was niet dat Jezus’ dood formeel gezien een offer was en daarom verzoenend. Als deze overweging juist is, kan zij helpen om weerstanden tegen de associatie van Jezus’ vergoten (offer) bloed met verzoening weg te nemen.
Tijdelijke worsteling en Gods eeuwige woord
De praktische kern van de oproep om heilig te zijn zoals Jezus Christus heilig is, biedt de eerste Petrusbrief in vers 22, waar de naastenliefde (Gr.: philadelphia, letterlijk: broederliefde) als kern van dit leven in heiligheid onderstreept wordt. Daarbij valt onmiddellijk aan te tekenen dat de liefde die hier genoemd wordt, er uiteraard één is, die leven in gemeenschap tot doel heeft en relatief ver af staat van moderne ‘romantische liefde’. Dat mag een gemeenplaats zijn van nieuwtestamentische exegese.
Dit gedeelte van de eerste Petrusbrief sluit af met een variant op de gedachtegang die in de eerste lezing uit deze brief geboden werd. Daar werd het relatief geringe lijden in de huidige tijd gecontrasteerd met de toekomstige heerlijkheid; hier wordt, in de verzen 23-25, de huidige worsteling om heiligheid, die in de tijd plaatsvindt en daarom niet eeuwig duurt, gecontrasteerd met het eeuwige woord van God en de eeuwige toekomst van de gelovigen.
Continuïteit met het Oude Testament
Voor de prediking biedt deze perikoop verschillende aanknopingspunten. Enerzijds lijkt mij een poging om de offerterminologie van vers 19 te vertalen naar een voor deze tijd toegankelijke beeldspraak zinnig te zijn, bijvoorbeeld door de dood van Jezus te vergelijken met werkelijk verlossende gebeurtenissen en dynamieken van vandaag – voor zover die er tenminste zijn. Anderzijds lijkt me de verbinding tussen heiliging en concrete, intensieve naastenliefde een goed uitgangspunt te zijn; deze twee thema’s worden niet altijd met elkaar in verbinding gebracht, terwijl dat hier nu juist wel het geval is.
Een verder thema kan zijn de sterke continuïteit tussen ‘Oude’ en ‘Nieuwe’ Testament, dan wel christendom en jodendom – voor de situatie van de eerste Petrusbrief allemaal anachronismen. De argumentatie van dit gedeelte van de eerste Petrusbrief is immers precies gebaseerd op twee oudtestamentische citaten, of wordt tenminste daardoor ondersteund, dat wil zeggen, de citaten in de verzen 16 en 25-26. Deze vanzelfsprekende voortgang tussen beide tradities is door het misleidende taalgebruik van ‘joodse’ en ‘christelijke’ groepen in de eerste en tweede eeuw vaak wat uit het beeld verdwenen, maar zeker aanwezig, zowel historisch als ook theologisch, zoals de eerste Petrusbrief laat zien.