Menu

Premium

Preekschets Deuteronomium 6 – Israëlzondag

Gods gemeente(t)huis – Leren van de Joodse huisgodsdienst

‘Men moet ’s morgens opstaan met de kracht van een leeuw om zijn Schepper te dienen’. (Openingswoorden uit de Sjoelchan Aroech, samenvatting van de Joodse leer door Jozef Karo)

Volgens de Joodse traditie is het de plicht van iedere vader zijn zoon niet alleen te laten besnijden maar ook om hem Tora en een beroep te leren.

Wanneer kinderen maar een beetje kunnen praten, wordt hen het Shema aangeleerd Shema Israel, Adonai Elohenu, Adonai Echad’, Hoor Israël, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is Eén. Deze belijdenis staat aan het begin van het leven, zij zijn ook de laatste woorden die uitgesproken worden voor iemands overlijden. Zo omvatten zij het hele leven.

Elke dag wordt het Shema gereciteerd, het is een gebod (mitswa) om dit iedere morgen en iedere avond uit te spreken. Ouders leren hun kinderen het Shema als avondgebed.

Het Shema, het woord waar Deuteronomium 6:4 mee begint. Het verwijst naar de volgende Bijbelgedeelten: Deuteronomium 6:4-9, Deuteronomium 11:13-21 en Numeri 15:37-41.

Door het Shema uit te spreken staat de mens als het ware weer opnieuw aan de voet van de berg Sinaï en wordt de opdracht aanvaard de liefde van God te vertalen naar de praktijk. Het reciteren van het Shema wordt ingeleid en afgesloten met zegenspreuken en gebeden. Het Shema, het Gebed (tefilla) en de Tora lezing vormen de kern van de liturgie. Het gebed dat volgt op het Shema is een formuliergebed en wordt staande uitgesproken met aaneengesloten voeten (heet daarom ook Amida). Het zijn 19 lofprijzingen. Ook de Tora lezing wordt omgeven door lofzeggingen. Naast deze drie kernelementen van de liturgie, die teruggaan tot het begin van onze jaartelling, is er ook ruimte voor eigen inbreng en persoonlijke, spontane gebeden. Eigen inbreng en vaste structuren gaan samen. Rabbi Simon zei: ”Wees zeer nauwgezet bij het lezen van Shema en Tefilla. Maak van je gebed geen sleur, maar een bede aan God om ontferming en genade”(Avot 2:18)

Studie en gebed gelden als substituut voor de offers zoals die voorheen in de tempel in Jeruzalem werden gebracht. Studie en gebed staan aan de basis van het gehele leven van iedere gelovige Jood. Alle aspecten van het dagelijkse en religieuze leven vinden daarin hun inspiratie. Het gehele leven zowel thuis als in de synagoge is een vorm van (ere)dienst, de avoda. Iedere gelovige Jood heeft de plicht het leven in woord en daad te heiligen en uiterlijke tekenen helpen hen aan deze plicht te herinneren.

Deut. 6 begint met de opdracht om de geboden (mitswot), de verordeningen (choekkim) en de bepalingen (mishpatim) te leren en om die te doen in het land dat de HERE beloofd heeft. Het onderhouden van Gods geboden en voorschriften brengt eerbied voor God en tegelijk zal dit heilzaam zijn voor land en volk. Vs 4 begint met de woorden Shema Israël…., Hoor Israël….de HERE is Één, Hij is de enige, Hij is uniek. En omdat Hij Eén en de Enige is zullen wij Hem liefhebben met alles wat in ons is, met alle facetten van ons bestaan. Hirsch schrijft in zijn commentaar op de Tora ‘Het besef van de eenheid van de HERE doet een appèl op ons om een mens te zijn uit één stuk. Dat wij de HERE dienen met alles wat in ons is en dat wij doen wat Hij van ons vraagt en niet wat wij zelf willen.

Deze eenheid roept ons op om ons geheel aan Hem over te geven. Deze overgave brengt ons werkelijk in harmonie met onszelf’.

Jezus noemt het begin van Deuteronomium 6:4 het eerste van alle geboden (Mk 12:29). De woorden van de HERE moeten in ons hart, in het centrum van ons bestaan zijn. En de opdracht daaraan gekoppeld is om de kinderen deze woorden in te scherpen en daarover met hen in gesprek te gaan. Dit impliceert een leven lang leren en mediteren(reciteren). Deze opdracht wordt zichtbaar gemaakt in het dragen van de gebedsriemen om arm en hoofd. De opdracht hiervoor wordt afgeleid uit de Bijbelgedeelten: Exodus 13:1-10; Exodus 13:11-16; Deuteronomium 6:4-9; Deuteronomium 13:13-21. Deze Torateksten worden op stukjes perkament geschreven en in een zwartleren huisje geplaatst. Aan dit zwartleren huisje is een lange riem bevestigd die vervolgens om linkerarm – hand en middelvinger volgens vast voorschrift gewikkeld wordt. Ook voor de bevestiging op het voorhoofd gelden vaste voorschriften. Op deze wijze wordt zichtbaar gemaakt dat hoofd en hart en handen (denken en doen) van mensen onderworpen zijn aan de dienst aan God (geldt voor jongens vanaf hun 13e jaar, vanaf hun bar-mitswa). In Deuteronomium 6:9 staat beschreven dat de geboden van de HERE op de deurposten van huis en poort moeten worden geschreven. Een Joods huis is herkenbaar aan de mezoeza, een kokertje dat aan de rechterdeurpost is bevestigd. De mezoeza bevat een stukje perkament met twee bijbelgedeelten, Deuteronomium 6:4-9 en Deuteronomium 11:13-21. Deze woorden worden met de hand met onuitwisbare inkt geschreven. Op de achterzijde schrijft men Shaddai, een van de Bijbelse namen van God. Zo wordt het gebod van de HERE concreet en zichtbaar gemaakt. Het eerste gedeelte van het Shema (Deut. 6:4-9)wordt door de rabbijnen omschreven als ‘Het aanvaarden van het juk van Gods koningschap’ het tweede gedeelte van het Shema, Deuteronomium 11:13-21, wordt genoemd het ‘juk der geboden’. Het gehoorzamen aan de geboden en de liefde tot God en de medemens liggen in elkaars verlengde. Ook Jezus geeft aan dat er een samenhang bestaat tussen liefde en wet. In het Mattheüs 24:12 staat “en doordat de wetteloosheid zal toenemen zal de liefde van velen verkillen”. In Deuteronomium 11:13-21 lijkt het alsof zegen en regen alles met elkaar te maken hebben. Het land (in tegenstelling tot Egypte) is voor haar vruchtbaarheid afhankelijk van regenval. Regen wordt in Joël wel een leraar van de gerechtigheid genoemd (jorè (= regen) en tora (= onderwijzing) zijn ethymologische verwant, komen van het werkwoord jrh (ירה ). Zondigde Israël, dan viel er geen regen. In Leviticus 26:19 en Deuteronomium 28:23 wordt dat ook expliciet genoemd. Langdurige droogte impliceerde een geringe opbrengst van het land en hongersnood (zie ook het verhaal van Elia en Achab). Ook In Deuteronomium 11: 13-21 klinkt de oproep om de woorden van HERE in hart en ziel in te prenten. De woorden moeten als een teken op de hand worden gebonden en als een voorhoofdsband tussen de ogen. Het is niet alleen een persoonlijke appèl , de woorden moeten ook worden doorgegeven aan de volgende generatie door erover te spreken thuis en onderweg, in tijden van rust en te midden van de hectiek van alledag. Psalm 16:8 geeft het dit weer met de woorden “Ik stel mij de HERE voortdurend voor ogen” (vaak ook in synagoge weergegeven). Evenals in Deuteronomium 6 wordt de opdracht gegeven de woorden van God op de deurposten en op de poorten te schrijven.

Het laatste en derde gedeelte van het Shema staat in Numeri 15:37-41. Hier wordt het volk opgeroepen kwastjes (tsitsi’ot) te vervaardigen aan de hoeken van hun kleren. Deze opdracht geldt voor alle generaties. In Deuteronomium 22:12 staat beschreven dat de kwastjes bevestigd moeten worden aan de vier hoeken van het bovenkleed. Uit dit voorschrift is het dragen van de talliet, de gebedsmantel, met de kwasten aan iedere hoek van het kleed afgeleid. Deze kwastjes fungeren als reminders, ‘opdat u….aan al de geboden van de HERE denkt en die doet, zodat u niet uw eigen hart en eigen ogen zult onderzoeken…….’(Num. 15:39). De besnijdenis heiligt het lichaam, de tefillin (gebedsriemen), de handen en het hoofd, de mezoeza heiligt het huis, de tsitsi’ot de kleding. Kleding is aan de mens gegeven om de naaktheid te bedekken. In Genesis wordt verteld dat Eva haar eigen ogen volgde en dientengevolge ongehoorzaam werd aan het gebod van God. De tsitsi’ot roepen op om niet eigen hart en ogen te volgen, maar Gods geboden in herinnering te brengen en daar aan te gehoorzamen. Het dragen van een gebedsmantel (talliet) gaat terug tot ver voor onze jaartelling.

Ook Jezus heeft naar alle waarschijnlijkheid een gebedsmantel gedragen met kwastjes. In de Evangeliën wordt verhaald van een bloedvloeiende vrouw die de zoom (kanaf = vleugel, de plaats waar ook de kwastjes waren bevestigd ) van Jezus’ kleed aanraakt en geneest. De kwasten symboliseren de geboden van de HERE en worden volgens vast voorschrift in elkaar gevlochten. De knoopjes staan voor de geboden, de losse draden voor de vrijheid. De blauwe draad (techelet) moet toegevoegd worden en symboliseert de verzoening. Van deze blauwpurperen stof had David een kostbare koningsmantel. De gebedsmantel wordt tijdens het ochtendgebed omgeslagen, zo hult men zich symbolisch in de Tora. De talliet ontvangt een jongen meestal op zijn bar-mitswa. Het fungeert als een baldakijn (choeppa) waaronder hij in het huwelijk treedt. Wanneer hij sterft wordt hij omhuld in zijn talliet, alleen worden de kwasten er dan afgeknipt. In het Shema staat de liefde voor de HERE en het doorgeven van de Tora aan de kinderen centraal. Die overdracht vindt niet alleen plaats met woorden maar wordt ook zichtbaar in rituelen en symbolen. Zo worden hart en ogen blijvend herinnerd aan de geboden van de HERE om die te doen en te horen. De liturgie vindt niet uitsluitend plaats in de synagoge. Huis en synagoge wedijveren met elkaar als centrum van het Joodse leven. Synagoge en leerhuis, huiskamer en school vormen de plaatsen waar de liturgie vorm krijgt. Het leven in al zijn facetten moet geheiligd worden in alle vreugde volgens de woorden van Psalm 100 ‘Dient de HERE met blijdschap’.

Aandachtspunten voor actualiteit

– Verbinding tussen liturgie in huiselijke kring en kerkdienst
– Hoe de waarde van traditie onder de aandacht te brengen in een tijd waarin zelfontplooiing en individualisme het hoogste goed zijn?

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken