Menu

Premium

Preekschets 1 Tessalonicenzen 4:14

1 Tessalonicenzen 4:14

Tweede zondag na Pinksteren

Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en is opgestaan, moeten wij ook geloven dat God door Jezus de doden naar zich toe zal leiden, samen met Jezus zelf.

Schriftlezing: 1 Tessalonicenzen 4:13-18 (5:1-11)

Uitleg

De Eerste Brief aan de Tessalonicenzen wordt gedateerd rond het jaar 50 en is daarmee het oudste christelijk document in de bijbel. Paulus stichtte de gemeente tijdens zijn tweede reis samen met Silvanus – de Latijnse naam voor Silas – en Timoteüs. De drie predikers hadden vanaf Filippi 150 kilometer over de Via Egnatia gelopen en waren zo in Tessalonica gekomen (zie Hand. 17). Tessalonica was een belangrijke havenstad en functioneerde als een verbindingspunt tussen Rome en het oostelijk deel van het Romeinse rijk. Grollenberg wijst erop, hoe zo’n Griekse havenstad een smeltkroes was van allerlei godsdienstige stromingen. Er was veel belangstelling voor oosterse mysteriegodsdiensten, filosofieën en technieken om de toekomst te voorspellen, waarbij natuurlijk veel geld omging. Dit grote aanbod sloot aan op het ongedurig zoeken en verlangen naar zin, hoop en perspectief bij velen. Vanuit deze achtergrond wordt het korte optreden van Paulus – hij werkte slechts drie weken in Tessalonica – en de grote vreugde over de vrucht van zijn werk duidelijker (1 Tess. 1:2-10).

In 1 Tessalonicenzen 4 gaat de apostel nader in op de problemen, die er in de gemeente waren ontstaan over de toekomstverwachting. Deze woorden zijn in eerste instantie moeilijk voor ons te verstaan. Het is belangrijk daarbij te bedenken, hoe Paulus en de eerste christenen vertrouwd waren met de woorden en beelden van de apocalyptiek. De apocalyptische beelden functioneerden binnen het jodendom vooral vanaf de tijd van Alexander de Grote. Het geweld van de volken jegens Israël en de heidense leefcultuur maakte een nieuw gelovig antwoord wakker. Na de woorden van de profeten waarin de Zoon van David en de verwachting rond Jeruzalem een grote rol speelden, ontstonden er andere perspectieven. Men verwachtte een definitieve en radicale wending in de geschiedenis waarin de macht van het boze teniet zou worden gedaan. Tegelijk ontstond er meer kennis van de kosmos en werden de demonologie en engelenleer ontwikkeld en in de apocalyptische visioenen opgenomen. In de apocalyptiek zag men de nieuwe wereld pas aanbreken als de oude wereld vernietigd was. Mensen van de apocalyptiek zijn mensen van een breukgeloof. Het is duidelijk, dat in de Schrift ook andere verwachtingen voorkomen. In de tradities van de wijsheid – denk aan Jezus’ gelijkenissen van het zaad – leefde meer een groeigeloof. Ook vandaag zien we nog steeds die verschillende visies op de toekomst. Uit allerlei woorden van de apostel blijkt, hoezeer hij leefde in de apocalyptische levenssfeer en toekomstverwachting. Vele joden in Israël en in de verstrooiing kwamen bovendien in aanraking met de onreine levenswandel van de volken. Samen met de apocalyptische visioenen over Gods heilshandelen in de toekomst ontstond ook het verlangen naar een heilige geloofsgemeenschap op aarde. Ook hier gaat Paulus uitdrukkelijk op in (1 Tess. 4:1-11 en 5:4-6).

De verwachting van Gods toekomst was in de christelijke gemeente van Tessalonica blijkbaar zo vurig, dat sommigen niet meer werkten (vs. 11). De woorden ‘rustig blijven’ (vs. 11) komen ook voor in de pastorale brieven en worden daar wel vertaald met ‘geregeld leven’ (1 Tim. 2:2). Bij deze overspannen verwachting pleit de apostel voor gevoeligheid voor het gewone levensritme. Het vuur van de verwachting wordt daarmee enerzijds getemperd, anderzijds in goede banen geleid.

Blijkbaar zijn er na het optreden van de apostel ook gemeenteleden gestorven. Hiervoor wordt het mooie woord koimoumenoon (ingeslapenen) gebruikt. Deze sterfgevallen geven aanleiding tot vragen. Deze mensen hadden toch ook Jezus’ komst verwacht? Konden zij nu niet bij zijn komst zijn? Zouden zij nu verloren zijn voor Gods toekomst? Hadden ze misschien gezondigd? Paulus zegt, dat wij geloven dat God de ontslapenen zal weerbrengen. Het woord aksei kan vertaald worden met weerbrengen (NBG) of met naar zich toe leiden (NBV). Het beeld is het beeld van de herder, die verdwaalde schapen weer thuis brengt. De zin: ‘Zo geloven wij ook’ (NBV) staat niet in het Grieks, maar wordt wel geïmpliceerd. Het woordje outoos (alzo) duidt in ieder geval aan, dat er een sterk verband is tussen het opstaan van Jezus en het niet verloren gaan van de ontslapenen. Het ‘door Jezus’ wijst waarschijnlijk op de parousie. Bij de verschijning van de Heer zal God de ontslapenen met Jezus meebrengen. Paulus verwijst hiervoor naar ‘een woord van de Heer’ (vs. 15). Verwijst hij naar een woord van de aardse Jezus of van de verheerlijkte Jezus? Bolkestein kiest voor de tweede mogelijkheid, zodat de apostel zich dan beroept op een persoonlijke, profetische openbaring. Degenen die overblijven tot aan de parousie (perileipomenoi is niet achterblijven, zoals nbg vertaalt) zullen de ontslapenen in ieder geval niet voorgaan. Zij zijn niet beter af. Vers 16 is typisch apocalyptisch taalgebruik. Bij het klinken van het signaal van de aartsengel wordt de werkelijke orde duidelijk: eerst de ontslapenen, daarna de overgeblevenen. De woorden ‘weggerukt worden’, komen ook voor in 2 Korintiërs 12:2 en Openbaring 12:5. Arpazo kan ook vertaald worden met ‘gered worden’. Het is het beeld van een gered volk, dat in nauwe gemeenschap (vs. 17b) met de komende Redder zal zijn. Het gebruik van het woord ‘wolk’ duidt iets aan van het onuitsprekelijke van de nabijheid van God.

In hoofdstuk 5:1 citeert de apostel wel een woord van de aardse Jezus. Het gaat hier niet alleen om de gedachte dat het moment van de parousie niet te berekenen is, maar dat de komst van de Heer een komst is ten gerichte, waarop velen niet rekenen (zie ook Jer. 6:14). De woordparen ‘nuchter en wakker’ staan tegenover ‘slapen en dronken zijn’, net als ‘licht’ tegenover ‘duisternis’. In het licht van Gods toekomst wordt het verlangen naar een heilige, liefdevolle geloofsgemeenschap alleen maar groter.

Aanwijzingen voor de prediking

Het lijkt verstandig om het identificatiepunt voor de preek niet te kiezen in de vraag van de Tessalonicenzen. Daarmee wordt de preek thematisch te beperkt en bovendien is de vraag van de Tessalonicenzen niet zonder meer invoelbaar. De tekst geeft gelegenheid om weer een ander aspect van de persoon en het werk van de apostel te belichten. Het vurige verlangen dat hem dreef, raakt aan ons verlangen naar een wereld waar liefde en recht wonen. Het is nog steeds een spannende vraag of wij vernieuwing verwachten op de wijze van de radicale breuk of op de wijze van de groei. Overigens doet de prediker er goed aan, zich bewust te zijn van de meer chiliastisch getinte uitleg van 1 Tessalonicenzen 4. Bij deze uitleg wordt bijvoorbeeld vers 17 (het weggevoerd worden van de gemeente naar de hemel) ruimtelijk uitgelegd en binnen andere uitspraken over de toekomstverwachting ingepast. Sommige hoorders zijn met deze uitleg vertrouwd.

De preek zou kunnen beginnen met een apocalyptisch beeld. Ik denk bijvoorbeeld aan de beroemde plafondschildering van Michelangelo over het laatste oordeel in de Sixtijnse kapel in Rome. Daarin wordt de komende Rechter afgebeeld, die met opgeheven hand scheiding maakt tussen gelovigen en ongelovigen. De gelovigen maken een beweging naar Christus toe midden in de schildering. De ongelovigen worden naar beneden verdreven. Met een roeispaan worden ze in een bootje gedreven, dat naar het duister afvaart. Iemand heeft ook een vreemd vel in zijn handen, het overblijfsel van een gestorvene. Bij deze vreselijke gebeurtenissen wendt Maria het hoofd af. Aan de hand van een dergelijk voorbeeld kan de vervreemding duidelijk worden, die wij voelen bij dergelijke apocalyptische beelden. We ervaren afstand, maar we hebben ook vragen bij de uitleg daarvan.

In een volgende stap kunnen we de hoorders laten horen, hoe Paulus – maar ook lezus – waren gedrenkt in dit soort beelden over Gods toekomst. Deze ruige en vreemde beelden drukken een intens verlangen uit: het gaat uiteindelijk om het geloof in Gods trouw, die zijn plannen zal voltooien. Het Koninkrijk komt! De Heer komt zelf en Hij komt spoedig. Hij zal oordelen en de zaken in de wereld rechtzetten! Paulus leefde daaruit en dit vuur bezielde hem tijdens zijn reizen door de wereld. Ook in Tessalonica kende men dit vuur. Tegelijk moet dan duidelijk worden, dat men zich aan dit vuur ook kan branden. Enthousiasme is heerlijk, maar kan ook gevaarlijk zijn, omdat het snel kan veranderen in teleurstelling of het gewone leven kan gaan minachten. Het gewone leven van elke dag doet ér wel degelijk toe, hoezeer wij ook gericht kunnen zijn op een nieuwe wereld.

Vervolgens kan de tekst in zijn eigenheid gehoord worden. Het is bijzonder, hoe de apostel omgaat met de vraag van de Tessalonicenzen. Aan de ene kant benadrukt hij sterk, dat wat we nu hebben, er straks ook zal zijn. Wie nu geborgenheid en troost ervaart in Christus, mag dat straks ook hebben. Niemand raakt in de toekomst zoek, omdat we nu al mogen weten van zijn reddende hand. Deze hoop hebben wij voor degenen die ontslapen zijn, maar ook voor onszelf. Wij raken ook niet zoek. Het mysterie van het geloof is, dat wij een relatie hebben met Christus en dat die relatie er blijft door alles heen. Naar die werkelijkheid verwijst toch de apocalyptische taal. De bazuin zal klinken, de doden worden meegebracht en wij zullen weggerukt worden de toekomst tegemoet. Vele liederen in het Liedboek verwijzen naar dit geheimenis. Het mooie lied van André Troost: ‘Nu word je uitgedragen’ (Evangelische Liedbundel 190) kan in de preek een plaats krijgen om weer te geven, dat onze geliefden niet kwijt raken, zelfs niet in de dood.

De apostel draait het ook om. Wat .er straks zal zijn, begint nu. De preek kan besluiten met iets aan te wijzen van de liefdevolle gemeenschap die er nu al is en waar de troost en geborgenheid van de toekomst zichtbaar wordt. Wij mogen laten zien, dat we kinderen van de dag zijn.

Liturgische aanwijzingen

Te denken valt aan de Psalm 96-99; aan de Gezangen 288-300 en aan lied 190 uit de Evangelische Liedbundel.

Geraadpleegde literatuur

M.H. Bolkestein, De brieven aan de Tessalonicenzen, Nijkerk 1970; L. Grollenberg, Onverwachte Messias, Baam 1970 (p. 47 geeft een overzicht van ontstaan en betekenis van de apocalyptische literatuur).

Wellicht ook interessant

Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Een houtsnede uit 1999 van Willy van der Duyn met als titel Geen droom bakert je in windselen.
Basis

Lazarus voorbij

AI zo lang als er mensen bestaan, gaan ze ook dood. Het zou dus moeten wennen, maar dat is niet zo. En daar zijn wel wat redenen voor: onze herinnering reikt niet tot de eerste mens; voor eenieder is er altijd een eerste betreurde dode in zijn of haar leven. Daarbij is de dood geen optelsom van steeds en altijd hetzelfde. Sterft er iemand, dan nemen we afscheid van een persoon zoals er nooit eerder een geweest is, en ook nooit meer een zal zijn. Vervelend is ook dat de dood zo veel gezichten heeft. Mensen kunnen vreselijk sterven, maar ook heel mooi. Veel te jong, en ja, soms ook te laat. In verzet, maar ook in overgave. Overvallen, maar ook voorbereid. Zinloos, maar ook zinvol.

None

Preview: God. Naar een andere filosofie

We beginnen dus nu aan een boekje over denken over God, over de Naam. Goed, maar is dat nog wel nodig? Kan dat zelfs nog wel? Niet dat het taboe zou zijn, nee, merkwaardig genoeg loopt de boekenmarkt over van titels over God en godsdienst. Iedereen schrijft over God tegenwoordig. Sinds kort bestaat het prestigieuze Journal for Continental Philosophy of Religion (Brill). Dat betekent dat er in elk geval interesse wordt getoond in dat filosofische terrein. Theologen, natuurlijk, maar ook filosofen, wetenschappers, politici, kunstenaars en nog anderen kunnen er niet over zwijgen.

None

Nicea voor Nu; hoe een oude belijdenis ons vandaag kan helpen

Drie initiatiefnemers – Jelle Huismans, Margriet Westes en Arnold Smeets – hebben ervoor gezorgd dat 32 schrijvers samen 47 korte, puntige bijdragen schreven over de Geloofsbelijdenis van Nicea. Steeds namen de auteurs een paar woorden uit de belijdenis voor hun rekening, waarover zij twee à drie pagina’s schreven. Dat maakt het tot een zeer toegankelijk boek. Met dank daarvoor: ik heb het met plezier gelezen en hier en daar zinnen onderstreept en smileys of kruisjes gezet bij uitspraken die mij boeiden of juist tegenstonden.

Nieuwe boeken