Menu

Premium

Preekschets 2 Petrus 3:18 – Bediening van de Heilige Doop

2 Petrus 3:18

Wast op in de genade en in de kennis van onze Here en Heiland, Jezus Christus.

Schriftlezing: 2 Petrus 3:17-18

Het eigene van de zondag

‘Wij bidden U ook, door Hem uw lieve Zoon, dat Gij deze gedoopte kinderen met uw Heilige Geest altijd wilt regeren, opdat zij christelijk en godzalig opgevoed worden, en in de Here Jezus Christus wassen en toenemen.’ In deze zinsnede uit de dankzegging bij het klassieke gereformeerde doopformulier gaat het over groeien in Jezus Christus. Petrus eindigt zijn brief zoals hij hem is begonnen, met een oproep om te groeien. De kinderdoop mag ook het begin zijn van een groeiproces, waarbij de doopouders als toegewijde tuiniers aan de gang mogen gaan.

Liturgische aanwijzingen

Tweede lezing: Lucas 2:40-52. Liederen: LvdK Psalm 78:2; 100; Gezang 78; 158; Zingende Gezegend, 233; Evangelische Liedbundel, 280.

Geraadpleegde literatuur

M.H. Bolkestein, De brieven van Petrus en Judas(pnt), Nijkerk 1963; Anton Vögtle, Der Zweite Petrusbrief(EKK), Neukirchen 1994; Wolfgang Schrage, Die Katholischen Briefe (NTD), Göttingen 1979; P.H.R. van Houwelingen, De tweede trompet, Kampen 1988; E.L. Smelik, Overjarige postille, Den Haag 1958; W. ter Horst, Wijs me de weg!, Kampen 1995.

Bij de schetsen over 2 Petrus
De vier schetsen voor doop, belijdenis, avondmaal en bevestiging ambtsdragers komen deze keer uit de tweede Petrusbrief. Het zijn ‘ losse’ schetsen en niet bedoeld voor een serie. 2 Petrus is het jongste geschrift van de canon (begin tweede eeuw) en wordt nogal verschillend beoordeeld. Sommige commentatoren interpreteren de brief helemaal vanuit het vroeg-katholicisme en beoordelen dat als negatief. Anderen zien duidelijke lijnen vanuit de apostolische verkondiging en beoordelen de brief dus ook veel positiever. De talloze inleidingsvragen (o.a. auteurschap, relatie met de brief van Judas) laat ik grotendeels liggen. De diverse commentaren berichten daar uitvoerig over.

Het is de auteur er alles om te doen dat zijn lezers het kostbare geloof niet prijsgeven. Hij spoort hen aan de eschatologische verwachting gaande te houden en vanuit die verwachting ook heilig te leven. De dwaalleraars bestrijdt hij fel (hoofdstuk 2!). Rondom een aantal kernmomenten in het gemeente-zijn, biedt deze brief materiaal om wezenlijke thema’s aan de orde te stellen (geloofsgroei, navolging, toekomstverwachting en het leven vanuit het Woord).

Uitleg

Aan het slot van 2 Petrus ontbreken de persoonlijke groeten (net als bij de brief van Judas). Dat pleit voor de opvatting dat deze brief een herderlijk schrijven is, een rondzendbrief (zie ook de schets voor de Openbare Belijdenis).

De ondertoon van de brief is bezorgd. Dat blijkt ook aan het slot: ‘Weest op uw hoede … laat u niet meeslepen.’ In de standvastigheid van zijn lezers heeft Petrus blijkbaar niet zo’n groot vertrouwen, in de trouw van God des te meer. Niet voor niets eindigt de brief met een doxologie. Waar een tweeledige aansporing aan vooraf gaat: waken en groeien. Waakzaamheid is niet alleen geboden, maar ook mogelijk. De lezers zijn immers van tevoren gewaarschuwd (vgl. 1:12-15; 3:1).

De roeping van de gemeente is, positief geformuleerd, opwassen in de genade en kennis van Jezus Christus, onze Heer en Redder (vgl. Kol. 1:10; 1 Petr. 2:2). Auxanoo (groeien) wordt gebruikt om de groei van planten aan te duiden en ook voor de natuurlijke, biologische groei van mensen (zo bijv. in Luc. 2:40). In de brieven komt het woord met name in parenetische zin voor. Het staat in het kader van de levensheiliging. Om te voorkomen dat iemand uit zijn evenwicht raakt, moeten zijn wortels dieper groeien. Het evangelie dat gepredikt is, moet het geestelijk eigendom van iedere gelovige worden: het gaat om uw eigen standvastigheid. Geloofsgroei is nodig om tegen de dwaalleer bestand te zijn. Geloofsgroei betekent dieper inzicht in Gods genade en een rijkere kennis van Jezus Christus. Geloofsgroei betekent uiteindelijk het verdiepen van de relatie met de Here God.

Voor de groei zorgt God, het is zijn werk. Vers 18a kan zo vertaald worden: ‘Groeit op in de genade en kennis die onze Heer en Redder Jezus Christus geeft’ (Jezus Christus wordt dan als genitivus subjectivus opgevat). In zijn groet veronderstelde Petrus dat genade en kennis bij zijn lezers aanwezig waren (1:2), maar men moet daarin ook verder groeien. Zo sluiten begin en eind van de brief op elkaar aan. Voor een doorgaande groei kunnen mensen een aantal randvoorwaarden scheppen. Vandaar dat Petrus zijn lezers heeft opgeroepen om te blijven zien op het Woord (1:19) en te blijven uitzien naar de toekomst van Jezus Christus (hoofdstuk 3).

De doxologie waarmee de brief eindigt, is exclusief gericht op Jezus Christus (vgl. 2 Tim. 4:8). De eschatologische verwachting keert nog eenmaal terug. De dag der eeuwigheid is een dag die altijd duurt. De zon zal niet meer ondergaan, het licht zal nooit meer wijken (vgl. Jes. 60:19-20)!

Aanwijzingen voor de prediking

Er ligt in 2 Petrus 3:18 geen direct verband met de doop, maar meteen al aan het begin van zijn brief heeft Petrus benadrukt dat het heil van Godswege komt (1:1-4). Als onze Heer en Redder is Hij de eerste in ons leven. Hij schenkt ons genade en kennis van het heil. Het is een aspect dat bij de (kinder)doop telkens benadrukt mag worden. God is het die groeien laat wat Hij zelf in Jezus Christus heeft gezaaid. Petrus roept zijn lezers op om dit kostbare geloof niet prijs te geven. Dat is zijn zorg. Hij wil dat ze voortdurend leven bij het Woord en uitzien naar de dag van Jezus Christus. Op die manier bewerken ze hun levensgrond zó dat die vruchtbaar blijft.

Hier is een link te leggen naar de geloofsopvoeding. In een doopdienst mag daar natuurlijk de nadruk op liggen. Doopouders geven de christelijke opvoeding vaak als argument voor de beslissing hun kind te laten dopen: ‘Wij willen ons kind graag een christelijke opvoeding geven, dus daarom laten we het dopen’. Het blijft dan overigens heel belangrijk om het geschenk-karakter van de doop voorop te zetten. God spreekt het eerste woord. Het is zijn ja dat klinkt over het leven van een kind. Dat de doop wel wat dieper gaat dan de bekrachtiging van een goed voornemen van ouders, wordt lang niet altijd beseft.

Ter Horst vergelijkt in zijn prachtige boekje over opvoeding Wijs me de weg! opvoeders onder andere met tuiniers. Het is de taak van opvoeders om als toegewijde tuiniers hun kinderen liefdevol te verzorgen. Een kind dat liefdevol wordt verzorgd, weet zich geborgen. En met geborgenheid bieden begint het. Geborgenheid is een christelijk kernwoord.

‘Geborgenheid verwijst om te beginnen en om te eindigen, naar God die met zijn Liefde onvoorwaardelijk borg staat, die wil herbergen, verbergen in het donkerste uur. De opvoeders zijn ook wat dit betreft van Hem een voorbeeld, of ze dat willen of niet’ (Ter Horst, 92). Ervaring van geborgenheid is een belangrijke randvoorwaarde voor groei.

Het verhaal over de twaalfjarige Jezus in de tempel bevat twee mededelingen over Jezus’ groei biologisch en in wijsheid en genade. In Lucas 2:40 wordt ook het woord auxanoo gebruikt. Smelik schrijft naar aanleiding van deze perikoop over groei en opvoeding: ‘Bij elke groei is samenwerking van hetgeen in de kiem gegeven is en hetgeen van buiten komt. Dat is reeds zo bij de plant en het dier. Maar het is bijzonder opvallend bij de mens. Het wordt met nadruk vermeld bij het opgroeien van het kind Jezus’ (Smelik, 25). Smelik heeft het over de unieke groei die Jezus doormaakt van binnenuit: ‘Het verkeer in de dingen van zijn Vader, de opvoeding door de Heilige Geest zijn ongetwijfeld van onvergelijkelijke betekenis geweest’ (Smelik, 26). Maar in de opvoeding hebben zijn ouders Hem ook nadrukkelijk in aanraking gebracht met de traditie van Israël. Het heeft Hem gevormd, gemaakt tot wie Hij was. Het was de wereld van zijn ouders, het werd zijn wereld. Hij wist zich er thuis. Als het gaat om groeien in geloof, hoort bij een goede verzorging ook dat ouders hun kinderen vertrouwd maken met de traditie, met het geloof: door de verhalen te vertellen, door ze vertrouwd te maken met de goede leefregels van God, door ze binnen te brengen in de gemeenschap van de christelijke gemeente. Ouders zijn dan niet alleen meer toegewijde tuiniers, maar ook gidsen. Het evangelieverhaal uit Lucas 2 biedt de mogelijkheid om concreet in te gaan op het hoe en wat van de geloofsopvoeding.

Uiteindelijk gaat het in de geloofsopvoeding om toekomstperspectief. Daarom moeten ouders hun kinderen richtingsbesef bijbrengen. ‘De richting van de christelijke opvoeding van vandaag en morgen kan geen andere zijn dan die van de weg naar dat ‘Jeruzalem’. Het is de weg van Jezus Christus, die de Weg is – en de Waarheid en het Leven’ (Ter Horst, 12). Om dat perspectief is het ook Petrus te doen. Hij is bezorgd dat zijn lezers dit perspectief verliezen. Het is zijn hartstochtelijk verlangen dat ze dit perspectief vasthouden en zo steeds verder groeien in de genade en kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken