Ondergang en toekomst
5e zondag van de Veertigdagentijd (Jeremia 31,31-34, Psalm 51, Hebreeën 5,1-10 en Johannes 12,20-33)
Zondag Judica is de laatste zondag voor Palmpasen. Deze zondag is genoemd naar de beginwoorden van Psalm 43: ‘Judica me – Verschaf mij recht.’ Op de drempel van de Stille Week staan lezingen die de balans zoeken tussen ondergang en toekomst.
Jeremia 31,31-34 kondigt de komst van een ‘nieuw verbond’ aan. Deze verzen maken deel uit van het troostboek van Jeremia (30–31). Daarin wordt in een tiental canto’s een tweeledige visie op de geschiedenis verwoord. De tekst stamt uit de periode van de Babylonische ballingschap. De auteur erkent dat de verwoesting van Jeruzalem, het einde van de dynastie van David en de verbanning naar Babels stromen daden van God waren in reactie op de schuld van de Judeeërs. Dat is de ene kant van de geschiedopvatting. Aan de andere kant staat de belofte van terugkeer. De schijnbaar ongeneeslijke wond van de ballingschap zal worden geheeld. Het volk mag op weg naar een leven in voorspoed in een vrij land.
Het tekstgedeelte verwoordt een belangrijke verschuiving in de aard van de relatie tussen God en volk. Ter aanduiding van deze relatie gebruikt het Hebreeuws het woord berīt. Dit is traditioneel vertaald met ‘verbond’. Met name in de protestantse theologie is dit begrip in juridische zin opgevat, als ware het een verdrag vol met regels en verplichtingen. In een oudere taalfase komt het woord birit voor, dat ‘tussen’ betekent. Daarom zie ik het woord berīt liever als een aanduiding voor de gevulde ruimte tussen God en Israël. berīt duidt dan op de na te streven gemeenschap tussen God en Israël en het besef in verbondenheid te leven.
De Judeeërs verbraken die relatie door allerhande overtredingen. In het ‘nu’ van de tekst gaan zij daarmee door, terwijl ze elkaar onderwijzen om God te kennen. In de toekomst zullen ze ‘volk van God’ blijven, maar ze hoeven elkaar niet langer te onderwijzen om God te kennen, want allen zullen God onbemiddeld kennen. De relatie tussen God en volk zal een ‘vernieuwd verbond’ worden. Dit verbond zal niet meer op stenen tafelen worden geschreven, maar ‘op het hart’. De verschuiving zal leiden tot een verinnerlijking. De verbondsrelatie is niet langer alleen maar een uiterlijke zaak, maar een kwestie van persoonlijke betrokkenheid, niet langer een afspraak met clausules en uitzonderingen, maar een uitdrukking van een diep gevoelde gemeenschap. Geloven wordt dan een zaak van vertrouwen.
In eerdere teksten wordt het verbond gemotiveerd vanuit de weg van God in de geschiedenis. Zo opent de weergave van de Tien Woorden in Exodus 20 met de zelfvoorstelling van God als degene die het volk uit Egypte heeft bevrijd. In Jeremia 31 echter wordt het vernieuwde verbond gerelateerd aan de onwankelbaarheid van de natuur. Zo betrouwbaar als de schepping is, zo betrouwbaar zal God blijken te zijn.
Redding en recht
Psalm 51 lijkt een diep-sombere visie op het mens-zijn te hebben. Dat sombere mensbeeld is vooral te wijten aan de collectieve interpretatie van vers 7. Naar mijn mening kan de individuele visie van de psalmdichter op zijn leven, geuit vanuit de diepte van zijn droefheid, niet zomaar gegeneraliseerd worden naar een algemene visie dat elke mens ‘in zonde is ontvangen en geboren’. In Psalm 51 gaat het uiteindelijk om de hoop op redding uit de nood. Daarin loopt dit lied parallel met Judica me: de dichter hoopt op redding en recht van Gods kant.
Empathie
Hebreeën biedt een geheel eigen stem in het koor van de vroegchristelijke geschriften. De tekst is niet door Paulus geschreven en vermoedelijk ook niet als een brief te zien. Hebreeën bevat preken van een auteur uit het einde van de eerste eeuw, toen het beginnende christendom zich met moeite en veel tegenstand een plaats probeerde te veroveren binnen het Romeinse Rijk. De verzen 4,15–5,10 vormen een literaire eenheid die leerstellig van aard is en het profiel van de ideale hogepriester tekent.
Centraal staat daarbij het concept empathie. In 5,2 komt het – in het Nieuwe Testament unieke – werkwoord ‘tegemoetkomend zijn’ voor. De hogepriester kan deze vergevende generositeit opbrengen, omdat hij zelf met zwakheden omkleed is. De menselijke onvolmaaktheid en de ondervinding van eenzaamheid, aanvechting en nood maken Jezus tot een volmaakte hogepriester. Door zijn lijden weet Hij medelijden op te brengen.
Hebreeën plaatst Jezus op een lijn met Melchisedek. In Genesis 14,19-20 geeft deze ‘priester van de allerhoogste God’ een zegen mee aan Abraham. In de vroeg-Joodse traditie is Melchisedek uitgegroeid tot een hemelse rechter en heerser over de gestorven rechtvaardigen. Zie hierover de Melchisedek-rol uit Qumran (11Q13 = 11QMelch).
De glans van God
De evangelist Johannes brengt in 12,20-33 twee elementen uit de synoptische tradities samen. Enerzijds het beeld van het zaad dat in de aarde moet vallen om door de dood heen opnieuw vrucht te kunnen dragen, en anderzijds het moment van vertwijfeling uit de hof van Getsemane. De vertaling van het NBV21 is hier – wellicht om een verwijzing te maken naar Matteüs 26 en par. – nogal vlak: ‘Laat dit ogenblik aan Mij voorbijgaan’ (Joh. 12,27). Het Grieks moet echter vertaald worden met ‘Verlos Mij uit dit moment’. Met het beeld van de graankorrel tekent Jezus de weg die Hij moest gaan, maar Hij deinst ervoor terug en roept om redding. De angst wordt in balans gebracht door zijn roepingsbesef: ‘Maar hiervoor ben Ik juist gekomen.’
Dan klinkt er een stem uit de hemel: ‘Ik heb mijn grootheid getoond en Ik zal mijn grootheid weer tonen’ (NBV21). ‘Grootheid’ is een wat gemakkelijke vertaling. Het Griekse woord doxa (Hebr.: kabôd) duidt op de mysterieuze werkelijkheid van Gods doorschijnen van de wereld. Deze glans is niet te vangen, maar werd tweemaal zichtbaar in Jezus: bij zijn komst en in zijn gang door de diepte heen.
Deze exegese is opgesteld door Bob Becking.