Menu

Premium

Over geloof en redding

Bij Jesaja 3:25-4,6 en Marcus 5:22-43

Literair wordt het verhaal van de bloedvloeiende vrouw omringd door een kaderverhaal over Jaïrus en zijn dochter. Of omgekeerd: het verhaal over Jaïrus en zijn dochter wordt onderbroken door de episode met de bloedvloeiende vrouw. Het vertragend effect van deze onderbreking verhoogt de spanning. Terwijl Jezus zich onderhoudt met de vrouw, krijgt Jaïrus immers de boodschap dat zijn dochter overleden is.

Vanwege de hoogdringendheid van Jaïrus’ smeekbede lijkt Jezus’ vraag ‘Wie heeft Mij aangeraakt?’ tijdverspilling. Maar Marcus laat Jezus de tijd nemen en beschrijft dit zo, dat het duidelijk wordt: nee, het is niet mogelijk om de ene te redden ten koste van de andere. Het goede nieuws van bevrijding van Godswege is voor allen bestemd: volk en leiders, jong en oud, hellenistisch of traditioneel.

Twaalf jaar

Twaalf jaar lang lijdt de vrouw uit de menigte reeds aan bloedverlies, twaalf is de dochter van Jaïrus: zo lang als de ene leeft, lijdt de andere al. Het getal twaalf roept het volk Gods op, als in de twaalf stammen van Israël. Daarmee krijgt het verhaal een symbolische lading: deze twee vrouwen beelden exemplarisch het volk uit – ter vergelijking: in Jesaja 3,25-4,6 symboliseert het lot van de vrouwen van Sion zowel Gods oordeel als bevrijding. De ene vrouw is afkomstig uit de menigte, de andere hoort bij de leiders. Volgens sommige exegeten vertegenwoordigen zij bovendien de joodse en de hellenistische christenen. De dochter van de overste van de synagoge is duidelijk verbonden met de joden, het zich tot artsen wenden is hellenistische invloed (het beroep is in Griekenland, niet in Israël ontstaan) en een priesterlijk ritueel om de bloedvloeiende vrouw rein te verklaren lijkt hier overbodig, wat logisch is als zij niet joods is. Voor beide groepen betekent Jezus bevrijding; zie ook het verhaal van de Syrofenicische (Marc. 7,24-30). Sleutelwoorden zijn telkens geloof en bevrijding.

Tot Jezus doordringen

Jezus is omringd door een grote massa, als Jaïrus komt en zich voor Hem neerwerpt. Zijn dringende smeekbede geeft de tragedie weer: zijn kleine meid is aan haar einde. Het verkleinwoord ‘dochtertje’ kan hierbij op de innige band tussen vader en dochter wijzen, aangezien een twaalfjarige zowat de huwbare leeftijd heeft bereikt. Tegelijk geeft de overste van de synagoge duidelijk aan wat hij van Jezus verwacht: een handoplegging zodat zij gered wordt en leeft (5,23). Eerder heeft Jezus volgens Marcus al de demonen van bezetenen uitgedreven (1,26), een man van zijn huidziekte genezen (1,40-41), een verlamde doen opstaan (2,12) en leven gebracht in de verschrompelde hand van een man (3,5). Bij de man met de huidziekte raakt Hij daarbij de ander aan, bij de man met de verschrompelde hand verwijst Jezus naar het principe dat je op sabbat mag handelen om een leven te redden. De vraag van Jaïrus is in dit licht zeker redelijk.

Nu worstelt één vrouw zich doorheen de massa tot bij Jezus om zijn kleren aan te raken. Bloedverlies maakt haar in joodse middens sociaal en religieus tot een verschoppeling, want ze is onrein, en al wat ze aanraakt wordt ook onrein (Lev. 15,25-30). Geen wonder dat Marcus haar voorstelt als iemand die van arts naar arts gaat. Ze raakt er echter enkel haar geld en haar gezondheid kwijt. Zij hoort van Jezus en gelooft dat zij gered kan worden door zijn kleren aan te raken. Marcus schetst als het ware het omgekeerde van de besmetting door onreinheid: als al wie of wat door de onreine aangeraakt wordt onrein wordt, kan ook al wat door deze man, de heilige van God (1,24), is aangeraakt (zoals zijn kleren) bevrijdend worden. Milde ironie is dat, en ook deze visie wordt doorheen de tekst gecorrigeerd.

De bevrijdende kracht van het geloof

Niet langer stuwt de massa Jezus richting het huis van Jaïrus. Jezus keert zich immers om, in de richting van de vrouw. De aanraking heeft op beiden een tastbaar effect. De vrouw voelt in haar lijf haar genezing. Jezus voelt dat er van Hem een kracht is uitgegaan. De handeling verliest iets aan magisch karakter: niet het aanraken van de kleren, maar de kracht die van Jezus uitgaat is bevrijdend. Jezus vraagt wie zijn kleren heeft aangeraakt. De leerlingen zijn sceptisch. Eén aanraking onderscheiden in een massa die zich om Jezus verdringt? Maar hier is bevrijding gevraagd en gekregen, en dat mag zichtbaar en benoemd worden. De vrouw komt naar Hem toe en valt voor Hem neer. Haar reactie is gebruikelijk bij een goddelijk gebeuren: ontzagwekkend en vreeswekkend is Gods aanwezigheid. Marcus werkt zijn visie op bevrijding van Godswege verder uit. Deze bevrijding is een samenspel van de kracht die van Jezus uitgaat, en de kracht van het geloof van deze vrouw. Haar geloof betekent haar redding. Ze kan in vrede, en genezen, gaan. Bovendien wordt zij door Jezus als ‘dochter’ aangesproken (5,34, in de NBV niet weergegeven). Hierdoor hoort zij uitdrukkelijk bij de gemeenschap van Jezus.

Is het geloof van de vrouw bevestigd, het vertrouwen van Jaïrus wordt op de proef gesteld. Hij krijgt de boodschap dat zijn dochter gestorven is. Jezus roept hem op niet te vrezen en te blijven geloven, zelfs als dit ingaat tegen de weeklagende mensen in zijn eigen huis. Jezus drijft hen buiten, zoals hij eerder demonen uitdreef. Enkel met beide ouders en drie van zijn eigen leerlingen gaat hij de kamer binnen, doet het meisje opstaan, en vraagt hun haar eten te geven. Dit is meer dan geven wat eetbaar is: Marcus spreekt voortdurend over het Rijk Gods in beelden van brood en maaltijd. Ook hier is bevrijding niet enkel een handeling vanuit Jezus’ kracht. Blijven geloven betekent ook: het volk eten geven dat echt voedt.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken