Menu

None

Oorlog tegen de koning en tegen God

Assyrische militaire campagne in Mesopotamië
Assyrische militaire campagne in Mesopotamië, 640–620 v.C. Reliëf uit het zuid-westpaleis te Nineve. British Museum.

De Bijbel staat vol met verhalen over geweld. Hoe keken de omringende volken aan tegen het doden van hun vijanden? Hoe keek Israël zelf naar de strijd met hun tegenstanders? Carly Crouch legt een aantal psalmen naast Genesis 1 en laat zien dat opvattingen kunnen veranderen.

Onthoofden. Spietsen. Villen. Gevangenen als een hond in een kooi vastbinden. Oorlogsgeweld in de antieke wereld was niet voor doetjes. Het zijn slechts een paar van de meer extreme gevallen die in de oude buitenbijbelse literatuur gedocumenteerd zijn. Zowel de geleerde lezer als de leek deinzen terecht vol afschuw terug voor zulke gewelddadigheden. Maar te vaak veronderstellen ze ook dat degenen die deze wrede acties uitvoerden, dit deden ondanks dat ze die als immoreel beschouwden.

Hun rechtvaardiging klinkt vaak hetzelfde als moderne oorlogsretoriek

Een genuanceerder zienswijze op de antieke oorlogsvoering erkent dat toen evenals nu mensen alleen in staat waren om anderen te doden wanneer ze dit geweld binnen een groter ethisch kader konden plaatsen dat hun daden rechtvaardigde. Doorgaans luidde het argument dat vrede alleen bereikt kon worden met geweld.

Inderdaad, hun rechtvaardiging van geweld klinkt vaak hetzelfde als moderne oorlogsretoriek. Geweld wordt gerechtvaardigd als een manier om de eigen maatschappij te beschermen tegen de chaotische krachten die deze dreigen te ontwrichten en te ondermijnen.

Strijd om de schepping

In het bijbelse Israël krijgt dit vorm in verwijzingen naar scheppingsmythen. In het priesterlijke verhaal over de schepping in Genesis 1 wordt dit verhuld. Maar het idee dat aan Gods scheppingsdaden een strijd voorafging tegen de chaotische machten die het universum dreigden te vernietigen, wordt nog steeds overgeleverd in een aantal psalmen. Psalm 18 en 89 zijn hier heel duidelijk over.

In Psalm 18 worden zowel God als zijn menselijke tegenspeler beschreven als koninklijke strijders die samen vechten tegen een gemeenschappelijke vijand. Dit is vooral opmerkelijk omdat het gepresenteerd wordt in die context van de strijd om de schepping. De psalm geeft een uitgebreide beschrijving van Gods militaire macht en gebruikt taal die het gevecht van God tegen de chaos oproept. Vervolgens grijpt God de koning vast en stelt hem in staat om die chaotische machten aan te vallen. Hiertoe wordt de koning Gods eigen militaire vaardigheid verleend.

De donder van de Heer klonk aan de hemel,
De Allerhoogste verhief zijn stem:
Hagel en gloeiende as.
Hij schoot zijn pijlen en sloeg de vijanden uiteen,
wierp zijn bliksemschichten en verdreef hen.

De beddingen van het water werden zichtbaar,
de grondvesten van de wereld kwamen bloot
door uw dreigende blik, Heer,
door de briesende adem uit uw neus.

Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast
en trok mij op uit de woeste wateren,
ontrukte mij aan mijn machtige vijand,
aan mijn haters, die sterker waren dan ik.

Op de dag van mijn ondergang vielen zij aan,
maar de Heer was mij tot steun.

Psalm 18:14–19

Psalm 89 benoemt eveneens de hechte relatie tussen God en de menselijke koning. De nadruk valt op hoezeer de militaire activiteit van de koning gezien wordt als onderdeel van een kosmische strijd. De psalm schildert God als de triomfantelijke overwinnaar van zijn vijanden:

U hebt Rahab verpletterd en doorboord,
Met krachtige arm uw vijanden verstrooid.

Psalm 89:11

Na de verzen die de rechtvaardige en terechte overheersing van God over de hele schepping vieren, stelt de psalm ook verheugd vast dat God een menselijke koning heeft gekozen wiens strijd tegen aardse vijanden Gods ondersteuning zal ontvangen (Ps. 89:19). Deze intimiteit tussen God en de koning maakt dat de agressie tegen Israël neerkomt op agressie tegen God. De dreiging die deze wederzijdse vijanden vormen, wordt uitgedrukt in kosmische begrippen.

Al dit geweld is uiteindelijk in het eigenbelang van de volken

Een rechtvaardig front

Dat de oude Israëlieten nooit zulke politieke macht uitoefenden, verhinderde hen niet om het geweld te rechtvaardigen dat nodig was om hun eigen rijk te stichten. In Psalm 72 wordt de koninklijke macht bijvoorbeeld opgevat – in het ideale geval – als universeel. De andere koningen drukken hun ondergeschikte status uit door schatting te betalen of zich ter aarde te werpen.

Moge hij heersen van zee tot zee,
van de Grote Rivier tot aan de einden der aarde.
Laten de woestijnbewoners voor hem buigen,
zijn vijanden het stof van zijn voeten likken.
De koningen van Tarsis en de kustlanden,
laten zij hem geschenken brengen.
De koningen van Seba en Saba,
laten ook zij hem schatting afdragen.
Laten alle koningen zich neerwerpen voor hem,
alle volken hem dienstbaar zijn.

Psalm 72:8–11

Datzelfde idee, dat geweld een manier is om recht te vestigen, komt voor in Psalm 110. Daarin worden de naties voorgesteld als vol met lijken en verpletterde hoofden.

De Heer aan uw rechterhand
verplettert koningen op de dag van zijn toorn.
Hij berecht de volken,
verplettert hoofden, overal op aarde,
lijken stapelen zich op.

Psalm 110:5–6, vgl. Ps. 68:22

Opmerkelijk in deze passages is de insinuatie in juridische taal dat al dit geweld uiteindelijk in het eigenbelang van deze naties is. Hun onderdanen hebben pastorale zorg nodig en bevrijding van corrupte leiders. De psalmen identificeren Israëls vijanden ook als doortrapt. Op die manier geven ze Israël de rol van degene die de onnatuurlijke, antisociale en immorele activiteiten van de naties onderdrukt. God en de psalmist vormen samen een rechtvaardig front, maar de naties zijn door en door verdorven:

U hebt volken bedreigd, goddelozen omgebracht,
hun namen uitgewist voor eeuwig.
De vijanden zijn verslagen, uit de herinnering verdwenen.
U vaagde hun steden weg: ruïnes voor altijd.
Zo vergaat het hun! Maar de Heer zetelt voor eeuwig,
zijn rechterstoel staat onwrikbaar vast.
Hij bestuurt de wereld naar recht en wet,
alle volken berecht Hij eerlijk.

Psalm 9:6–9, vgl. Psalm 144:11

Deze psalmen weerspiegelen een moreel kader waarin de koning en God het oorlogsgeweld gebruiken om de dreiging, gevormd door hun wederzijdse vijanden, te weerstaan. Militaire bedreiging van Israël wordt vertaald als theologische bedreiging van Gods soevereiniteit. Ondertussen benadrukt de taal van verdorvenheid en onschuld de morele rechtschapenheid van bestraffend geweld.

In de nasleep van deze traumatische ervaringen wordt hierover opnieuw nagedacht

Doel van dit militaire geweld is de inlijving van een groeiend territorium binnen de geordende heerschappij van God en de koning.

Mozaïek van een duif die zijn vleugels open slaat.
Vrede aan het begin van de schepping. Afbeelding van 12138562 via Pixabay

Na de verschrikking

Toch was deze denkwijze over oorlogsgeweld niet statisch of onveranderlijk. Het is niet verrassend om te ontdekken dat opvattingen over oorlog en de beweegredenen daartoe veranderden toen Jeruzalem door de Babylonische koning Nebukadnessar en zijn leger was verwoest. Zij plunderden de stad, ze plunderden de tempel en staken die in brand. Veel bewoners stierven van de honger tijdens de belegering, anderen kwamen om tijdens de gevechten of de lange mars op weg naar de Babylonische ballingschap. Klaagliederen herinnert aan die verschrikking:

Op straat liggen de lijken van mannen, jong en oud,
mijn meisjes en mijn jongemannen zijn gevallen door het zwaard;
U doodt hen op de dag van uw toorn, meedogenloos slacht U hen af.

Klaagliederen 2:21

In de nasleep van deze traumatische oorlogservaringen riepen bijbelse auteurs Israël op om opnieuw na te denken over hoe het stond tegenover geweld. Het scheppingsverhaal in Genesis, dat we hiervoor noemden, lijkt in veel opzichten op de oudere tradities maar het gaat op beslissende momenten een eigen weg.

Vooral valt op dat het alle verwijzingen naar een strijd uitvlakt. Het vredige, ordelijke bestaan van de schepping wordt niet langer gevestigd door geweld. In plaats daarvan ontstaat het door een goddelijk fiat. Deze monumentale verschuiving wordt in de canon geplaatst als het begin van alles, als een beschrijving van de ideale staat van de wereld.

Hoewel menselijke zwakheid bijna onmiddellijk dit vredevolle begin van Gods schepping verstoort, stelt dit openingsverhaal menselijk geweld voor als een afwijking van Gods bedoeling met de wereld. En een afwijking van Gods eigen verlangen om zich met de wereld te verbinden.

Carly L. Crouch is hoogleraar Hebreeuwse Bijbelstudies en Oud Jodendom en hoofd van de afdeling Tekstuele, Historische en Systematische Studies van Jodendom en Christendom aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Ze is ook onderzoeksmedewerker aan de Universiteit van Pretoria in Zuid-Afrika. Ze schreef onder andere Israel and Judah Redefined (2021), An Introduction to the Study of Jeremiah (2017), War and Ethics in the Ancient Near East (2009) en Isaiah: An Introduction and Study Guide (met Christopher B. Hays; 2022). Daarnaast is ze redacteur van de delen over het bijbels en Amerikaanse wapengeweld, onvrijwillige migratie en de profeten, en de Cambridge Companion to the Hebrew Bible and Ethics (2021).

(Vert. JS)


Vrede!?
Woord & Dienst 2023, nr. 12

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken