Bij Handelingen 2,1-24‘Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar.’ Wie zijn deze ‘allen’? Zijn dit allen die in het bovenvertrek verblijf hielden (Rand. 1,13): de leerlingen, samen met de vrouwen, Maria en de broers van Jezus? Is dit de groep van ongeveer honderdtwintig mensen waarover gesproken wordt (Rand. 1,15)? Of zijn dit de elf apostelen plus Mattias, die door het lot aan hen is toegevoegd (Rand. 1,26)? Dit laat zich op deze plek niet eenduidig vaststellen. Bijzonder is wel, dat honderdtwintig een veelvoud is van twaalf!Wie het ook precies waren, plotseling zijn zij getuigen van
Het volledige Premium-artikel lezen?
Dit artikel is voor Premium-leden.
Log in en lees onbeperkt alles op Theologie.nl. Nog geen lid?
Krijg toegang tot ruim 11.500 artikelen, waaronder verdiepende vakinhoud, preekschetsen, exegeses, kindermomenten en preekvoorbeelden.
Bekijk Premium >
InloggenLid worden