Om heel de mens!
Bij Jesaja 35,1-10 en Marcus 7,31-37
Jesaja geeft de joodse ballingen een beeldrijk uitzicht op de terugkeer naar Jeruzalem. Hij schildert een omzetting van de natuur: de vegetatieloze steppe zal bloeien. De verbondenheid van God met zijn volk zal opnieuw blijken. ‘Hij is het weer!’ Zijn bevrijdende daden geven de moedelozen kracht. De blinden, doven en verlamden zal Hij hélen, zodat zij weer deel krijgen aan het volle leven. Een sprekend beeld: er zal bronwater zijn in wat doodsgebied was. Op de door de Eeuwige gebaande heirbaan gaat Hij hen vóór (vs. 8), zodat zij niet kunnen verdwalen, onderweg naar Jeruzalem als veilige plek.
Het heil zal met name voor hen zijn, die terzijde zijn komen te staan van het sociale leven, voor de kwetsbaren, die zo afhankelijk zijn van anderen: blinden, doven en verlamden zal Hij hélen door hun terugkeer in de maatschappij. Dat zijn de inleidende tekenen van het messiaanse rijk, waar ook Jezus op inhaakte om Johannes de Doper te bemoedigen (Mat. 11,4) wanneer die een kwetsbare gevangene is geworden.
Buitenstaanders ‘zien’ en ‘horen’ eerder
Marcus 7 en 8 schetst Jezus’ worsteling om zijn leerlingen tot het juiste zien (inzicht) en horen te brengen. Hij legt de nadruk op de blindheid, het niet-horen en het onbegrip van zijn discipelen. In Marcus 7,14 staat: ‘hoort en verstaat’, in tegenstelling tot het gelóóf van een niet-joodse vrouw (7,24-30). In dát verband staat de genezing van haar dochtertje. Buitenstaanders in de streek van Dekapolis zien het soms beter en eerder dan Jezus’ vriendenkring: zij brengen ‘een dove, die met moeite sprak’ naar de Heer toe (7,32). De heilstijd is aangebroken, het begin is er in deze Jezus. Beloften worden in messiaanse daden omgezet, luidt Marcus’ evangelie, en ongaafheid wordt weggenomen. Toch blijven velen doof voor Jezus’ woorden en blind voor zijn daden, zonder inzicht in wie Hij is. Het gaat hier niet alleen om een los genezingsverhaal.
Jezus’ genezende aanraking
Deze gehoorgestoorde is afhankelijk van anderen. Er staat zo typerend: ‘zij bráchten bij Hem (…)’. Meegaand of tegenstribbelend? Hij kende Jezus niet. Betrof Jesaja 35 speciaal Israël, hier gaat de Heer de nationale landsgrenzen over. Deze man moet al hoop gekregen hebben, door de wijze waarop Jezus hem tegemoetkomt: van mens tot mens, weg uit het geroezemoes van de kring toeschouwers. Het gaat Jezus niet alleen om het gehoor en moeilijk-kunnen-spreken van die man, maar om héél de mens. Door gebarentaal opent Jezus de communicatie: de vingers in diens oren geven aan dat Hij de kwaal direct heeft herkend. Met speeksel, symbool van genezende kracht, raakt Hij diens tong aan. De tong heeft alles met taal te maken, met jezelf helemaal kunnen uiten. Een ernstig gehoorgestoorde is niet ‘stom’, geen ‘doofstomme’, want zijn handicap ontneemt hem alleen de kans om te antwoorden, om zichzelf mee te delen aan de ander. Jezus ziet op naar de hemel en zucht diep, als een gebed dat duidelijk maakt waar het heil, het hélen van de mens, vandaan moet komen. Uiteraard zijn degenen die met een zekere verwachting hun dove vriend naar Jezus toebrengen, zelf ook een instrument in Gods hand. Ook al kennen noch dienen zij de God van Israël. De Eeuwige werkt goddank niet exclusief door middel van de inzet van in Hem gelovigen. Dan zag het er voor onze wereld met haar immense problemen niet best uit.
Effata
Kinderen kunnen pas leren praten als er eerst tegen hen gesproken wordt. In de Schriften roepen Gods sprekende woorden en daden het ant-woord van de mens op. Zo werft Hij om het hart van Israël. Jezus spreekt en handelt met gezag, waarmee de Vader Hem bekleed heeft (Mar. 1,11.22). Door de Geest die Hem vervult en aandrijft, die in mensen ruimte en openheid schept om Hem hun vertrouwen te geven. De evangelist Johannes zegt dat Jezus zelf het Woord is van God tot ons. Het ‘ga open’ klinkt de eeuwen door tot gelovigen en ongelovigen. Effata is een Aramees woord dat je gemakkelijk kunt liplezen. Hier wordt een toegesloten mens geopend, die gebondene wordt bevrijd. In de bijbel wordt ‘blind en doof’ in de diepere zin gebruikt: het niet in staat zijn het heil Gods te onderkennen en te erkennen. Hier wordt in de messiaanse tijd de lichamelijke doofheid genezen.
Als Jezus op iemand ‘de hand legt’, draagt Hij zegen en toekomst over. Hij raakt die man lijfelijk aan, houdt geen afstand en breekt die mens open. Hij doet dat in gebed en zuchten, wat op innerlijke worsteling en geestelijke spanning duidt. Jezus ‘krijgt’ zijn wonderen van de Vader van alle ontferming. Direct schiet de band om de tong van de man los en kan deze weer normaal (Gr.: orthoos) spreken. En de omstanders, niet-joden, zeggen: ‘Alles heeft Hij wel gedaan’ (7,37). Dit vertelt Marcus om de tegenstelling aan te geven met blinde en dove gelóvigen binnen Israël, die Jezus zo dikwijls weerstand bieden.
Het Messiasgeheim
Het evangelie van Marcus kent duidelijk de spanning tussen de openlijke en de verborgen aanwezigheid van het rijk en de doorwerking van de boodschap. Enerzijds de doorbraak van het koninkrijk der hemelen, anderzijds Jezus’ zelfverberging. Zijn opmerkelijke terughoudendheid met betrekking tot zijn Messiasschap staat in nauw verband met de messiaanse opdracht: de weg van lijden en sterven te gaan. Pas vanuit de opstanding krijgt men de rechte kijk op Jezus’ identiteit en zending. Het slot van onze perikoop vertelt dan ook dat de Heer iedere reclame en sensatie vermijdt. Wonderen overtuigen niet, ook de leerlingen van Jezus zijn soms blind en doof. Jezus is de verborgen Messias, die op zijn woord alleen in het gelóóf gekend en herkend kan worden. Als Degene die de uitzichtloosheid openbreekt en de deur naar de toekomst ontsloten heeft.
Bij Jesaja 35:1-10 en Marcus 7:31-37