Nuchtere begeestering
Bij 1 Petrus 5
Met Pinksteren kan er in principe over elke bijbeltekst gepreekt worden. Maar alles komt toch in een bepaald licht te staan. De kerkelijke kalender biedt, meer nog dan concrete teksten, bepaalde invalshoeken. Pinksteren is het feest van de eerstelingen. Er wordt vrucht geplukt van Pasen. De vlam van Christus springt op ons over. Het is niet langer een verhaal van Hem allenig. Ook geen verhaal over de toekomst alleen. ‘Hoor, de Geest vaart door het heden’ (LbK 244). Hoe klinkt 1 Petrus 5 op Pinksteren, als tegenstem bij Handelingen 2?
Op het eerste gezicht is er weinig ‘Pinksterstof’ te vinden in 1 Petrus 5. Vers 1 roept het lijden van Christus in herinnering. Mooi voor in de Veertigdagentijd, zou je zeggen. Vers 4 stelt zijn verschijning in het vooruitzicht. Het heden wordt gekenmerkt door ons lijden, vertellen verzen 9-10, dat evenzeer uitzicht biedt op heerlijkheid, ja ten diepste al verhulde heerlijkheid is. Misschien iets voor de laatste zondag van het kerkelijk jaar of voor oudejaarsavond? Tja. Maar het is vandaag Pinksteren.
Ware en valse nuchterheid
Misschien is vers 8 een aardige invalshoek: ‘Weest nuchter, waakt.’ Toen de Geest kwam, en te spreken gaf, verklaarden sommigen het als volgt: ‘Sy zijn vol soeten wijns’ (Hand. 2,13). Het was geen verklaring maar verduistering. Er moest een weerwoord komen. Petrus, dezelfde die we vandaag horen spreken, haakte er direct bij aan. Hij begon zijn paaspreek (want dat was het) met het weerspreken van de spot. ‘Deze mensen zijn niet dronken, zoals u veronderstelt’ (2,15). De bevlogenheid des Geestes doet aan als vervuldheid met geestrijk vocht. Wat de Geest te spreken geeft, doet aan als ongefundeerd geklets. Maar het is ware nuchterheid, zegt Petrus.
Omgekeerd is er ook een dronkenschap die zich heel nuchter voordoet. We kunnen ons op allerlei manieren laten bedwelmen; door de schijnzekerheden van cijfers en geld bijvoorbeeld. Of door te denken dat hersenonderzoek ons alle mensenkennis geeft die we nodig hebben. Of door van het ene nieuwsitem naar het andere te vliegen, van opwinding naar opwinding. Het lijkt hoogste nuchterheid te zijn, in contact met de werkelijkheid van nu. Maar het is bedwelming, vindt Petrus. En net als een dronkenman zwalk je door het leven, zijn je reacties altijd net even te laat en je emoties overtrokken en misplaatst. Zou de kerk soms ook niet zo’n dronkenmansfiguur slaan?
Christus’ werkelijkheid: aanstekelijke blijdschap
De ware kerk des Heren kenmerkt zich door nuchtere werkelijkheidszin. Welke werkelijkheid? De werkelijkheid van Christus, die de Geest ons te binnen brengt. Nooit zijn we nuchterder dan op zondagmorgen, als we het evangelie horen. De wanen, de nachtmerries verbleken in het vroege licht. Christus is opgestaan, klinkt het, zo goddelijk overtuigend alsof het niet anders gekund had. Dat is de werkelijke werkelijkheid. Nuchterheid is: steeds daartoe inkeren. Voortdurende bekering van de ingebeelde werkelijkheid tot de werkelijkheid die ons aangezegd wordt. Pinksteren is het feest van de nuchterheid, niet van dronkenschap. Maar tegelijk: wat een begeestering! Ook de eerste Petrusbrief weet ervan: ‘Gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde’ (1,8). Zo blij zijn die luitjes met hun Bruidegom – die ze overigens nog nooit gezien hebben. De nuchterheid van Petrus moet niet verward worden met droogheid. Een kerkdienst hoeft geen met muziek opgesmukt college zijn. Er is in de kerk alle ruimte voor vervoering. Alleen dat al moet ons hoeden voor allergische reacties tegen het evangelicalisme.
Het kwaad een briesende leeuw?
De nuchterheid waar Petrus over schrijft, moet ook dienen tot het afwenden van gevaar. Immers, gaat de tekst verder: ‘(…) uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij kan verslinden’ (5,8). Als dronkenmannen zijn we een wel heel gemakkelijke prooi voor de duivel, die als een briesende leeuw rondschuimt. Het beest kan zijn tanden in een dronkenlap zetten en hij voelt het niet eens.
Dat is mythologische taal: een duivel die als briesende leeuw rondgaat. Zouden we daar misschien te nuchter voor zijn? Nee, eerder te droog. We zouden misschien liever lezen in de trant van: negatieve emoties of ideologische besmetting. Maar waarom de realiteit niet eens wat aangrijpender benoemd, als een roofdier dat je te grazen neemt en openscheurt? En is mythologische taal werkelijk uit de tijd? Als je een paar ‘kinderfilms’ kijkt, weet je wel beter. Het wemelt van dino’s, monsters en draken in de kinderzieltjes. Het zou zonde zijn als de kerk juist nu haar rijke, warmbloedige taal verving door abstracties.
De waarheid van de Geest
De duivel bestaat dus ‘echt’, in tegenstelling tot de figuurlijke leeuw? Nee, dat is weer die valse nuchterheid. Het is dronkenschap, namelijk de dronkenschap van het willen fixeren. Wetenschappelijke dronkenschap. Daar is onze wereld vol mee. We willen het leven fixeren, kwantificeren, ontleden… maar wat op de ontleedtafel ligt, lééft niet meer. We weten er alles van, maar kennen het niet. Laat onze kerkelijke taal niet fixerend zijn maar verwijzend, uitnodigend. Het kwaad is een roofdier. Het kwaad is een diabolos, een roddelaar. Even achterbaks als een dorpsroddelaar, even gevaarlijk als een roofdier. We kunnen ons geen slaperigheid permitteren.
Pinksteren is het feest van de nuchtere begeestering. Helder kijken we uit onze ogen, vlammend zingen we onze liederen. Nooit zijn we zo wakker als met Pinksteren. Pinksteren brengt ons de blij-ontnuchterende waarheid van de Geest. Met die duif weerstaan we de duivel. Op zijn Grieks gezegd: met de peristeron weerstaan we de peripatetische (rondgaande) leeuw. Hij zal ons niet opslokken (kata-pinoo) alsof we een borreltje zijn.