Menu

Premium

Niet wat mist

7e van Pasen (1 Samuel 12,19-25, Openbaring 22,12-21 en Johannes 14,15-21)

Bijbelwetenschappen

Deze zondag wordt ‘wezenzondag’ genoemd. Wie ‘wees’ wordt genoemd, mist iets om haar heen: een mens die je vanaf het allereerste begin kent, een ouder die zorg draagt. Het woord ‘wezen’ komt inderdaad in de lezingen van vandaag voor (Joh. 14,18). Maar de nadruk ligt veel meer op wat er wél is, dan op wat er mist.

Als eerste is daar Samuel, die oud en grijs zijn afscheidsrede houdt, nadat hij Saul tot koning heeft gezalfd (1 Sam. 12,2). Hij gaat de geschiedenis van het volk Israël langs en benoemt dat ze steeds als ze in de problemen kwamen, God om hulp riepen. Hun laatste roep was echter anders: ze vroegen geen hulp, maar een koning. Zolang volk en koning beide de Heer blijven dienen (12,14.24) kan dat goed gaan, maar het kan ook misgaan (12,15.25). Om te illustreren waartoe God dan in staat is, roept Samuel Hem aan, waarna het regent op de dag van de tarweoogst, waardoor deze waardeloos wordt. Het doet het volk beseffen dat ze een fout hebben gemaakt door om een koning te roepen (12,19) zodat ze net als andere volkeren een koning hebben en God niet om hulp hoeven te vragen. Alsnog roepen ze nu om hulp. Niet rechtstreeks, maar via de profeet Samuel, die ze vragen hun voor-spreker te zijn bij God, omdat ze niet willen sterven vanwege deze zonde.

Het antwoord van Samuel is niet alleen profetisch maar ook voluit pastoraal. Het erkent de fout en de angst, maar bemoedigt ook: in lijn met de kernwoorden uit Deuteronomium 6 en de verhalen van de exodus leert Samuel het volk opnieuw dat wanneer het volk God de Heer met heel zijn hart dient (12,20), God zijn volk dan trouw blijft (12,22.24). Ook Samuel zelf heeft daar een taak in, zegt vers 23, door zijn particuliere gedrag (‘ik moet niet zondigen’) en als profeet (‘u het goede en rechte pad wijzen’). Oftewel: focus niet op wat je mist, maar richt je op wat er is, en richt je vooral op Wie er is – God de Heer.

Openbaring

In de afronding van het boek Openbaring komt in hoofdstuk 21 nog een keer een aantal belangrijke actanten aan het woord: Johannes zelf, de engel, en Jezus. In vers 12-21 klinkt de echo van de beginverzen van hoofdstuk 1, en daarmee is het boek als het ware rond. Ook allerlei beelden uit de rest van het boek komen opnieuw voorbij, zoals dat van de stad en de morgenster. Opvallend is dat het beeld van de ‘alfa en omega’ nu betrokken is op Jezus (21,12) in plaats van God (1,8), en daarmee is het kenmerkend voor hoe Openbaring een eenheid ziet in Vader en Zoon en hoe zij elkaars beeld zijn. In Openbaring is er al veel wel, zoals de zekerheid van de stad van recht en gerechtigheid (21,14), en de Geest en de bruid als beeld van de Geest-bevlogen en Jezus-bezielde gemeente (21,17). Maar tegelijk is er ook de heel sterke roep om de komst van Christus (21,12.20). En uit alle woorden van het boek Openbaring, uit alles dat gezien en gehoord is, dat opgeschreven is als boek – en waarvoor de waarschuwing in vers 18-19 is toegevoegd dat dit boek niet achteloos mag worden veranderd – spreekt het vertrouwen dat dit moment van de komst van Christus werkelijkheid wordt. Het gemis dat Jezus er nú niet is, wordt gevuld met grote verwachting, hoop en vertrouwen dat Hij komende is.

Johannes

Waar de beelden in Openbaring groot en wereldomvattend zijn, focust Johannes heel erg op de kleine wereld van de leerlingen. Het huisgezin lijkt uit elkaar te vallen, nu de pater familias Jezus zijn lijden, sterven en opstanding heeft aangekondigd. Tegelijkertijd is het benoemen van het aanstaande verlies ook het benoemen van de toekomst. Jezus zal niet eeuwig bij de leerlingen blijven op de manier die ze nu kennen. Straks zal de Geest hun nabij zijn op een manier die geen einde kent (14,17). Het komt van haar met wie het allemaal begon: de Geest die zweefde over de wateren in Genesis 1,2. Zij is de Geest van waarheid (Joh. 14,17), de heilige Geest (14,26) die als een parakleet – letterlijk ‘voor-spreker’ – de voortgaande verschijning van Christus en dus van God zal zijn na Pasen.

De eerste hoorders van het Johannesevangelie leefden na Pasen, en zochten met het gemis van de ‘lijflijke’ Jezus naar hoe Hij dan wel te verstaan en ervaren was in hun leven. Zij waren de ‘wezen’ zelf, zoekend naar wie hen ten diepste kende en als een ouder voor hen zorgen zou. Johannes 14 geeft daarop een antwoord, van hoe er juist na Pasen als het ware een cirkel van liefde is (14,19-21) omdat Jezus leeft: Jezus leeft in de leerlingen (14,19) en is in hen en dus ook in de gemeenteleden van die johanneïsche gemeente jaren later, zichtbaar als zij de geboden houden (14,20.21). Het is vergelijkbaar met Samuel die tegen het volk Israël zegt dat als zij de geboden houden, God zijn band met hen zichtbaar maakt (1 Sam. 12,22.24).

Trouw aan God maakt Hem kenbaar, zichtbaar. Als de leerlingen de geboden houden, geven zij liefde en ontvangen zij aan de andere kant van de cirkel de liefde van God en Jezus (Joh. 14,21) en maakt Hij zich bekend. Daarmee legt de lezing dus niet de nadruk op het gemis van Jezus, en de ‘wezen-status’ van de leerlingen, maar op dat wat blijft en versterkt wordt vanaf Pasen: hoe Jezus aan en in mensen steeds weer zichtbaar wordt.

Deze exegese is opgesteld door Marieke den Braber.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken