‘O God!’ De noodkreet van Psalm 72
O God, recht te spreken als gij, geef dat aan de koning, rechtvaardiging door u aan ’s konings zoon! (Psalm 72:1 NB14)
Onlangs zocht ik naar passende liederen bij een preek over Jezus die zegt dat Hij is gekomen om aan armen het evangelie te brengen (Luc. 4:14-30). Een van de zoekresultaten was psalm 72, waarvan altijd vers 4 mij raakt: ‘Hij zal de redder zijn der armen…’ (Psalmberijming 1967). Daarna keek ik nog even naar de onberijmde tekst, en ineens viel mij iets op wat ik tientallen malen over het hoofd gezien had: de psalm begint met een uitroep: ‘O, God.’ Bladerend door het Bijbelboek vond ik meer Psalmen die zo beginnen; meestal gebeden van mensen die in nood zijn en Gods hulp inroepen. En ik dacht: zou Psalm 72 misschien ook zo bedoeld zijn, als een noodkreet: O God, geef ons een koning die recht doet! Wat wordt dan de exegese? We gaan op zoek naar de context van deze psalm.
Salomo
Het opschrift boven dit lied kan op twee manieren vertaald worden: zowel voor Salomo als van Salomo is mogelijk. Het lijkt niet waarschijnlijk dat Salomo een gebed voor zichzelf geschreven heeft en daarom interpreteren de meeste exegeten het als een tekst opgedragen aan koning Salomo. Het beeld van een koning ‘die wijs is, recht doet, die het land en zijn mensen tot ongekende bloei brengt, past wel bij Salomo (Swüste, 219).
Wat voor koning was hij? Zijn koningschap begint indrukwekkend: met een gebed om wijsheid.
Willem Barnard schrijft: ‘Waar het David om ging en wat bij Salomo gelukt is (althans in de visie van het gedicht, rooskleurig, transfiguratief) komt in Psalm 72 tot uiting. Het is vrede en recht, ‘heelheid’ en ieder het zijne’ (126).
Koningschap in Israël
Onder de volken van het Midden-Oosten was Israël eeuwenlang een uitzondering: een volk zonder koning. Israël had geen koning nodig, want de Eeuwige was immers de koning van Israël. Maar omdat er nu eenmaal iemand moet zijn die leiding geeft, recht doet etc., roept de Eeuwige in tijden van nood tijdelijke bestuurders om orde op zaken te stellen. Rechters worden ze genoemd, maar ze waren meer een stamheld dan een volksleider.
Op den duur blijkt dat toch niet bevredigend. Gaandeweg is er steeds vaker sprake van moreel verval, anarchie en godsdienstige willekeur. Met als terugkerend refrein ‘in die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed wat goed was in zijn eigen ogen’ (Rechters 17:6, 18:1, 19:1 en 21:25). ‘Zonder monarchie, anarchie’ (Sacks, 2024, p. 154) Met die woorden in gedachten, verbaast het niet dat het volk in opstand komt en van rechter Samuel een koning eist ‘zoals alle andere volken er een hebben’ (1 Sam. 8:5). Samuel vindt dat ontoelaatbaar en wendt zich tot de Eeuwige. Zijn reactie: ‘Jou verwerpen ze niet. Ze verwerpen juist mij als hun koning’ (7). Samuel moet gehoor geven aan hun verzoek, maar moet het volk wel met nadruk wijzen op de rechten van de koning. Hij doet vervolgens verwoede pogingen om het koningschap zo negatief mogelijk voor te stellen, maar het volk is onvermurwbaar. Het wil een koning om recht te doen en onze oorlogen te voeren (9-20).
En zo geschiedt: eerst Saul, dan David, en vervolgens Salomo.
Profielschets
Samuel gaf een uitvoerige opsomming van de rechten van de koning. Maar hij heeft ook plichten. Daarover horen we in de profielschets van de koning, in Deuteronomium:
‘Alleen mag hij zich niet een menigte paarden verschaffen, hij mag de manschap niet doen terugkeren naar Egypte om een menigte paarden te krijgen; de Ene heeft tot u gezegd: ge zult niet meer terugkeren over deze weg, niet nóg eens! En hij mag zich niet een menigte vrouwen verschaffen, zijn hart mag niet afwijken; en zilver en goud moet hij niet al te zeer vermeerderen.’ (Deut. 17:16-17, (NB14)
Opvallend: het zijn allemaal negatieve bepalingen. De koning heeft geen speciale wetgevende bevoegdheden (Sacks, 2024, p. 152; 159). Integendeel: hij maakt de wet niet, hij is er aan onderworpen. Dagelijks moet de koning een afschrift van deze wet lezen, opdat – en dan komt het! – ‘zijn hart zich niet zal verheffen boven zijn broeders’ (Deut. 17:20). Nota bene: de koning van Israël heeft geen onderdanen, maar broeders! De soevereiniteit berust bij het volk.
Door deze taakomschrijving van de koning te antidateren kon men bedekte kritiek leveren op bestaande excessen, bijvoorbeeld die van Salomo.
Salomo’s verlies
Koning Salomo is vaak als de ideale koning getypeerd. Iemand ‘over wie zóveel en met zoveel bewondering is verteld, dat hij op den duur als het ware tot legende is geworden: geen wijs woord of het is van hem afkomstig, geen aardse luister of die was door de luister van zijn koningschap nog overtroffen’ (Van der Zeyde, p. 74). Maar is dat beeld wel correct?
Aan het eind maakt de verteller de balans op van het koningschap van Salomo. En die liegt er niet om. De koning schafte wagens en paarden aan afkomstig uit Egypte (1 Kon. 10:26-29; 2 Kron. 9:25). Wapentuig dus, vergelijkbaar met drones en raketten. Er is een overvloed aan goud. In dat goud, zegt Naastepad, gaat zich het koningschap van Salomo monopoliseren. ‘Hij weet ook met dat goud in het geheel niets te doen. Hij laat er grote en kleine schilden van maken, paradeschilden (…) Het is niet eens mooi. Het is alleen maar rijk. Het is poenig’ (Naastepad, 1975, p. 74). Met zuiver goud wordt een grote troon overtrokken. Naastepad noemt het ‘een steriele fixatie van het koningschap’, ‘protserig vertoon.’ Drinkgerei en vaatwerk zijn van goud gemaakt (1 Kon. 10:14-22). Hij maakt het zilver en het goud in Jeruzalem zo overvloedig als stenen (2 Kron. 1:15). ‘De schatten staan in lege zalen. Ze dienen tot niets’ (Naastepad, 2001, p. 194).
Zo begint de afval van Salomo. En in het volgende hoofdstuk horen we over zijn zevenhonderd vorstinnen en driehonderd vriendinnen. Hier refereert de verteller aan de tekst van de Tora: ‘ze zullen uw hart laten neigen achter hun goden aan!’ (1 Kon. 11:1-3 NB14). Er is maar een conclusie mogelijk: Salomo, de wijze koning, blijkt op alle fronten gefaald te hebben. Zijn koningschap wordt een karikatuur van de Tora.
Reden genoeg voor een noodkreet!

(Beeld: Wim van ‘t Einde via Unsplash)
Salomo’s tempelbouw
Maar er is meer. Volgens Jonathan Sacks heeft het falen van Salomo meer te maken met de wijze waarop hij de tempel bouwt. We horen over ‘een zwaar juk’ (1 Kon. 12:4), ‘sjouwers’ (5:29), ‘opzichters’ (5:30), ‘voorraadsteden’ en ‘strijdwagen en ruiters’ (9:19). Allemaal woorden die in Exodus gebruikt werden voor de slavenarbeid van de joden in Egypte. Het woordgebruik suggereert ‘dat de bouw van de tempel Israël tot een soort tweede Egypte maakte. Salomo ging steeds meer lijken op een Israëlitische farao.’ De wijze koning ‘maakte van de Israëlieten een dienstplichtige beroepsbevolking: precies datgene wat ze waren ontvlucht door Egypte te verlaten’ (Sacks, 2019, p. 189).
Salomo was zo prachtlievend dat kolossale belastingen, opgebracht door de boeren in Galilea, het ontbrekende moesten aanvullen. ‘Jeruzalem werd in hun ogen de grote slokop en zij voelden zich uitgezogen en uitgeperst tot in het ondragelijke’ (Beek, p. 162). ‘De cultuur van zijn rijk was ver verheven boven die van de eenvoudige stambewoners, die absoluut niet begrepen waarom er zo hard gewerkt moest worden en zo veel moest worden opgebracht, in een tijd van welvaart’ (Soetendorp, p. 69).
Opnieuw: reden genoeg voor een noodkreet!
Davidisch koningshuis
Na het overlijden van Salomo blijkt hoezeer het volk geleden heeft onder zijn bewind. Zijn zoon en troonopvolger Rechabeam ontvangt een delegatie die een dringend beroep op hem doet: ‘Je vader heeft ons juk hard gemaakt; jij dan, schenk nu verlichting van je vaders harde dienst en van zijn zware juk dat hij ons heeft opgelegd, en wij zullen jou dienen!’ (1 Kon. 12:4, NB14). Het woord juk (in Ex. 1:14 gebruikt om de slavernij aan te duiden) keert in het vervolg nog viermaal terug, dat is veelzeggend.
Maar Rechabeam zwicht niet, integendeel, hij kondigt aan het juk van Salomo nog meer te verzwaren. En zo kondigt de verteller de ondergang van het koningshuis van David aan. ‘Met Salomo’s grandeur is het verhaal begonnen, maar het eindigt met zijn misère, zoals ook het volk in misère zal eindigen’ (Ter Linden, 1999, p. 218). Bijna alle koningen na hem schieten tekort, onderscheiden zich in niets van de koningen van de andere volken, gaan ‘despotische neigingen vertonen’ (Bouhuijs & Deurloo, p. 64;66). Met als gevolg dat zij het volk van de weg van Gods geboden afvoerden.
Steeds weer worden de koningen daarom door profeten op hun grenzen gewezen. De verhalen over de koning zijn ‘profetisch-kritisch gekleurd’ (Deurloo, 75). Een schitterend voorbeeld daarvan is Jeremia 22:13-17, waarin duidelijk wordt gezinspeeld op Psalm 72:
‘Wee hem die zijn huis bouwt
terwijl er geen gerechtigheid is,
zijn opperzalen terwijl recht ontbreekt,-
terwijl hij zijn naaste laat sloven voor niets,
hem zijn werkloon niet geeft!-
die zegt:
ik ga mij een huis bouwen van formaat
met ruime opperzalen!-
en die zich zijn vensters uithakt,
en het afdekt met cederhout
en zalft met ossebloed.
Ben je koning
omdat je warmloopt voor cederhout?-
je vader, had hij niet te eten en te drinken
terwijl hij recht en gerechtigheid deed?-
hij had het toen goed!
Hij behartigde het recht
van gebogene en arme,
is dat geen kennis van mij?-
is de tijding van de Ene.
Maar jij hebt voor niets anders oog of hart
dan voor je eigen voordeel,
voor onschuldig bloed om dat te vergieten
en voor onderdrukking en afpersing
om mensen aan te doen. (Jer. 22:13-17, NB14)
Geen wonder dat in een tijd waarin het koningshuis in verval raakt, de verwachting ontstaat van een koning die werkelijk doet wat een koning moet doen. Een gezalfde, messias, die recht doet en omziet naar de armen (Jes. 9:6; 11:1-5; Jer. 23:1-6; Ez. 34:23-24; Mi. 5:1-3). In Psalm 72 zien joodse uitleggers het beeld van de Messias die zal komen (Brinkman, p. 158; Swüste, p. 219). Meer nog dan een gebed om een koning, wordt hier gebeden om het komen van Gods koninkrijk in hem (Ter Linden, 2002, 41).
Psalm 72 en de Tenach
Psalm 72 is heel geschikt om de structuur van Tenach, Tora, Profeten, Geschriften en de dwarsverbindingen daartussen te illustreren:
- In de Tora wordt de weg gewezen, daar vinden we de spelregels voor de koning: Deuteronomium 17;
- In de Profetische boeken wordt verteld over de Tora in de praktijk, het verhaal van de falende koning Salomo: 1 Koningen 10 en 11;
- In de Geschriften wordt gereflecteerd op de Tora en de Profeten, respectievelijk theorie en praktijk van het koningschap, een smeekgebed voor de koning: Psalm 72.
WORDT VERVOLGD
In een tweede deel kijken we eerst naar de plaats van Psalm 72 binnen de redactie van het Psalmboek. Vervolgens Psalm 72 en Jezus. Daarna de berijmingen van deze Psalm.
Voor de geraadpleegde literatuur: zie deel 2.
Bert Aalbers is emeritus PKN-predikant en lid van de redactie Prediking.