Parabels
Bij Psalm 119,121-128 en Matteüs 13,44-52
Er gaat in Matteüs 13 een hele trits parabels aan ons voorbij. Parabels waarin wordt gezaaid, op de weg, op de rotsen, tussen de distels en op goede grond. Er is gezaaid waarbij gewas gelijk opschiet met onkruid. Er is een mosterdzaadje geplant. Vandaag vindt iemand een schat in de akker, zoekt en vindt iemand een parel van grote waarde en wordt er vis gevangen met een sleepnet. Er wordt veel gezaaid en gezwoegd in en op de aarde.
Aarde en hemel
Wanneer we spreken over de aarde, dan gaat het bijbels gesproken ook altijd over de hemel. Zoals in den beginne God hemel en aarde schiep, in één zin, in één adem, bij elkaar horend (Gen. 1,1). Spreken we over de hemel, dan dus ook altijd over de aarde. Vandaag mogen we zeggen: spreken we over de aarde, dan over de hemel. Het gaat over die verbinding. Het gaat om de vraag hoe God betrokken is op deze aarde, en mensen betrokken op die hemel. Hoe God aanwezig is op onze aarde, dat wordt ons beeldend verteld in die parabels: in het gezaaide, in de schat in de grond, in de kostbare parel. Het zijn allemaal metaforen voor zijn Woord, beeldende taal voor Tora. Zo is de hemel op de aarde betrokken. En de aarde op de hemel? Dat gebeurt daar waar dat Woord vruchtbaar wordt in ons leven. De verbinding tussen hemel en aarde is een initiatief van God, maar kan niet zonder een antwoord van de mens, die mens in wie het Woord zichtbaar wordt, gedaan, geleefd wordt. Het gezaaide, de schat in de grond, het zijn tekenen van het verbond tussen God en mensen. En de mens beantwoordt die uitnodiging door voor die schat, die parel werkelijk alles over te hebben, zoals de parabels ons vertellen.
Hier vindt de Matteüslezing aansluiting bij de strofen uit Psalm 119. De mens belijdt daarin dat hij heeft te staan in het verbond en dat hij heeft te handelen naar het Woord van God, dat de waarde van alle goud te boven gaat (Ps. 119,127).
Jezus en de farizeeën
Hoe leef je Gods Woord in deze wereld? Dat is altijd weer de vraag van mensen. Wanneer de vertaalslag van de bijbelse woorden naar het leven van mensen in het hier en nu niet plaatsvindt, dan worden het vreemde, nietszeggende woorden, woorden uit een ander tijdperk. Het is goed om hier te melden dat de hele rits parabels die we op de voorgaande zondagen hebben gelezen, het vervolg vormen op twistgesprekken van Jezus met de farizeeën. Daarbij werd Jezus bevraagd over de geoorloofdheid van aren plukken en van genezing op de sabbat. Mag dit of dat wel volgens de voorschriften van de Tora (Mat. 12,1-14)?
Het interpreteren van de woorden van de Tora en ze ‘vertalen’, ‘hertalen’ naar een bepaalde tijd, is bij uitstek de traditie van de farizeeën. Zij waren enerzijds in Jezus’ dagen de hoeders van de traditie, maar verstonden anderzijds de kunst om de oude woorden voor mensen van hun tijd invoelbaar en toepasbaar te maken. Wat dat betreft is Jezus zelf een exponent van deze traditie. Dat juist die farizeeën zo vaak optreden als tegenspelers van die rabbi uit Nazaret, zegt niet zozeer iets over hun oprechtheid: ze zijn gewoon van hetzelfde soort. Maar ze zijn als tegenspelers wel nodig voor het verhaal. We mogen hen, denk ik, beschouwen als stijlfiguur. Ze kunnen model staan voor de joodse wijze van omgaan met de Schriften, waarbij men niet uitsluitend uitgaat van één opvatting, maar waarin, gezien de vele joodse geschriften, verschillende meningen naast elkaar blijken te kunnen bestaan. Zo kunnen we ook die schriftgeleerde begrijpen die is als een huisvader die uit zijn schat oud en nieuw tevoorschijn haalt, die Jezus aan het einde noemt (13,52): die overdenkt en overweegt de traditie (oud) en vertaalt en actualiseert deze (nieuw) steeds weer voor de huidige tijd.
De scheiding van goeden en kwaden
De parabel van het sleepnet bevat een aanduiding over de scheiding tussen goeden en kwaden. Het Koninkrijk is als een sleepnet waarin goede en slechte vissen gevangen worden. Er wordt weliswaar gesproken over het wegdoen van de slechte vissen, maar dat gebeurt niet eerder dan wanneer het net vol is (13,47-50). En dat wordt gekoppeld aan het einde van de wereld, wat mensen zich daarbij ook mogen voorstellen. Maar dus niet eerder! Zoals in de parabel van het gewas dat gelijk met het onkruid opbloeit. Ook daar mochten de knechten het onkruid niet weghalen, want men zou ook weleens het goede gewas kunnen wegsnijden (13,29).
Daarmee zitten we naar mijn mening altijd op een moeilijk punt. Wie is goed en wie is kwaad? En wie ben ik om dat zomaar even te bepalen? En is het wel zinvol om deze begrippen als een soort etiket te gebruiken waarbij we de ene mens als kwaad en de ander als goed kwalificeren?
Goed en kwaad zijn geen begrippen die we zodanig kunnen lokaliseren dat ze volledig samenvallen met ofwel de ene ofwel de andere mens. Uiteindelijk zijn wij allemaal mensen met onze goede en onze minder goede kanten. Ook wijzelf moeten ruimte durven nemen om te groeien. Het Woord van God leven in onze wereld, gestalte geven aan dat Woord in onze tijd, is ook voor ons een kwestie van vallen en opstaan. Van gewas en onkruid in jezelf hebben. Het oud en nieuw uit een schat tevoorschijn halen is ook een kwestie van zelf in de spiegel kijken, ook je eigen positie, je eigen beweegredenen en je eigen bezit ter discussie durven stellen.