Orde scheppen
1e zondag van de zomer ( Lucas 8,26-39)
Het verhaal van de bezetene in het land van de Gerasenen is een meeslepend verhaal. Net zoals de bezetene zich laat meeslepen door legio demonen, laten uitleggers zich meeslepen door historische weetjes, psychologiserende interpretaties en weinig zeggende parallellen. Wat moet je er ook anders over zeggen? Het Lucascommentaar van Creed verzuchtte al: ‘This is a strange story’.1 NBV21 zet er voorzichtig boven: ‘Naar de overkant van het meer.’ Wat gebeurt er toch in dit verhaal?
Je kunt in deze perikoop twee delen onderscheiden: het verhaal van de bezeten man (8,27-33), en het verhaal van de man die bij zijn volle verstand is (8,34-39). Zo tegenover elkaar gezet zien we meteen een belangrijk aspect van Lucas-Handelingen. Er is bij Lucas – zoals algemeen in de Hellenistisch-Romeinse wereld – een streven naar de beoefening van mannelijk geachte deugden. Je laten meeslepen en de controle over jezelf kwijt zijn, was zeer onmannelijk. Door het handelen van Jezus komt deze man – die gezien zijn gedrag nauwelijks een man genoemd kan worden – in één klap terecht in de top van het deugdenspectrum: hij is bij zijn volle verstand. Dat heeft hij gemeen met Paulus, die eerst als een malle tekeerging, maar door de ontmoeting met de Verrezene bij zijn verstand kwam (Hand. 9,1-22).2
Druk grensverkeer
In het Grieks vallen twee dingen op. Het eerste is de grote variëteit aan samengestelde werkwoorden met erchomai (‘gaan’). Het is typisch Lucas om zo te variëren, door telkens een ander voorzetsel voor het werkwoord te plaatsen. Zo ontstaat een enorm beweeglijke tekst: Jezus ‘ging uit, omhoog’ (vs. 27), ‘droeg de geest op uit te gaan, uit de mens’ (29), ‘veel demonen waren naar binnen gegaan, in hem’ (30), zij willen niet ‘naar de grondeloze diepte weggaan’ (31) en vragen ‘in de varkens in te gaan’ (32), ‘nadat ze zijn uitgegaan van de mens gaan ze in de varkens’ (33), de mensen van de streek ‘gingen naar buiten’, ‘gingen naar Jezus’ en vonden de man ‘van wie de demonen waren uitgegaan’ (35), ze ‘vragen Jezus weg te gaan’ (37), maar ‘de man van wie de demonen waren uitgegaan’ (38) ‘ging terug om te verkondigen’ (39).
Het is een druk grensverkeer, waarin scheiding wordt aangebracht tussen ‘meegesleept worden’ en ‘bij je volle verstand zijn’. De chaos-demonen worden in de varkens gestuurd en sterven, terwijl de man-bij-zijn-volle-verstand onder de inwoners wordt gestuurd om leven te verkondigen. Maar waar Jezus de geesten beveelt weg te gaan in de varkens, die verdrinken in het meer, willen de inwoners liever dat Jezus zelf weggaat, het meer weer op.
Hier heersen demonen
Het tweede wat opvalt in het Grieks is het woord hikanos, eerst in combinatie met tijd (8,27) en vervolgens in combinatie metde kudde varkens (8,32). Het woord betekent primair ‘geschikt’, maar die vertaling helpt hier niet. Wat is ‘de geschikte tijd’ of ‘een geschikte kudde varkens’? Beter vatten we het op als een aanduiding van mate: ‘een aanzienlijke tijd’ (NBV21 geeft terecht ‘geruime tijd’) en ‘een aanzienlijke kudde varkens’ (de vertaling van NBV21 ‘een grote kudde’ is een beetje zwak).
Het is duidelijk, hier heersen de demonen, zowel in tijd als in aantal. Volgens Marcus 5,13 waren het er 2000, maar de naam Legio suggereert dat het er meer dan 5000 waren, de omvang van een Romeins legioen. Daarvoor is een enorme kudde varkens nodig, veel groter dan in die tijd mogelijk was. Het Lucascommentaar van Fitzmyer merkt terecht op dat het verhaal ‘elements of the fantastic and the grotesque’ bevat.3
Jesaja vervuld
Dit is geen realistisch verhaal. Eerder lijkt het zo vormgegeven dat Jesaja 65,1-9 (de profetenlezing van deze zondag) erin doorschemert. Daarin spreekt de Eeuwige: ‘Al zoeken ze Mij niet, toch laat Ik me vinden… ze zitten in graven… ze eten vlees van varkens… Ze zeggen: “Blijf waar je bent, kom niet dichterbij”’ (NBV21). Hoewel het wonen in graven en de omgang met varkens tekenen van onreinheid zijn, is dat hier niet de essentie. Het gaat om het vér verwijderd zijn van een leven volgens Tora (vgl. het dieptepunt van de jongste zoon in Luc. 15,15-16, als hij varkenshoeder is). De essentie is zoals Jesaja zegt: ‘Al zoeken ze Mij niet, toch laat Ik me vinden.’ Lucas verlegt hiermee de betekenis van Jesaja wel, want Jesaja spreekt over Gods volk dat de Aanwezigheid niet beantwoordt, terwijl we bij Lucas in het land van de Gerasenen zijn, niet-joden uit het land aan de overkant, vér van Tora.
Het gaat niet om een individuele genezing, maar om de toekomst van God, hier en nu. We zien hier een (her)scheppend handelen. Het enorme aantal demonen duidt op de heersende chaos, hier beschreven als een anti-messiaanse kracht. Uit angst voor ‘de grondeloze diepte’ (Gr. abyssos, Hebr. tehom, de chaotische Tora-vreemde oersoep van voor de schepping) willen ook de demonen incarneren, is het niet in de mens, dan wel in een legioen van varkens. Maar gelijk Farao en zijn legermacht storten zij in zee. De nieuwe mens, bij zijn/haar volle verstand, krijgt de opdracht te blijven en het handelen van de Eeuwige/ Jezus (8,39) te ‘herauten’. Hiermee zien we al iets van de zending onder de niet-joden die in Handelingen wordt ingezet. En we krijgen meteen een idee van wat die zending zal inhouden: niets minder dan een nieuwe schepping.
Deze exegese is opgesteld door Ari Troost.
- John Martin Creed, The Gospel According to St. Luke, London, 1957, p. 120. ↩︎
- Ari Troost, ‘Wat weerhoudt mij?’ Deugd en mannelijkheid in Lucas 1:1-4, Handelingen 23:23–26:32 en 8:26-40’, in: Het oog op Lucas-Handelingen. Bijdragen vanuit de Lucaswerkplaats, red. N. Riemersma en B.J. Koet, ACEBT.SS 21, Amsterdam, 2024, p. 17-34. ↩︎
- Joseph Fitzmyer, The Gospel According to Luke I-IX, AB 28, New York, 1981, p. 734. ↩︎