Als gemeente-zijn op minder schouders rust
Wat hier wordt aangekaart, is of wordt voor steeds meer gemeenten een realiteit: het gebrek aan menskracht in de organisatie en het werk binnen de gemeente. Wat staat je te doen, als dat zich voordoet? Met hoe weinig mensen kun je toe, en als die er zelfs niet meer zijn, wat dan? Mogelijkheden, misschien zelfs wenkende vergezichten…
Twee, drie, meer?
In het evangelie van Matteüs spreekt Jezus de bekende woorden: ‘Want waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben Ik in hun midden.’ (Matt.18,20) Als we deze woorden betrekken op de grootte van de gemiddelde gemeente, dan is er weinig reden tot zorg. Zelfs hele kleine, kwetsbare gemeenten tellen meer dan drie leden. Je kunt je echter afvragen of Jezus hier dacht aan een gemeente zoals wij die kennen.
Hoe dan ook, Jezus onderstreept hier wel iets wezenlijks, dat ook geldt voor de gemeente. Geloven is meer dan een privéaangelegenheid, dat doe je niet in je eentje. Daarvoor heb je iemand naast én iemand tegenover je nodig. ‘Naast je’ om elkaar over en weer te ondersteunen, op te vangen, samen vreugde en leed te delen. ‘Tegenover je’ om te voorkomen dat je denkt, dat je de waarheid in pacht hebt.
Bestuur en verantwoordelijkheid
Over de gemeente wordt in het Nieuwe Testament onder andere gesproken als het ‘lichaam van Christus’. Voordat we ingaan op de kerntaken, die daarmee gegeven zijn, kijken we eerst naar de eisen, die de kerkorde van de Protestantse Kerk aan de gemeente stelt.
We beginnen bij de kerkenraad, het orgaan dat leiding geeft aan de gemeente. De leiding ligt niet bij één persoon, maar bij een ambtelijke vergadering. Deze vergadering bestaat uit ouderlingen, diakenen en predikant(en). Dat betekent dat niet het college van kerkmeesters de baas is en ook de dominee niet. Er is sprake van gedeeld leiderschap. De kerkorde onderstreept daarbij dat deze leiding niet in zichzelf rust, maar dat ‘alles wordt gericht op de gehoorzaamheid aan Christus, het Hoofd van de Kerk’.
De leiding mag dan bij de kerkenraad liggen, dat betekent niet dat de gemeenteleden geen inbreng hebben. We lezen in artikel VI-5: ‘De kerkenraad neemt geen besluiten in aangelegenheden die voor het leven van de gemeente van wezenlijk belang zijn, zonder de leden van de gemeente daarin gekend en daarover gehoord te hebben.’
Om ‘collegiaal’ leiding te kunnen geven aan de gemeente schrijft de kerkorde een minimum aantal leden voor. De kerkenraad bestaat uit tenminste één predikant, twee ouderlingen, twee ouderlingen-kerkrentmeester en twee diakenen. In een wijkkerkenraad kan volstaan worden met één ouderling-kerkrentmeester (zie ord. 4-6-3 en 4-6-4).
Naast de kerkenraad heeft iedere gemeente twee colleges: het college van diakenen en het college van kerkrentmeesters. Een college bestaat uit minstens drie leden, waarvan tenminste twee ambtsdragers. Dit is niet alleen, omdat het in de kerkorde staat. Het college van diakenen / kerkrentmeesters is namelijk een rechtspersoon met ANBI-status en moet voldoen aan de wettelijke eisen.
Geloven is meer dan een privéaangelegenheid, je hebt ook anderen nodig
Lichter ingevuld
Voor een kleine gemeente kan het een hele toer zijn om naast de predikant zes ambtsdragers te vinden. Ook grotere gemeenten lopen hier tegenaan. Er zijn best wel mensen, die wat voor de gemeente willen doen, maar voor langere tijd bestuurlijk leidinggeven en verantwoordelijkheid nemen, past niet in hun levenssituatie of agenda. De Protestantse Kerk heeft naar wegen gezocht om in bepaalde situaties met minder mensen te kunnen werken. Het breed moderamen van de classicale vergadering kan op basis van ord. 4-6-5 een passende maatregel treffen en de gemeente toestaan met een kleinere kerkenraad te werken.
Een andere mogelijkheid is dat het breed moderamen – na advies van het classicaal college voor de behandeling van beheerszaken (CCBB) – kan toestaan, dat er in de gemeente één college is of dat de kerkenraad optreedt als (beide) colleges (zie het rapport Lichter ingevuld van de Protestantse Kerk). Dit betekent niet dat de rechtspersonen in elkaar opgaan, ze behouden een eigen begroting en jaarrekening. Per geval zal door het breed moderamen van de classicale vergadering beoordeeld worden of dit mogelijk is.
Een concrete voorwaarde, die het rapport Lichter ingevuld noemt, is dat de omvang van het vermogen van de gemeente dan wel de diaconie deze vereenvoudiging toelaten. Met andere woorden: een gemeente met veel vermogen en een complexe vermogensstructuur zal minder snel in aanmerking komen voor deze regeling dan een gemeente met weinig vermogen en een eenvoudige vermogensstructuur.
Het risico is aanwezig, dat een klein groepje mensen overbelast raakt
Wordt het ook echt lichter?
Het is natuurlijk mooi dat de kerkorde ruimte biedt om de bestuurslast in de gemeente te verlichten. Het is wel zaak om kritisch te blijven en goed te wegen of het de gemeente op langere termijn echt helpt. Het zou namelijk zomaar kunnen, dat hetzelfde werk op minder schouders komt te liggen. Het risico is aanwezig, dat een klein groepje mensen overbelast raakt. Naarmate je met minder mensen bent, is het ook belangrijk je af te vragen in hoeverre je de gemeente als geheel nog kunt vertegenwoordigen. Er komt veel verantwoordelijkheid te liggen bij enkele mensen. Dat kan zwaar zijn en er ook toe leiden, dat de besluitvorming over moeilijke kwesties bij enkele personen komt te liggen.
Voorbeeld
Een gemeente met een kleine kerkenraad komt voor de moeilijke keuze te staan of ze het monumentale kerkgebouw kunnen behouden. Het vergt veel van het college van kerkrentmeesters om het gebouw in goede staat te houden, zowel qua kennis als qua financiën. Men denkt erover het gebouw te verkopen en de kerkdiensten in een school te gaan houden. Het valt hen echter zwaar een besluit te nemen, waarin niet alleen de stemmen van de gemeenteleden van vandaag meeklinken, maar ook de stemmen van vele generaties vóór hen, die in het gebouw zijn samengekomen om te bidden en te zingen. Wie zijn zij om hiertoe te besluiten?!
Opschalen
Als het in je kerkenraad structureel niet lukt om de vacatures te vervullen, dan is het raadzaam niet alleen te denken aan ‘kleiner worden’. Je kunt ook denken aan opschalen, met andere woorden: samenwerking zoeken met gemeenten in de regio, die ook tegen grenzen aanlopen.
Op de website van de Vereniging voor Kerkrentmeesterlijk Beheer (VKB) vind je bijvoorbeeld informatie over de mogelijkheid van een ‘regionaal kerkelijk bureau’ (RKB). Zo’n RKB ‘ondersteunt meerdere plaatselijke gemeenten bij de uitvoering van (complexere) kerkbeheer taken. Denk aan financiële administratie, boekhouding, opstellen jaarstukken en begrotingen (FRIS) of andere specialistische taken, die lokaal kwetsbaar worden door gebrek aan capaciteit, kennis of continuïteit.’
Als je hierover als kerkenraad na wilt denken, is mijn advies contact te zoeken met de classispredikant. Vanuit haar of zijn overkoepelende visie en ervaring kan zij / hij meedenken over vormen van samenwerking in de regio. Je kunt ook een stap verdergaan en overwegen of samengaan een optie is.
Je kunt ook opschalen, samenwerking zoeken met gemeenten in de regio
Essenties van kerk-zijn
In het voorgaande ging het vooral over aantallen en de eisen die gesteld worden aan goed bestuur. Daar draait het in de gemeente van Christus natuurlijk niet om. Deze randvoorwaarden maken het mogelijk om vorm en inhoud te geven aan de essenties van kerk-zijn.
De Kerkorde somt deze essenties op in artikel IV: ‘De gemeente, daartoe begenadigd door de Geest, is geroepen tot de dienst aan het Woord van God in de prediking van het Evangelie en de viering van doop en avondmaal in de openbare eredienst, in de dienst van de gebeden, in de missionaire arbeid, in het diaconaat, in de herderlijke zorg, in de geestelijke vorming en ook in alle andere arbeid tot opbouw van het lichaam van Christus.’ We zien in deze beschrijving van de roeping van de gemeente elementen die ons bekend zullen voorkomen: de kerkdienst, het pastoraat, het diaconaat, catechese en missionair kerk-zijn.
Wat willen en verwachten we?
Gelukkig zijn er nog heel veel gemeenten, die aan deze essentiële zaken toekomen, dankzij de inzet van professionals en zeker ook vrijwilligers. Maar ook wat betreft de kerntaken is het goed als kerkenraad en gemeente kritisch in de spiegel te kijken. Lukt het de gemeente om deze taken te vervullen? Zijn er voldoende mensen die zich daarvoor kunnen of willen inzetten? Is het reëel wat we verwachten van onze dominee? Is het helder wat we verwachten van de kerkelijk werker voor het jongerenwerk? Is het verantwoord wat we verwachten van gemeenteleden die een taak op zich nemen naast hun werk en/of hun gezin? En als we erkennen, dat we teveel op gezamenlijke schouders hebben genomen, durven we dan kritisch te kijken waar we mee doorgaan en waarmee we stoppen? Daar is moed voor nodig, maar veel gemeentes ontkomen er niet aan.
Samenwerken?
Net als bij de randvoorwaarden is het een goed idee om je te bezinnen op de mogelijkheden van samenwerking of eventueel samengaan. Bij de essenties van het kerk-zijn zal dat soms wat ‘lastiger’ zijn dan bij de randvoorwaarden. De verschillen qua theologische visie of kerkelijke vormen gaan mogelijk een rol spelen. Dat lijkt me geen reden om dit gesprek uit de weg te gaan. En ook als je denkt: ‘wij hebben het in onze gemeente allemaal prima voor elkaar, het jeugdwerk loopt prima, we hebben geen vacatures en diensten zijn goed bezet’, dan is wat verder kijken dan je eigen erf nog steeds een goed idee. Misschien kan jouw gemeente wel wat betekenen voor een kleinere, kwetsbare gemeente in het dorp verderop. En als je open het gesprek ingaat, zul je ontdekken, dat je ongetwijfeld ook van hen wat kunt leren.
De Geest wijst de kerk steeds nieuwe wegen om te gaan
Het ‘ritselen van de Geest’
Eén ding moeten we bij dit alles niet vergeten. We kunnen druk zijn met het in de spiegel kijken, het zoeken naar samenwerking, het eenvoudiger maken van de processen… het is allemaal van belang. Maar vergeet niet regelmatig stil te worden en aandachtig te luisteren. Want uiteindelijk kunnen we de problemen waar we in de kerk tegenaan lopen niet even fixen. Een houding van ‘aanpakken’ en ‘regelen’ kan ons zomaar doof maken voor het ritselen van de Geest. Dat vraagt om aandacht en stil worden. In het geloof, dat de Geest de kerk steeds nieuwe wegen wijst om te gaan. Zo was het, zo is het en zo zal het zijn.
Dr. Wilbert van Iperen is classispredikant van de Classis Veluwe. Hij is lid van de redactie van Ouderlingenblad.