Menu

Premium

Preekschets 1 Petrus 2:16

1 Petrus 2:16

Misericordia Domini

Leef als vrije mensen, en verschuil u niet achter uw vrijheid om u te misdragen, maar handel als dienaren van God.

Schriftlezing: 1 Petrus 2:11-17

Het eigene van de zondag

De derde paaszondag richt de blik naar buiten, na de aanvankelijke concentratie op de opstanding van Christus. De geloofsleerlingen pakken nu als nieuwe gemeenteleden hun gewone leven weer op. Het klassieke thema voor deze zondag is dat van de goede herder. De vraag is hoe dat herderschap ingevuld wordt. De naam van de zondag is ontleend aan Psalm 33 over de barmhartigheid van de Heer.

Uitleg

Petrus gaat in 1 Petrus 2:11-12 in op de sociale situatie van de hoorders. Het gaat om hun dagelijkse houding: een praktische heiligheid en gerichtheid op God. Deze houding moet goed zijn ook ten opzichte van hen die niet geloven. Petrus is de scheiding jood versus christen te boven. De christelijke gemeenschap wordt expliciet als goed neergezet. Haar context wordt gekleurd door het feit dat er sprake is van een scherp onderscheid tussen een christelijke gelovige en een niet-christelijke gelovige. De motivatie voor het goede gedrag is eschatologisch van aard, gericht op de dag dat God zal rechtspreken. De rol van christenen in de Romeinse samenleving is aan te duiden met Romeinen 12:21: overwin het kwade door het goede. Deze strijd wordt op twee niveaus gevoerd. Allereerst intern in de christelijke gelovige tussen de natuurlijke aandrang, bijvoorbeeld gericht op de volledige acceptatie in de Romeinse samenleving, en concentratie op het nieuwe leven dat gericht is op God en diens komst in de wereld. Het tweede niveau is er door in de samenleving zelf gericht te zijn op goed gedrag.

1 Petrus 2:13-3:7 staat in de literatuur bekend als de household duty code (wederzijdse verplichtingen van leden van het huishouden; Michaels, 121). Drie relatievormen worden benoemd: vrouwen en echtgenoten, kinderen en ouders, slaven en meesters. In 1 Petrus valt de asymmetrie op: de echtgenoten en de meesters worden niet of nauwelijks tegengesproken. Petrus benadrukt verder de verplichting van de christen ten opzichte van de gemeenschap buiten: de keizer en het algemene gezag. Mogelijk geeft zijn keuze een kijkje in het gehoor van Petrus: slaven, een enkele meester, en christelijke vrouwen die gehuwd zijn met heidense mannen. Bij een confrontatie tussen de christelijke gemeenschap met de Romeinse samenleving, zoals hierboven al beschreven, is een bespreking van de verhouding tussen ouders en kinderen hier niet relevant.

De basisvraag in de voorgestelde schriftlezing is deze: hoe moeten christenen reageren op hun vijanden of op hen die valse beschuldigingen uiten? Petrus geeft drie mogelijkheden: onderwerping, eerbied en goed doen. In de verzen 16 en 17 komen twee vervolgvragen aan de orde. Ten eerste: hoe verhouden de algemene verplichtingen van christenen zich tot bijzondere plichten jegens een ander? Ten tweede: hoe verhouden zich de verplichtingen tegenover de keizer en het gezag tot hun verplichtingen jegens God? Petrus stelt dat God respectvol ontzag verdient (reverent fear; Michaels, 123). Het evangelie is daarbij een leidraad: heb je vijand lief en geef de keizer van hem toekomt.

Paradoxaal in dit verband is dat degenen aan wie men zich moet onderwerpen, net als iedereen, functioneren als schepsels binnen Gods éne schepping. Er wordt daarmee erkenning van de superieur als Gods schepsel gevraagd, ook als deze faalt, irriteert of onrechtvaardig handelt.

Het is een onoplosbare onduidelijkheid of vers 16 grammaticaal verbonden moet worden met vers 13 of vers 17; in beide verzen worden imperativa gebruikt. Wie kiest voor de eerste optie laat de mogelijkheid open voor een christen al dan niet samen te werken – de keuze moet echter wel gemaakt worden. Een mogelijke verbinding met de gebiedende wijs in vers 17 legt het accent op de houding jegens God. Duidelijk is wel dat Petrus geen sociale of politieke vrijheid beoogt, maar vrijheid van onwetendheid, duisternis en heidendom en vrijheid in Christus. Deze vrijheid is resultaat van het verlossingswerk van Christus. Voor zowel Petrus als ook Paulus is deze vrijheid een paradox. Christenen zijn vrij van alles wat hen in het verleden gevangen hield, maar tegelijkertijd zijn ze als dienaren van God verplicht tot volledige en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid. De reformator Maarten Luther heeft deze gedachte uitgewerkt in zijn publicatie Van de vrijheid van een christenmens (1520). De vrijheid is hiermee gekwalificeerd; als het gehoor deze vrijheid niet misbruikt, zullen de beschuldigingen van buitenstaanders wel stoppen.

Petrus ziet in alles de liefde als cement voor de christelijke gemeenschap intern. God verdient ontzag en alle overige gezagsdragers op zijn minst respect, alhoewel het verschil niet absoluut is. De houding ten opzichte van de keizer wordt ingekleurd door de relatie met God: de een is de motivatie voor de ander.

Enig optimisme kan Petrus niet worden ontzegd. Hij vertrouwt er zeer op dat de staat de christenen kan beschermen tegen valse beschuldigingen, juist vanwege de opbouw en het gezag van de samenleving. Ook ziet hij geen botsende loyaliteiten jegens God en de keizer. Het kan, aan de andere kant, ook voorkomen dat christenen het begrip vrijheid gaan misbruiken voor onoorbaar gedrag, omdat het immers over de vrijheid ‘in Christus’ gaat. In deze perikoop geeft Petrus duidelijk een prioriteit aan: een toewijding aan God en de christelijke gemeenschap kwalificeert en kleurt alle andere relaties die mensen hebben.

Aanwijzingen voor de prediking

De keuze voor het thema vrijheid naar aanleiding van deze perikoop ligt voor de hand. De prediker zal -uiteraard – op de hoogte zijn van het feit dat de interpretatie van vrijheid zoals Petrus deze geeft en de algemeen geldende opinie van vrijheid nog al van elkaar verschillen. Petrus kwalificeert het begrip vrijheid helder als vrijheid-in-Christus. Een algemene vrijheid die populair beschreven zou kunnen worden als ‘alles mag en kan, als het mij goeddunkt’, is hier niet aan de orde. De vrijheid-in-Christus zal dan ook alle aandacht verdienen, namelijk hoe dit uitwerkt in het alledaagse leven van vandaag.

Wie in de preek ook de paastijd mee wil laten resoneren, kan eveneens de vrijheid van Christus nog meer reliëf geven, namelijk vrijheid van de opgestane Christus. Het is de kunst om te laten zien dat wie daardoor bezield is geraakt, dit niet ongemoeid laat in het alledaagse leven. Voorbeelden zoals dat kan werken in de kerkelijke gemeente, of in tal van vrijwilligerswerk dat om niet wordt verricht, kunnen hierbij verhelderend zijn.

In de verbinding met het evangelie van de goede herder (Joh. 10) zou uitgewerkt kunnen worden hoe gelovigen de goede herder kunnen volgen. Het maakt verschil of iemand een willoos schaap is dat zonder commentaar de herder volgt, of dat er sprake is van een zeker engagement. Meestal staat het beeld van de goede herder centraal, maar de hier voorgestelde combinatie van lezingen biedt de mogelijkheid om over de schapen, respectievelijk de volgelingen van de goede herder te spreken.

Wie kiest voor een koppeling met Johannes 21 stelt de liefde centraal. Petrus wordt in het evangelie kritisch bevraagd door Jezus en krijgt de opdracht de kudde van de Heer lief te hebben. Hoe deze liefde uitwerkt en wat deze houding betekent voor het concrete leven van de gelovigen, laat dit gedeelte mooi zien.

Deze perikoop heeft een sterk ethische inslag. De relatie tussen God en de gelovige mens is bepalend voor alle andere verbanden die een mens onderhoudt. Daardoor kan een slaaf bijvoorbeeld het bij een hardvochtige meester uithouden. Dit beeld van slaaf en meester staat ver af van de belevingswereld van de hoorder. Het is niet eenvoudig om hier een continue lijn naar bijvoorbeeld de huidige werkomstandigheden van de hoorders te maken. Voor het verdragen van slechte leidinggevenden zijn andere mogelijkheden dan een inkleuring door de relatie met God. Veelal zal de praktijk zijn dat gelovigen een kunstmatige waterscheiding maken tussen hun seculiere en sacrale leven. Petrus laat zien dat dit, voor hem, niet zo werkt. Het zal een kunst zijn om in de gemeente zodanig vorm aan het totale leven te geven, dat God alle eer krijgt en de mens de ruimte om een leven in vrijheid te leven. God vraagt erom gediend te worden in het gewone, gebroken leven en niet slechts daarbuiten. Wie dat consequent probeert te vervullen, zal onherroepelijk vuile handen maken. Alleen zo kan een christen op een positieve wijze zijn geschonken christelijke vrijheid benutten, solidair met allen om hem heen.

Liturgische aanwijzingen

Wie wil aansluiten bij de thematiek van de goede herder, kan als evangelie Johannes 10:11-16 kiezen. Wie een verband wil leggen tussen de rehabilitatie van Petrus en de lezing uit de eerste Petrusbrief, is Johannes 21:15-24 aan te raden, waarbij het accent kan komen te liggen op een toekomstig leven, vrij om te leven en te zijn als dienaar van God. Bij het gedeelte uit de Petrusbrief zijn geen liederen geschreven. Psalm 31 en Gezang 485 (LvdK) zijn echter goede mogelijkheden. Om de paasvreugde in de liedkeuze tot uiting te laten komen, kan men kiezen uit Tt 9:15,16,17; 3;168; Gezang 223 en 224 (LvdK).

Johannes 21,15-24
Johannes 10,11-16
1 Petrus 2,11-17

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken