Menu

None

Op zoek naar de ervaring van Gods licht

Bij Hooglied 1,1-8, Psalm 23 en 1 Johannes 1,1-7

Sterk zintuiglijk gericht taalgebruik verbindt de drie lezingen van vandaag. Aan den lijve wordt het leven ervaren. In dat kader ervaart men hoe God met mensen omgaat, in een werkelijkheid die lang niet altijd zo rooskleurig is.

Als een vlam van JHWH is de liefde, stelt Hooglied 8,6. Niet toevallig is dan ook in de latere receptiegeschiedenis dit bijbelboek gelezen als een getuigenis van de omgang tussen God (of Christus) en diens volk. De verliefde vrouw getuigt van een verlangen dat obstakels overwint. De psalmist geeft het diepe vertrouwen aan dat zelfs in het oog van de vijand, God rust en veiligheid biedt. 1 Johannes 1 maakt duidelijk dat al horend, ziend en aanrakend ervaren kan worden hoe God licht is, wat mensen uitdaagt om te kiezen voor het pad van het licht en niet dat van de duisternis.

Zoeter dan wijn: de liefde

De erotisch gekleurde liefdespoëzie van Hooglied spreekt tot de verbeelding. Het verlangen tot zintuiglijk voelen, proeven, ruiken van de geliefde opent dit boek. Wat de spreekster uniek maakt tussen de andere meisjes is de keuze van haar koning voor haar. Een al te romantische lezing ziet echter wellicht hardere ervaringen over het hoofd. De verliefde vrouw loopt in haar zoektocht naar haar geliefde ook gevaar. Gedwongen om de wijngaard van anderen te bewaken, kan ze haar eigen wijngaard niet beschermen (1,6). De zon brandt haar, ze riskeert hiervoor de minachting van de dochters van Jeruzalem. Ook het dwalen langs de kudden (1,8) is niet zonder risico. Zeker niet als zij gesluierd is (zoals de Hebreeuwse tekst suggereert), wat haar tot een vrouw van mogelijk bedenkelijke zeden maakt (zie Gen. 38,13-19). In haar zoektocht wordt ze later ook gevonden door de wachters die haar slaan en verwonden, en haar de sluier afrukken (5,7). Te midden van deze harde realiteit blijft de vrouw echter zelfbewust: zowel donker als mooi is ze (1,5), en dit bevestigt haar geliefde die haar ‘mooiste van alle vrouwen’ noemt (1,8). Gedreven door haar liefdevol verlangen gaat de vrouw op zoek, zonder duidelijk te weten waarheen. Kan ze hem niet vinden, dan rest haar enkel ‘het spoor van de kudde’. Hiermee wordt de geliefde als koning (1,4) en herder geschetst (1,7-8), beelden die ook verder in het boek voorkomen. Zelf zal ze doorheen haar zoekend verlangen groeien tot een vrouw die haar eigen wijngaard behoudt (8,12), en vrede biedt in de ogen van haar geliefde (8,10).

Een overvloeiende beker

Het Hooglied is gelezen als een poëtische lezing van de relatie tussen God en zijn volk. De beeldspraak van de herder die zowel op de geliefde als op God toegepast kan worden, heeft hier wellicht toe bijgedragen. Waar het Hooglied slechts zijdelings aangeeft dat de geliefde herder is, beschrijft Psalm 23 uitdrukkelijk God als herder. Door het idyllische van de groene weiden met vredig water riskeert de lezer hierbij de vijandige context over het hoofd te zien. De weg leidt ook door duistere wegen, waar de bescherming van stok en staf noodzakelijk is. Waar de beker overvloeit, een maal plaatsvindt, en de spreker gezalfd wordt met olie, is de vijand niet ver weg.

Gehoord, gezien, aangeraakt

Horen, zien, aanraken: 1 Johannes 1,1-7 is opvallend zintuiglijk. Deze zintuiglijke ervaringen verhogen de betrouwbaarheid van de verkondiging. De schrijver claimt immers dit persoonlijk te hebben meegemaakt. Tegelijkertijd is deze ervaring ‘gegeven’. Het leven was er vanaf het begin, gaat dus de schrijver vooraf. Horen kan pas omdat een ander spreekt. Het zien is te danken aan een verschijning van dit leven dat bij de Vader is. De oorsprong van de ervaring dat God licht is (1,7) ligt dus buiten de getuigende auteur zelf, maar tegelijkertijd is de boodschap ook met hem verbonden, vanwege het persoonlijke karakter van het zien, horen, en aanraken. De getuigenis is identiek met wat verschenen is, gehoord, gezien, aangeraakt. Zo is er een nauw verband tussen de auteur en diens boodschap, het levende Woord, waarbij de scheidingslijn tussen een boodschap die leven geeft en het levende Woord vaag is. De lezers van de brief worden uitgenodigd om mee in dit nauwe verband betrokken te worden. Door de verkondiging kan de lezer met de auteur verbonden zijn, en zo ook met de Vader en Christus (1,3). Dit hele proces zou tot volkomen vreugde van de briefschrijver leiden (1,4).

God is licht

Wat de auteur van en over Jezus Christus heeft gehoord, is dat God licht is (1,5). Tot op dit punt van het betoog verwijst het ‘wij’ naar de auteur/verkondiger in tegenstelling tot ‘jullie, lezers’. Maar vervolgens krijgt het ‘wij’ een andere invulling. Met het ‘wij’ worden dan verkondiger én lezers (mogelijks zelfs enkel de lezers) bedoeld. Van ‘verticale’ verbondenheid (lezers met de verkondiger, Vader en Zoon) gaat het betoog over naar de ‘horizontale’ verbondenheid tussen de christenen onderling. Deze verbondenheid is afhankelijk van de levensweg die zij gaan. Wie de weg in het duister gaat, leeft niet volgens de waarheid, namelijk dat God licht is. Men kan dus niet tegelijkertijd claimen met Jezus Christus, die in het Licht/God is (1,8), verbonden te zijn én duistere wegen gaan. Wie zoiets beweert, liegt. Wie zoals Christus in het Licht zijn, en ook de levensweg in het licht bewandelen, zijn met elkaar verbonden.

Hierop brengt de schrijver meteen een nuancering aan. In God is geen spoor van duisternis (1,5); bij mensen is dit wel het geval, ook als zij de weg in het licht volgen. In de verbondenheid die ontstaat als zij de weg in het licht kiezen, zal Christus’ bloed de christenen reinigen van alle zonde. Deze idee wordt verder uitgewerkt in 1 Johannes 1,8-2,2.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken