Preekschets Deuteronomium 6:24
Deuteronomium 6:24
Zevende zondag na Epifanie
Daarom gebood de Heer, onze God, ons al deze wetten na te komen en ontzag voor hem te tonen. Dan zou het ons goed gaan en zou hij ons leven sparen, zoals hij tot nu toe heeft gedaan.
Deuteronomium 6:20-25
Het eigene van de zondag
In de jaren dat Pasen laat valt, zitten er meer dan zes zondagen tussen Epifanie en het begin van de Veertigdagentijd, de zevende, achtste en negende zondag na Epifanie. Deze zondagen worden ook wel bij de paaskring gerekend, die dan als het ware wordt uitgebreid van een Veertigdagentijd naar een zeventigdagentijd (al klopt daar rekenkundig niets van). De zondagen heten dan ook wel negende, achtste en zevende zondag voor Pasen, of Septuagesima (zeventigste dag voor Pasen), Sexagesima (zestigste dag voor Pasen) en Quinquagesima (vijftigste dag voor Pasen). Zoals de Veertigdagentijd verwijst naar de veertig jaren van het volk Israël in de woestijn en de veertig dagen die Jezus in de woestijn doorbracht, verwijst de zeventigdagentijd naar de zeventig jaar die het volk in ballingschap in Babylon verbleef. De periode rondom deze zondagen is sterk verbonden met de ontijdigheid waarin het volk in de woestijn en later in ballingschap zich bevond: gevangen tussen belofte en vervulling. Het zijn zondagen waarin ruimte is voor de vraag hoe de gemeente zich moet of kan verhouden tot de wereld die haar omringt, juist tijdens die weg tussen belofte en vervulling.
Uitleg
Deuteronomium 6:20-25 vormt een klein op zichzelf staand fragment dat weliswaar in de directe context verankerd is (Deut. 6:7), maar deze niet direct nodig heeft om betekenisdragend te zijn. Hoewel het altijd aanbeveling verdient om de context in de exegese mee te nemen is dit bij voorliggend fragment niet direct noodzakelijk. Het vormt een afgerond geheel, beginnend met een vraag (vs. 20), gevolgd door een (voorgeschreven) antwoord (vs. 21-24) en afsluitend met een verzekering/bevestiging (vs. 25).
Vers 20. Dit vers grijpt losjes terug op vers 7, waar de opdracht wordt gegeven de geboden door te geven aan de kinderen, de komende generaties. Vers 20 speelt vervolgens in op een concrete situatie waarin kinderen die dit onderricht krijgen zich hardop afvragen waarom zij met al die geboden worden lastiggevallen. De formulering van de vraag: ‘Wat betekenen al die bepalingen?’ wijst erop dat het hier gaat om de vraag naar een bepaald, concreet doel en niet om een theologische verantwoording of een abstract filosofisch idee. Kort gezegd: de kinderen willen graag weten wat ze er bij te winnen of te verliezen hebben, bij die geboden.
De kinderen spreken weliswaar over ‘de Heer, onze God,’ maar refereren aan de geboden alsof deze geen betrekking hebben op henzelf: ‘…die (Hij)…u heeft voorgehouden.’ Zo wordt een afstand gecreëerd tussen God en zijn geboden. Geloof in God leidt niet automatisch tot het navolgen van zijn geboden en het uitvaardigen van geboden leidt er niet automatisch toe dat een volgende generatie zich ook voelt aangesproken. Daarmee wordt in een oogopslag duidelijk dat onderricht alleen niet voldoende is. Je kunt kinderen de geboden wel inprenten, maar daarmee maken ze die zich nog niet eigen.
Vers 21 vormt met ‘geef dan dit antwoord’ het begin van een voorgeschreven (en beproefd?) antwoord op de blijkbaar zeer reëel geachte vraag van vers 20. Vervolgens wordt de hele bevrijdingsgeschiedenis in één enkele zin samengevat.
Vers 22-23. Die samenvatting van vers 21 wordt onderstreept en bekrachtigd door een persoonlijk getuigenis: ‘met eigen ogen’. Het getuigenis zet groots in met ‘tekenen’ en ‘wonderen, groot en onheilbrengend,’ dat wil zeggen: onheilbrengend voor Egypte, de farao en zijn hele huis. Met deze tekenen en wonderen wordt ongetwijfeld verwezen naar de tien plagen en zelfs naar de doortocht door de Rietzee.
Ten opzichte van het onheil dat de Heer over Egypte bracht, wordt de redding van Israël die daarmee samenhangt heel klein gehouden als vers 23 vervolgt met: ‘en ons leidde hij weg van daar.’ De bevrijding was wel heel belangrijk, maar vormt tegelijkertijd slechts de opmaat voor wat nog moet komen: de vervulling van de belofte aan de voorvaders. En die belofte is nog niet vervuld. Het volk is weliswaar onderweg, maar alles staat nog op losse schroeven. Juist daarom is het ooggetuigenis van de macht van Heerzo belangrijk. Het is een directe, persoonlijke herinnering aan een concrete manifestatie van die macht en daarom overtuigend. Gezien de macht die Egypte had over zijn slaven (Israël) is de macht die de Heer ten toon spreidde en het onheil dat Hij de machtigen berokkende een sterk argument tegenover een nog niet vervulde (en op het eerste gezicht onwaarschijnlijke) belofte aan niet nader genoemde voorvaderen.
Vers 24.
Vers 25. Hier volgt dan de uiteindelijke conclusie. Er wordt hier noch directe beloning, noch straf verkondigd voor het al dan niet naleven van de geboden. Na het getuigenis over de macht van de Heeren de nog te vervullen belofte van het land (waarmee Hij door de bevrijding al een begin heeft gemaakt) en de geboden die Hij gaf aan het volk voor het welzijn van dat volk zelf is het uiteindelijke antwoord op de vraag dit: het zal ons ten goede gehouden worden. Tegenover deze God, die al zo veel gedaan heeft en nog meer beloofd heeft, toon je je ‘goodwill’ en vertrouwen door naar zijn geboden te leven, in afwachting van de vervulling van de belofte. Wat heeft het naleven van die geboden je te bieden? Niets. Je laat ‘voor zijn aangezicht’ zien dat zijn daden in het verleden en zijn belofte voor de toekomst je niet onberoerd laten. Het is (maar) een klein antwoord op een grote vraag, maar dat antwoord staat wel in het licht van de tekenen en wonderen die deze Heerkan doen… en vooral ook in het licht van de belofte: dat wat Hij nog zal doen.
Aanwijzingen voor de prediking
De vraag die in Deuteronomium 6:20 wordt gesteld is er een die direct in onze eigen context een rol speelt. Na eeuwen christendom en vanzelfsprekende christelijke opvoeding is geloven ineens niet meer voor de hand liggend. Kinderen van nu groeien op in een overdadige wereld waarin de macht, de kennis en de zelfredzaamheid van de mens gemeengoed lijken. Geen wonder dat ze kritische vragen stellen bij het nut, het voordeel van geloven in God! Daarnaast is er een verbinding tussen het leven in de belofte van het land, dat het volk Israël in de woestijn meemaakt, en het leven van de gemeente nu in deze wereld in afwachting van het beloofde koninkrijk van God. De tekst biedt voldoende aanknopingsmateriaal om de kern ervan te vertalen naar de situatie waarin de gemeente nu leeft en de vragen waar we nu voor komen te staan.
Het is op een gezonde manier ontnuchterend om te beseffen dat men ook in bijbelse tijden blijkbaar te maken had met kritische vragen van kinderen over het nut van geloven en het gehoorzamen van geboden. Kerken en gemeenten blijven tegenwoordig maar al te vaak hangen in geweeklaag over de ontkerkelijking. Deze tekst laat zien dat de kritische houding van de wereld nu er eigenlijk een van alle tijden is. Lastiger is het om vervolgens een goed antwoord te formuleren op de vraag. De kracht van het antwoord dat Deuteronomium 6:20-25 biedt, is tweeledig. Enerzijds is er natuurlijk het directe ooggetuigenverslag over de macht van de Heer. Anderzijds is er een eerlijk en nuchter antwoord op de vraag, waarbij niet wordt gedreigd met straf en evenmin een beloning voor goed gedrag in het vooruitzicht wordt gesteld. Je leeft volgens de geboden van de Heer omdat die geboden je goed doen, je versterken, je tot je recht laten komen. Zo zijn ze bedoeld.
Niet iedereen zal een direct ooggetuigenverslag van de macht van de Heerbij de hand hebben om de kinderen van deze tijd te overtuigen. Maar een persoonlijk getuigenis, een persoonlijk belijden overtuigt sterker dan welk prachtig en machtig verhaal ook. Kracht kan tenslotte ook in het kleine huizen. Een leven dat bewust en uit vrije wil geleefd wordt volgens de geboden heeft zijn eigen bewijskracht.
Liturgische aanwijzingen
De Iona-bundel biedt enkele goed zingbare liederen zoals lied 6 en lied 22. Lied 6 bezingt de grote daden van God in zijn schepping, lied 22 gaat over roeping en geroepen worden, over je leven inrichten naar Gods stem. Ook lied 81 en 170 uit de bundel Zingenderwijs zijn geschikt. De laatste twee zijn nieuwe teksten op bekende melodieën. Beide erkennen de onmacht die vaak gevoeld wordt bij de vragen van deze tijd en benadrukken de kracht van een klein getuigenis.
Geraadpleegde literatuur
T. Veijola, Das 5. Buch Mose. Deuteronomium, Kapitel 1, 1-16, 17