Preekschets 2 Samuël 12:7 – Derde Advent
2 Samuël 12:7
Derde adventszondag
Toen zei Natan: ‘Die man, dat bent u!’
Schriftlezing: 2 Samuël 11:27b-12:24
Het eigene van de zondag
De laatste weken van het jaar neigen we tot reflectie op onze wederwaardigheden en tot zelfonderzoek. Vandaar dat het vandaag een goede gelegenheid is om ook bij het denken over de nieuwe David vanuit de geschiedenis van de oude David bij zulk zelfonderzoek – waarbij de onderzoeker en de onderzochte samenvallen – de hulp van de profeet Natan in te roepen. U bent die man, die vrouw, dat kind, en u ontdekt het nog zelf ook!
Uitleg
Bij het verhaal van David en Batseba is het van belang te bedenken dat het niet zo zeker is dat we met een toevallige, eenmalige uitglijder van de grote koning te maken hebben. Er zijn te veel overeenkomsten en parallellen in de omgeving van het verhaal te vinden om aan een incident te denken.
David doet met Uria wat Saul met David probeerde. Vorige week hebben we de verhalen over Michal nader bekeken en gezien dat David haar kocht voor tweehonderd Filistijnse voorhuiden (terwijl de vraagprijs slechts honderd voorhuiden was). Saul vroeg die prijs met de bedoeling dat David in de strijd met de Filistijnen zou sneuvelen! Dat het koninklijk krijgsbedrijf wordt benut om privéaangelegenheden van de koning te regelen, is geen uitvinding van Davids slechte inborst, maar alle eeuwen gebruikelijk (maar daarmee niet prijzenswaardig).
Ook de rol van Batseba is niet helemaal helder. Ze mag graag in deze geschiedenis voorgesteld worden als slachtoffer van een verkrachtende koning, maar of dat helemaal zeker is, lijkt mij de vraag. Opvallend is in ieder geval dat van verweer van haar kant niet gesproken wordt. Uiteraard kan het zijn dat we moeten denken dat ze als vrouw zich nu eenmaal niet te verzetten had tegen de koning, maar een goed hoofdstuk verder zal een van Davids dochters zich – als vrouw – verzetten tegen de pogingen tot verkrachting van haar halfbroer (vgl. 2 Sam. 13:12vv.) en wordt uitdrukkelijk vermeld dat Amnon Tamar vernedert en beslaapt. Dat is wat anders dan David die zich met Batseba neerlegt. In dit perspectief is ook de vraag wat de mededeling dat Batseba net ‘van haar maandelijkse smet geheiligd is’ (2 Sam. 11:4) ons wil zeggen. Moeten we verstaan dat David in ieder geval bij zijn misdaad niet ook nog eens de boosheid beging om op een cultisch niet toegestaan moment geslachtsverkeer te hebben (alsof we een middeleeuws boeteboek voor ons hebben), of duidt de mededeling er wellicht op dat Batseba wist dat van deze seks kinderen konden komen? Hoe dan ook: de auteur laat Batseba in alle talen zwijgen, terwijl twee hoofdstukken verder Tamar in een soortgelijke situatie geenszins stilzwijgend haar lot ondergaat. Daarmee is ook dat zwijgen van Batseba een keuze van de verteller, die haar eerder medeplichtige dan slachtoffer van Davids daad maakt (maar daarmee is zijn daad nog steeds niet prijzenswaardig).
Ook Natans actie is niet zonder parallel. In de nasleep van het verhaal van de verkrachting van Tamar door Amnon is er de verbanning van Absalom die Amnon doodde om Tamar te wreken. Als David zelf Absalom niet tegemoet komt, wordt een vrouw uit Tekoa naar David gestuurd met een verhaal en een vraag, waardoor David de keus maakt voor haar, die hij in zijn eigen leven ook moet maken. Het gaat in 2 Samuël 14 iets breedsprakiger, maar het spiegeleffect is hetzelfde.
In de verdere loop van het verhaal zal de verhouding David-Absalom een opmerkelijke parallel vormen met de verhouding Saul-David. Wel, al deze uitweidingen willen maar een ding duidelijk maken: we hebben in deze geschiedenis van Natan, David en Batseba niet te maken met een incident, maar met een narratieve voorstelling van een door de profeten doorziene structuur in de onderlinge verhouding tussen mensen. En nu gaan we naar het deel dat onze precieze aandacht vraagt: Natans interventie bij David en zijn reactie.
Opvallend aan Natans verhaal is dat, waar wij aan echtbreuk en moord denken als de daden waaraan David zich schuldig gemaakt heeft, Natan met het voorbeeld van een economisch delict komt waardoor de nadruk komt te liggen op wat David zich wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het hele eerdere complot waarbij David het kind graag op Uria’s naam had laten zetten, maar dat door Uria’s ietwat overdreven rechtschapen solidariteit mislukte, lijkt verder irrelevant en over de medeplichtigheid van Joab (die zich ook nog in allerlei bochten wringt om hetwelslagen van zijn missie aan David te melden) horen we ook niets. Het zijn even zovele indicaties voor het sjabloonkarakter van het verhaal. David neemt wat hem niet toebehoort. Door het optreden van Natan oordeelt David over die daad en is hij rechter en aangeklaagde tegelijk.
Zijn vervolgreactie op Natans interventie is al even opmerkelijk. Hoewel hij van de profeet gehoord heeft dat dit (naamloze !) kind moet sterven omdat zijn gedrag koren op de molen van Gods vijanden is (de Naardense Bijbel moffelt dit wat weg, maar Martin Buber, de
Het verhaal met al zijn schematische trekken toont ons koning David, Gods gezalfde, de messias dus, als een man vol tegenspraak waarbij alle rechtlijnige schema’s over deugdzaamheid en over zonde en straf onbruikbaar blijken.
Aanwijzingen voor de prediking
Schuldgevoel is niet zelden omgekeerd evenredig aan schuld. Mensen kunnen de gruwelijkste dingen doen en onmiddellijk klaarstaan met allerlei rechtvaardigingen voor hun boze werken, terwijl anderen zich oprecht schuldig voelen omdat het uitgerekend op jouw verjaardag regent. Noch het een, noch het ander brengt een mens een stap verder, maar het is goed om deze zondag over schuld te spreken. Over schulden maken en schuld vergeven.
In de uitleg kan gewezen worden op het feit dat Natan David niet kapittelt over overspel of echtbreuk, maar over het feit dat hij genomen heeft wat hem niet toebehoort: zowel Uria’s vrouw als Uria’s leven is door David gestolen. Oftewel: wanneer je nagaat waaraan een mens schuldig is, is het goed niet op je eerste indruk af te gaan.
Daarna kun je in een tweede ronde aandacht geven aan de dubbelrol die Natan aan David opdringt: hij wordt tot rechter in zijn eigen zaak benoemd en dat ligt niet ver van wat wij gewetensonderzoek noemen. Natan houdt David een spiegel voor en het kan geen kwaad om ook zelf regelmatig in de spiegel te kijken. James Baldwin, de Amerikaanse romancier en essayist, noteert ergens dat de duivel geen horens en bokkenpoten heeft (waaraan wij hem moeiteloos zouden herkennen, zodat we hem kunnen vermijden), maar dat hij ons ’s ochtends aankijkt in de spiegel als degene die beweert het beste met ons voor te hebben! In die zin is niet iedere spiegel behulpzaam, maar zullen het anderen moeten zijn die ons niet willen paaien, maar helpen.
In een derde gang zou ik in antwoord op de vraag: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ – aandacht geven aan de verwachte Messias als de verwachte Rechter. In de rede over de laatste dingen is het de gekruisigde die het oordeel uitspreekt en weet dat wat aan de minste van mijn zusters en broeders gedaan is aan Hem gedaan is. Ook daar, in de Messias, vallen de rechter en de aangeklaagde samen.
Liturgische aanwijzingen
Met de kinderen kun je deze week het aloude verhaal van ‘spiegeltje, spiegeltje aan de wand’ ophalen, om na te denken over wat een mens van zichzelf weet.
Als we gaan zingen zou ik Gezang 88 (Lvdk) van Jean Racine (Mijn God, gewapend tot de tanden voeren twee mannen in mij strijd.’) zeker na de prediking zetten. Psalm 7 zet op eigen wijze deze thema’s ook neer.
Geraadpleegde literatuur
Baldwins werk is altijd nuttig om te lezen over ’s mensen ambiguïteit. De gedachten over de duivel vindt men her en der – over zijn vertrouwde, charmerende zijde schrijft Baldwin mooi in ‘The Devil Finds Work’, herdrukt in: James Baldwin, The Price of the Ticket – collected non-fiction 1948-1985, New York 1985, m.n. p. 630-632.