Nachtelijke Wijsheid
Trinitatis (Spreuken 8,22-31, Psalm 29, Openbaring 4,1-11 en Johannes 3,1-16)
Vanaf de oorsprong klinkt Gods stem over schepping en geschiedenis van mensen (Ps. 29). Dit goddelijk spreken van wijsheid ervaren de eerste christenen in Jezus. Zoals regen neerdaalt uit de hemel en de aarde doordrenkt om daarna tot God terug te keren, zo is het ook met Jezus. In die beweging weet de gemeenschap rond Johannes zich opgenomen. Het laat hen opnieuw geboren worden als Gods kinderen, in een leven met eeuwigheidswaarde. Vanuit dit inzicht gaan ze in gesprek met hun joodse geloofsgenoten.
Met enkele goedgekozen woorden schetst de evangelist in het verhaal over een nachtelijke ontmoeting wie Nikodemus is. Iemands identiteit is als het ware een kruispunt van diverse identiteitsbepalende lijnen. Herkomst, leeftijd, geslacht, scholing, arbeidssituatie, en nog zoveel meer maken deel uit van wie je bent, in jouw unieke positie – niemand heeft precies hetzelfde kruispunt als jij. Mensen verschillen altijd wel op één of meerdere van die identiteitsbepalende achtergronden, ook al zijn we allen mens (dat delen we dan wel weer). Omdat je elk deel van je identiteit ook met anderen deelt, ben je op elk van die deelaspecten ook met anderen verbonden. Je bent immers niet de enige van die leeftijd, met die scholing, dat geloof, enzovoort… Het kruispunt geeft dus zowel de eigenheid en de verschillen alsook de verbondenheid tussen mensen aan.
Nikodemus als gesprekspartner
Nikodemus is als man/mens een farizeeër, de eerste die Jezus in dit evangelie persoonlijk in een een-op-eengesprek ontmoet. In het Johannesevangelie zijn de farizeeërs joden met interesse voor wat je ‘gelovige actualiteit’ kunt noemen. Zo sturen ze afgevaardigden naar Johannes de Doper, omdat ze willen weten wat dat dopen betekent en wie Johannes is (Joh. 1,24). Nikodemus blijkt ook goed op de hoogte van Jezus’ optreden en de vele tekenen die aangeven dat Jezus van Godswege komt. Ten slotte is Nikodemus ook een leider van de Judeeërs. Bij de tempelreiniging roepen Judeeërs Jezus ter verantwoording (Joh. 2,14-24). Het teken dat Hij deze profetische handeling mag stellen – de opstanding – heeft binnen het verhaalverloop nog niet plaatsgevonden. Toch gaan velen in zijn naam geloven, omwille van de vele tekenen die zij zien (2,23). Tot die groep kun je ook Nikodemus rekenen: hij erkent Jezus als leraar, gezonden van Godswege, en beseft dat God met Hem is, want anders zou Hij die tekenen niet kunnen doen (3,2).
Ook wat mensen doen maakt dus deel uit van hun identiteit. Bij Nikodemus behoort tot dat ‘doen’ ook dat hij Jezus ’s nachts opzoekt. Het heeft iets heimelijks, zoals de parallel tussen Josef van Arimatea en Nikodemus later in het evangelie suggereert: Josef is leerling van Jezus in het verborgene, Nikodemus degene die ’s nachts kwam (19,39). Tegelijkertijd roept de inhoud van het gesprek ook het beeld op van de rechtvaardige die dag en nacht zich buigt over het onderricht van God (Ps. 1,1-2). Zo’n mens is Nikodemus, en dat deelt hij met Jezus.
Van bovenaf geboren
Jezus stelt dat niemand het Rijk Gods kan zien als hij niet van bovenaf geboren wordt. Hiermee identificeert hij Nikodemus als iemand die Gods heerschappij verwezenlijkt wil zien. Daartoe is die bijzondere band met God nodig, uitgedrukt in het beeld van de geboorte ‘van bovenaf’.
De poëtische opening van het Johannesevangelie sluit aan bij de bijbelse wijsheidstradities (zo Spr. 8,22-31; Jes. 55,10-11): aan de oorsprong van al wat is, ligt Gods sprekende wijsheid die van God uitgaat en naar God terugkeert. Zo is Jezus in het christelijke gedachtegoed al van vóór zijn menselijke geboorte in God geworteld. Johannes 1,12-13 geeft aan dat wie geloven in zijn naam, het vermogen hebben om Gods kinderen genoemd te worden, uit God geboren. Maar hoe zit het dan met mensen die reeds geboren, zelfs al op leeftijd zijn, en dan pas in aanraking komen met Jezus’ woorden over Gods heerschappij? Hoe kunnen zij uit God geboren worden? Dat lijkt Nikodemus even onwaarschijnlijk als dat een volwassene opnieuw in het lichaam van de moeder kan terechtkomen zodat zij opnieuw kan baren. Maar niets is onmogelijk als men denkt vanuit het waaien van Gods Geest. Dan kan men uit water en Geest geboren worden. Enerzijds wijst dit terug naar het optreden van Johannes, die met water doopte en aangaf dat degene die na hem komt zal dopen met de Geest (1,33). Anderzijds verwijst dit vooruit naar de kruisdood en de opstanding: Jezus blaast zijn laatste (geestes) adem uit, water stroomt uit zijn lichaam (19,30.34). Maar dit is niet het einde: de opstanding is verheerlijking, de Geest die Jezus bezielt stuurt God naar mensen toe als trooster die de weg naar de waarheid wijst (14,26; 15,26; 16,13; 20,22).
Jezus als gesprekspartner
Nikodemus verbaast zich: hoe kan dit gebeuren? De wijsheidstradities zijn doordesemd van het ontzagwekkend wonderbaarlijke van heel Gods scheppend handelen. Hoewel de mens geen volledig inzicht heeft, vraagt de relatie tot God wel om vertrouwen in hoe Gods wijsheid aan het werk is. Jezus daagt Nikodemus uit, enerzijds vanuit zijn positie als leraar van Israël, en anderzijds vanuit Jezus’ getuigenis. Beide sporen zouden hem tot inzicht moeten brengen in hoe mensen kinderen van God worden en Gods heerschappij op aarde werkelijkheid wordt: door het geloof in de Mensenzoon, die van God uitgaat en naar God terugkeert om mensen tot eeuwig leven te brengen.
Daarmee is opnieuw een deel van Jezus’ identiteit verwoord: Hij is niet enkel de rabbi, de leraar, de door God gezondene, die tekenen kan doen dankzij het gegeven dat God met Hem is. Hij is volgens het getuigenis van de evangelist Johannes ook de Mensenzoon, mens geworden goddelijke Wijsheid, sprekend van en namens God, die mensen tot God wil brengen.
Deze exegese is opgesteld door ) Ine Van Den Eynde.