Preekschets 1 Tessalonicenzen 4:13
1 Tessalonicenzen 4:13
Jubilate
opdat gij niet bedroefd zijt…
Schriftlezing: 1 Tessalonicenzen 4:13-18
Het eigene van de zondag
Na Pasen komen vanzelf de vragen weer terug naar de omgang met dood en crisis in het dagelijks leven. Hoe verhoudt zich de vreugde van de opstanding tot het verdriet om het verlies? Dit zijn toch twee oevers die onbereikbaar zijn voor elkaar?
Liturgische aanwijzingen
LvdK Psalm 23; 65; Gezang 99.
Geraadpleegde literatuur
F.-W. Marquardt, Was dürfen wir hoffen, wenn wir hoffen dürften? Eine Eschatologie III, Gütersloh 1996, 110-144; D. Stegeman e.a., Marquardt lezen. Nederlandse theologen over het werk van Friedrich-Wilhelm Marquardt, Baarn 2003, 55-60.
Uitleg
Bij haastige lezing van deze tekst zou men denken dat nabestaanden geen verdriet hoeven te hebben, als ze maar hopen op Gods Rijk. Ik lees nog eens, nu in een eigen vertaling: ‘. niet rouwen als achterblijvers die geen hoop hebben’, maar het wordt er niet beter op. Alsof rouwen een wanhoopsdaad zou zijn waarvoor de nabestaanden zich zouden moeten schamen. Alsof de hoop op de opstanding rouw overbodig zou maken. Dat is toch een perverse gedachte. Verdriet laat zich niet uit de wereld helpen met dergelijke gedachtespinsels. We proberen het nog een keer: we willen van de tekst leren dat de zware arbeid van de rouw niet voor niets geleverd wordt. Men lette daartoe op de begrippen achterblijven en voorgaan.
Paulus brengt zijn lezers in de nabijheid van hen die achterblijven na het verlies van een geliefde. Wie in hun nabijheid komt proeft het verdriet. Het huis zelf is in de rouw. Het leven heeft alle bewegelijkheid verloren. Het is ondraaglijk. Dat houden bezoekers niet lang vol. Zij hopen dan ook maar dat het op een dag over gaat. Maar de achterblijvers hebben geen keus. Ze zijn opgesloten in dit huis en weten zich geen raad. Het ergste is de wetenschap dat het gebeuren onomkeerbaar is. Er is even iemand in je leven verschenen, er is gelachen en er is gewerkt, er is gevochten en er is gevreeën en nu is het voorgoed voorbij. De pijn van het verlies legt de waarheid bloot, dat dit leven slechts vlees en been is. Maar dan wel vlees van mijn vlees en been van mijn gebeente. Wie dit beseft, schreeuwt het uit.
Paulus houdt de lezers in de nabijheid van deze mensen vast. Wat hen overkomt is geen vreemd lot. Zij zijn geen vreemden, geen andere wezens, die nu eenmaal het ongeluk hebben gehad om achter te blijven. Het zijn letterlijk achterblijvers (vers 13). Maar hij en zijn lezers zitten midden in deze zelfde problemen. Tot twee keer toe spreekt hij over wij levenden die achterblijven (vers 15 en 17). Met deze typering wordt het probleem op noemer gebracht. Wie een naaste aan de dood verliest, blijft zelf in het leven achter. Daar heeft ieder van ons mee te maken. Men realisere zich hoe diep deze typering achterblijven insnijdt. Het woord kan heel verschillende gevoelswaarden hebben. Vol verwijt: je laat me mooi achter; nu sta ik er alleen voor! Of vol zelfverwijt: ik schaam me dat ik na jouw dood nog ben blijven leven; was ik zelf maar dood gegaan! Of ook met heimelijke of onbeschaamde triomf: nu ben ik overgebleven, nu is het mijn beurt! Of zoals Herodes na zijn moord op Johannes: ik kom nooit van je af, je blijft me bestoken! Met dit woord achterblijven wordt een scala van gevoelens uitgedrukt, die in tijden van verlies en rouw een rol spelen. En dat zijn dus niet alleen maar dierbare gevoelens. De dood speelt de levenden en de doden tegen elkaar uit. Ook dat nog. Ons hele bestaan en het bestaan van alle mensen wordt beheerst door deze pijnlijke scheiding en nog pijnlijker rivaliteit tussen de levenden en de doden.
Paulus maakt in dit verband een merkwaardige tegenbeweging. Hij laat het niet bij het oude beeld, dat wij achterblijven in het leven. Hij bevestigt dit oude beeld ook niet door op traditionele wijze te zeggen dat de doden ons voorgaan in de dood. Integendeel, hij brengt een geheel nieuw beeld in, waarbij de doden ons vóórgaan naar het nieuwe leven en waarbij wij in gemeenschap met hen meegenomen worden (vs. 15-17). Deze omkering van het perspectief maakt ons duizelig en het zal wel nooit lukken om er samenhangend over te kunnen spreken. Het komt er op aan om zicht te krijgen op een nieuwe werkelijkheid, een wereld waarin de rivaliteit tussen de doden en de levenden wordt overwonnen en waarin er tussen beiden een duurzame samenhang gesticht wordt. Dat kunnen we ons nauwelijks voorstellen. Wat wfj verleden tijd noemen, staat ineens in het licht van wat Gód verleden tijd noemt. Gods perfectum is geen verloren tijd, geen voorbije tijd, maar is de tijd van het eens en voorgoed begonnen begin. Wij zien ons verleden in het licht van Gods geheugen en dan ziet het er ineens heel anders uit. We zien dan gezichten en gebeurtenissen van vroeger die er nu voor altijd toe doen en waarvan de betekenis nooit verloren zal gaan. We zien dan de geschiedenis opnieuw in haar eenmalige en onomkeerbare richting voortgaan: eerst onze voorgangers en dan wij, in volgorde van binnenkomst op het wereldtoneel. Die geschiedenis verdwijnt nu niet in het niets, maar ze wordt binnengehaald als kostbare oogst. Door deze omkering van het perspectief valt er ook een ander licht op de zware arbeid van de rouw. Die vreselijke arbeid is niet zinloos. Het is niet schreeuwen tegen een lege hemel aan. Het is werken aan de toekomst. Maar hoe zeg je dat in een preek?
Aanwijzingen voor de prediking
Hoe bewerkt Paulus de omkering van het perspectief op de verhouding tussen de levenden en de doden? Hij denkt aan opstanding en hij denkt aan de laatste dag, maar hij blijft daarbij binnen de taal van een beeld. Er wordt een krachtig signaal gegeven! Een wereld-sjofaar veroorzaakt geluidsgolven die de wereldgeschiedenis in haar vaart stuiten. Er komt ruimte en rust voor een ontmoeting in de open lucht. De heer van de wereld verschijnt en tegelijk stromen de mensen naar hem toe. Ze bespeuren dat dit een verschijning vol leven is en daar gaan ze voor. Allen komen in beweging. Ze raken los van de plaats waar ze waren, zijn niet langer gevangen in de oude verhoudingen en worden vrij voor een nieuwe ontmoeting.
De beweging wordt in gang gezet doordat de mensen vertrouwen hebben in deze ontmoeting. Je krijgt hier de indruk dat ze werkelijk uitzien naar het gesprek met hem! Dat moet de kern van dit gebeuren zijn. Ze zien uit naar een ontmoeting waarin ze deel krijgen aan de geschiedenis van deze voorganger. Daar kunnen ze hun ervaring met de dood inbrengen in zijn ervaring en daar krijgen ze deel aan zijn leven. Tot dan toe bleven ze binnen de grenzen van hun eigen oordelen over zichzelf en anderen. Altijd en overal kwamen ze zichzelf tegen. Dat was op den duur dodelijk vermoeiend. Nu komen ze een ander tegen die werkelijk iets nieuws brengt. Nu kunnen ze vrij ademen in de lucht van het oordeel van deze waarachtige mens, die bij hen is op de wijze waarop God bij hen is. Ze zien uit naar een echt gesprek, waarin het over leven en dood gaat. Dat is de reden dat ze de laatste dag en het laatste oordeel enthousiast begroeten als de kans van hun leven!
Alle mensen verzamelen zich voor deze ontmoeting. En zo ontmoeten ze ook elkaar, de levenden en de doden. De relaties tussen hen blijken onophefbaar te zijn. Ze blijven op elkaar aangewezen. Dat betekent dan ook dat aan de orde zal komen wat recht gezet moet worden tussen beiden. Dat zal een gesprek worden. Eindelijk gerechtigheid!
Wie dit beeld van Paulus voor ogen hebben, denken anders over zichzelf in relatie tot de doden en denken anders over de doden in relatie tot zichzelf. De dood betekent niet dat de doden uitgeteld zijn en dat we ze dus na een gepaste tijd van rouw verder wel kunnen vergeten. Integendeel, ze tellen mee tot de jongste dag. En we zijn verantwoordelijk voor hen. We mogen de doden niet beschamen. Met de arbeid van de rouw zijn we bij hen in de tijd dat ze zelf geen geheugen meer hebben. Zo bewaren we de samenhang die er is en die er blijft tussen de levenden en de doden. Tot de arbeid van de rouw behoort niet alleen het bewaren van de goede herinneringen, maar ook het toelaten van de negatieve en pijnlijke herinneringen aan wat je met elkaar beleefd hebt. Tot de arbeid van de rouw hoort ook, dat we de geschiedenis steeds opnieuw vertellen en daarbij proberen te voorkomen dat we het beeld van de geschiedenis naar onze hand zetten. Rouwen is recht doen aan de doden. Dat is het werk van hen die verdriet hebben. En toch doen ze het met een zekere verwachting. Ze doen het net zo lang, totdat God tegen hen zegt dat het genoeg geweest is. Zij zullen getroost worden.