Om alle gerechtigheid te vervullen
Bij Jesaja 42,1-7(9) en Matteüs 3,13-17
Het begint altijd weer opnieuw. Bij de doop. Niet onze doop, maar de doop van Jezus zelf. Omdat Hij gedoopt is, zich liet dopen, zijn wij gedoopt. In Hem. Gestorven voor de zonde, begraven in zijn dood, verrezen en wandelend in een nieuwheid van leven. Daar begint het. Hij begon bij de traditie waarin Hij stond en bij de vernieuwing, de verdieping daarvan.
Te midden van Jeruzalem en heel Judea en de gehele streek rond de Jordaan stond Hij, kwam Hij. Uit Galilea. Noord en Zuid ontmoeten elkaar. In de Jordaan. Tempel – het verlichte wereldje – en iemand uit het land van diepe duisternis treffen elkaar en gaan samen kopje-onder. Om in nieuwheid van leven te wandelen (Rom. 6,1-14). Niet meer buigend onder wet, maar vrij onder de genade.
Ziehier: uw koning!
Het moment van overdracht na de abdicatie, in het bijzonder de ‘balkonscène’, wat daar (Koninginnedag 1980 en 2013) gebeurde, zo moeten we ons de situatie voorstellen waaraan de profeet Jesaja woorden geeft. De presentatie van een mens (‘Ik stel u heden voor:…’), gepaard met een taakstelling. Een roepstem proclameert, de geroepene hoort zijn roeping. Maakt zich deze eigen, ‘gaat ervoor’. Maar zelf zal Hij daarover niet reppen, Hij zal niet roepen en schreeuwen op straat (Jes. 42,2). Zijn opdracht? Hij zal het recht vestigen, op áárde. Dat is de Geest die de Eeuwige op Hem heeft gelegd. Die zal Hij niet alleen bekendmaken (42,1), Hij zal deze ook doen, op aarde vestigen: recht en gerechtigheid (42,4), in tegenstelling tot andere daarvoor uitgekozen personen, die het hadden moeten/ kunnen doen. Want hoofdstuk 41 eindigt met een verzuchting van de HEER over de kwaliteit van de leiders der volkeren en hun goden: ‘Er is niemand die mij antwoord geeft, zie, ze zijn allemaal niets waard, hun daden stellen niets voor’ (41,28-29, WV). En dan meteen, patsboem de uitroep: ‘Ziehier, míjn dienstknecht.’ Met de bijbehorende taakstelling, passend bij deze god, de HEER. Het is zijn Geest die Hij heeft ingeademd bij, gelegd op zijn dienaar. En, het zal duidelijk zijn: vanwege zijn bijzondere opdracht verdient deze de steun van de internationale gemeenschap, van alle volkeren! Sociaal, politiek, humanitair (zie ook de twee nieuwe liederen 459 en 529 in het Liedboek). Elke avond in de completen, in Simeons lofzang (‘Nunc dimittis’) houdt de kerk dit visioen vol en zingt over deze messiaanse gestalte, het licht voor alle volkeren, dat tegelijk een glorie is voor Israël (42,6).
Het doopbestaan van de Messias
De evangelist vertelt telkens weer een vreemd verhaal, ook wat de tijdsaanduiding betreft. Matteüs verhaalt/verkondigt dat Jezus, een kind nog (zie 2,20-21: driemaal klinkt to paidion, het kind), in het gebied van Galilea terechtkomt, omdat zijn vader zich met zijn moeder vestigt in de stad Nazaret, nadat zij uit Egypte teruggekomen zijn in het land Israël. Vanwege slechte ervaringen met Herodes/Archelaüs (zo vader, zo zoon?) week Jozef uit van Judea naar Galilea en vestigde zich in de stad Nazaret. En dit niet geheel toevallig, maar opdat vervuld zou worden (volgens Jozef of volgens Matteüs?) wat door de profeten gezegd is: Hij zal Nazoreeër genoemd worden (vgl. ook 26,71). Wat de tijdsaanduiding betreft: Matteüs gaat direct van het kindschap van Jezus over naar zijn volwassenheid, en dat binnen één vers, van 2,23 naar 3,1, de inleiding tot de doop van Jezus (3,13). Pas hier verhaalt Matteüs waarmee Marcus begint: de doop van Jezus. In zijn ouverture (Mat. 1-2) schetst hij de grote lijnen, pogingen om zijn hoorders/lezers een bruggetje te bieden, om de persoon Jezus vanuit de Schriften aansluiting te laten vinden bij hun geloofswereld.
Er is nog een andere lijn die Matteüs volgt in zijn eerste twee hoofdstukken, namelijk die van terugkeer uit de ballingschap. Daarin wordt Jezus getekend als levende nazaat van de vermoorde kinderen van Rachel, die de belofte hebben gekregen dat een nieuwe toekomst wacht (vgl. Jer. 31).[1] Helder is de grote nadruk op het inzicht dat het allemaal in het spoor van de Schriften geschiedt. Wet en profeten, zij hebben reeds gesproken; wat Matteüs rond de Nazoreeër wil verkondigen staat in die traditie. Dat goede, levendmakende visioen van de Eeuwige is hier en nu onder ons aanwezig, te horen, te doen, actueel geworden, tot leven gewekt. Het komt niet out of the blue, maar trekt een vernieuwend spoor op de weg die wellicht stoffig, uitgeblust, onbegaan (b)leek. Hij sloot aan bij de kracht die er al lag, strekt zich uit naar de bron, maar laat het water meer stromen. Het oude wordt herijkt door het nieuwe, ontvangt zo nieuw leven.
Weg ten leven
Het visioen van de messiaanse dienstknecht (o.a. Jes. 42) – spiritueel, sociaal, politiek, humanitair – wordt concreet in deze mens uit Galilea, die zich met ‘heel het volk’ laat dopen, vindt, gelooft, schrijft Matteüs. Alleen hij doet melding van een woordenwisseling tussen Johannes en Jezus, over wie wie zou moeten dopen en over de taakstelling van een gedoopte. Het eerste betekent: Jezus wil zich niet onttrekken aan de goede wil van de mensen van ‘heel Judea, Jeruzalem en de Jordaanstreek’ (Mat. 3,5) om zich om te keren en een nieuw begin te maken, dat wil Hij ook. Hij kan/wil zich daarin niet onderscheiden. Het tweede geeft aan dat Hij tot het uiterste alles zal doen om de weg van de profeten te gaan: inhoud geven aan het woord van de Eeuwige, ‘gerechtigheid wil Ik en geen offers’. Dat de Geest van God met instemming deze keuze van Jezus zegent wordt getoond in de verbeelding ‘als in de gedaante van een duif’ – en in de hoorbaarheid van ‘de stem’.