Menu

Premium

Preekschets Exodus 16:4 – Viering Heilig Avondmaal

Exodus 16:4

De Heer zei tegen Mozes: ‘Ik zal voor jullie brood uit de hemel laten regenen …’

Schriftlezing: Exodus 16:1-18

Tekstkeuze

Net als alle andere dingen is ook de avondmaalsviering in onze gemeenten veranderd. In de kerk van mijn jeugd acht herhalingen van hetzelfde ritueel: eerst wordt een lang, leerstellig formulier gelezen, dan schuift acht keer een eerbiedig zwijgende groep gemeenteleden aan een kolossale met kostbaar damast versierde tafel, brood en wijn worden op zilveren schalen en in zilveren bekers rondgedeeld. De sfeer is er een van plechtige stilte, waarbij wij als kinderen onze verveling verdreven door te kijken wie niet aanging. Nu, in de gemeente waar ik kerk: een inleiding van twee paragrafen, het eucharistisch gebed, vier rijen gemeenteleden in verschillende hoeken van de kerk. De cantorij zingt, de organist speelt. Mensen sluiten aan in de rijen en dopen hun stukje matzes in de wijn. Kinderen komen vrolijk mee om sub una – alleen met een stukje matzes – mee te vieren.

In de wereldwijde oecumene is alleen in heel kleine gemeenschappen het Avondmaal nog een echte tafelgemeenschap. Meestal wordt het Avondmaal of de eucharistie gevierd zoals bij ons, waarbij de grootste kerkgenootschappen in het protestantisme (baptisten en methodisten) ongefermenteerd druivensap gebruiken in plaats van wijn: een gebruik dat door AA-chapters is afgedwongen en door alcoholisten zeer wordt gewaardeerd.

In vergelijking met vroeger is de viering van het Avondmaal sterk gedesacraliseerd; menig verstedelijkt gemeentelid ervaart het Avondmaal vooral als een gemeenschapsversterkend en gemeenschapsvernieuwend middel. Communio met Christus’ gemeente meer dan een sacrament in de klassieke reformatorische betekenis. De tucht en het verre houden van hen die (nog) geen openbare belijdenis hebben afgelegd, wordt vervangen door een hartelijke uitnodiging aan allen die brood en wijn als door Christus gegeven, aanvaarden. (De Rooms-Katholieke en Oosters-orthodoxe kerken waar, althans in de hoogste gezagsstructuren, een andere koers wordt gevaren, laat ik hier buiten beschouwing.)

Deze schets is bedoeld voor gemeenten waar niet iedere zondag, maar enige malen per jaar het Avondmaal wordt gevierd. En dan in de vorm waarin het grootste deel van Christus’ kerk het gestalte heeft gegeven: gemeenteleden komen naar voren en ontvangen bij de avondmaalstafel of in de verschillende hoeken van het kerkgebouw brood en wijn.

Ik heb voor een eerste schriftlezing uit de tora gekozen: Exodus 16, waar verhaald wordt over het miraculeuze manna, brood uit de hemel neergedaald voor het gehele volk. En daarna voor een nieuwtestamentische lezing uit Matteüs 6, een passage uit de bergrede waarin Jezus oproept tot vertrouwen in de hemelse Vader die onze noden kent.

Uitleg

In Exodus 16 is een verteller aan het woord die materiaal uit de overlevering redigeert tot een herkenbare verkondiging van religieuze grondmotieven: het morrende en kleingelovige volk in de woestijn, de profetische figuur van Mozes als ontvanger en onvermoeibare verkondiger van Gods barmhartigheid en God zelf, die altijd klaarstaat om zijn volk van het nodige te voorzien. De geleerden (Cassuto en Craghan) zullen wel gelijk hebben dat het gaat om een eindredactie uit de tijd rond de ballingschap, waarin de vertellers een gedemoraliseerd volk bemoedigen door verwijzingen naar zijn afkomst en zijn rijke traditie. Exodus is geen geschiedenisboekje maar een verhalenbundel in de beste traditie van narratieve hermeneutiek. Weetvragen over historische betrouwbaarheid van de tekst en de precieze biologische samenstelling van manna spelen geen rol in de tekst. Als ze dat wel doen in onze gemeente, is uitleg over het karakter en de vorm van de tora op zijn plaats. We kunnen dan wijzen op het liturgische karakter van de tekst (zes dagen wel manna en kwakkels maar op de sabbat niet!). De verteller gebruikt ‘tekentaal’ en geen ‘wondertaal’. Wat er schuilgaat aan historisch feitenmateriaal is ons niet bekend: ik houd het erop dat het om ‘een wonder’ vari inventiviteit gaat. God bracht Mozes en het volk op een idee: tot op vandaag wordt rond de Sinaï manna gegeten: een hard geworden secretie van een op de tamarisk levend insect. En kwartels zijn gemakkelijk te vangen als ze uitgeput hun grote trek (tweemaal per jaar) maken. Je moet er maar opkomen! Voor de verteller-redactor een uitgelezen mogelijkheid om van zo’n vondst een dagelijks terugkerend verschijnsel te maken. Luchtig navertellen, alstublieft! Great stuff voor het leerhuis.

Dan de tekst uit het evangelie. De bergrede blijft een mysterieus collage van Jezus-woorden. Dat is ook geen wonder: de combinatie van wijsheidsspreüken (‘waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn’), poëtische stukken (zelfs Salomo in al zijn wijsheid …), felle debatten met de orthodoxie van zijn dagen (jullie hebben gehoord dat gezegd werd … maar ik.zeg jullie…), beschrijvingen van het trouwe volk als knecht des Heren (gelukkig de treurenden…) vragen om veel onderscheidingsvermogen. Ze scherpen het verlangen naar een bijbelvertaling met ruimhartige maar puntige verklaringen in de kantlijn. Het is geen schande dat wij en onze gemeenten vaak moeten zoeken naar de betekenis van die verschillende genresoorten. De discipelen begrepen het ook vaak niet (zie 12:22; 13:36; 14:26; 16:22 etc.).

Jarenlange fundamentalistische bijbeluitleg leidt nog vaak tot verwarring binnen de gemeente als zij wordt geconfronteerd met een redactionele verwerking van verschillende tekstgedeelten en narratieve vrijheden binnen de drie synoptische evangeliën. Ook de eigenaardigheden van de Aramese of Griekse taalconstructies, die de onze niet meer zijn, ontgaan ons vaak als we geen degelijk leerhuis hebben. Preken over de bergrede heeft daarom altijd een redelijk stuk uitleg en onderwijs nodig.

De hier gekozen tekst gaat niet zozeer over bezorgdheid, zoals de tussenkopjes in de nbg doen vermoeden, maar over de onmogelijkheid tegelijkertijd God en de mammon te dienen (6:24). Bonhoeffer (111): ‘Het volgen van Jezus bewijst zich daarin dat niets kan komen tussen Christus en die hem volgen, niet de wet, niet de eigen vroomheid en ook de wereld niet.’ Het ‘daarom zeg ik u’, legt de verbinding met 6:24.

‘Weest niet bezorgd’ is de antitobtekst uit de bergrede. Mammon is de ‘zorgbarende’ god van de heidenen. ‘Daarom zeg ik u, weest niet bezorgd … ’ Het werkwoord merimnao komt in deze perikoop zes keer voor. Het betekent hier zoveel als: wees niet tobberig, laatje niet beheersen door de allesoverheersende bezorgdheid om voedsel en kleding. Zorgen is prima, maar tobben is voor de heidenen!

Overigens: niet het negatieve – het tobben – overheerst maar het positieve: de tekst vraagt om volledig vertrouwen op God, die zijn volk geeft wat het nodig heeft. Het gaat dus niet om zorgeloosheid of berusting. De voorbeelden die gegeven worden, de vogels en de bloemen behoeden ons daarvoor: vogels zijn het tegendeel van zorgeloosheid, zij zijn de hele dag bezig met voedsel vinden, maar ze tobben niet. Ook bloemen zijn stoere wezens, die in hun korte bestaan hard moeten werken, maar zij vervullen hun rol in de schepping met verve. Hun ‘zorg’ is geen ‘bezorgdheid’, die hen overheerst en hen afhoudt van het zoeken, van het Koninkrijk Gods.Zij werken gewoon aan hun bestemming. Voor ons geldt de prioriteit van het zoeken van het koningschap Gods en zijn gerechtigheid. Dat levert een andere blikrichting op en een andere levensinstelling. Wie begint met het Koninkrijk ervaart verder alles als een geschenk.

De tegenoverstelling is niet bezorgd zijn = zorgeloos zijn, maar bezorgd zijn = vertrouwen hebben. Jezus pleit voor het zoeken van de gerechtigheid van het Koninkrijk eerst, dat is die unieke, eigensoortige gerechtigheid Gods die het welzijn van alle mensen zoekt, de goede en de kwaden.

In een wereld waar veel honger heerst en dat alleen als gevolg van de wijze waarop mensen met elkaar omgaan, is zorg om de gerechtigheid of zorg om het recht voor allen onze eerste prioriteit. En die zorg, die de tobberige bezorgdheid uitbant, begin met het accepteren van de andere blikrichting, van de andere prioriteit.

Onze tekst wijst ook terug naar vers 11 waar in het Onze Vader de vraag om het dagelijks brood centraal staat: ook hier gaat het erom wat wij dagelijks nodig hebben, niet tot onderwerp van onze nerveuze tobberijen te maken, maar in vol vertrouwen van de Vader te vragen.

Het doet humoristisch aan dat het woordje dat wij doorgaans met ‘dagelijks’ vertalen (epousios) maar één keer voorkomt in het NT en zowel vertaald kan worden als ‘dagelijks’, ‘voor morgen’ als ‘voldoende’. Origenes schreef zelfs dat het in de hele Griekse literatuur niet voorkwam. In de vierde eeuw vertaalde Hiëronymus epousios niet met cotidianum maar met supersubstantialem, daarmee aangevend dat Jezus zijn gemeente liet bidden voor het brood van het Rijk dat nog ten volle moet komen. Wie van een beetje risico houdt in de exegese vindt hier een mooie aanleiding tot een andere homilie! In een schitterend boekje over het Onze Vader heeft Evans die stelling ook verdedigd.

Achter al deze woorden doemt het Avondmaal op als een geheiligde ‘gewone’ maaltijd, die gevierd wordt als een herinneringsmaaltijd aan de uittocht en nu wordt tot een herinneringsmaaltijd met de Heer; een maaltijd waar de zorg voor elkaar de bezorgdheid voor onze dagelijkse benodigdheden van de eerste plaats verdringt. Het is deze betekening op verscheidene niveaus die ons leert zien en handelen.

Aan het Avondmaal krijgen wij deel aan de bevrijding van het verbondsvolk uit de slavernij en eten wij ons dagelijks brood als een teken van Gods zorg voor ons; bovenal krijgen wij deel aan de maaltijd die Jezus met zijn discipelen vierde en hen vroeg zich hem te herinneren, zo dikwijls zij brood breken en wijn uitschenken. Zo wordt iedere maaltijd, met zorg voorbereid en met zorg genoten, tot een transcendent gebeuren in ons leven; we moeten er de heiligheid van herontdekken. En die herontdekking doen we aan de tafel waar wij leren eerst het Rijk van God en zijn gerechtigheid te zoeken. Waar we dat ervaren als geschenk zullen we altijd willen delen en dus ook: strijden voor een rechtvaardige verdeling. Laten we maar eens zien of de weg daarheen ook niet leidt tot de impliciete belofte in onze tekst dat God ons dan alles wat wij nodig hebben, schenkt.

Aanwijzingen voor de prediking

Deelnemers aan het ‘geritualiseerde’ Avondmaal worden opgenomen in de geschiedenis van God met het volk, waaraan Hij zijn vreugde beleeft: het verbondsvolk en zijn geschiedenis. En bovenal aan de geschiedenis van zijn unieke Zoon, die de offersymboliek van het Pascha zelf vervult.

Het drama van beide verhalen, die van de uittocht en die van het laatste avondmaal, die van het morrende en ongehoorzame volk en die van het verraad, houdt ons bij de les: het is God zelf die subject is van de heilgeschiedenis. Noch ons ongeloof, noch ons verraad houden Hem tegen.

Het draait om Christus maar het gaat om de wereld, placht Van Ruler tegen ons te zeggen. En dat is bij de maaltijdverhalen niet anders. Het hoge eucharistische feest is de opmaat voor de dagelijkse maaltijd. Wat wij moeten en mogen leren in het gebod-belofteschema van de heilsgeschiedenis is dat wij onbezorgd maar niet zorgeloos, met zorg voor hongerige mensen binnen onze invloedssfeer, messiaanse tafelmanieren leren. Nodig eens iemand te eten!, zei Martin Luther King toen hem gevraagd werd hoe het onrecht te bestrijden. Liefst een vijand.

Liturgische aanwijzingen

Naast de in de kop genoemde lezing Exodus 16:1-8 krijgt in deze schets Matteüs 6:25-34 een plaats.

Geraadpleegde literatuur

U. Cassuto, A Commentary on the Book of Exodus, Jeruzalem 1967; J.F. Craghan, in: Internationaal Commentaar op de Bijbel, Kampen 2001; D. Bonhoeffer, Nachfolge (eerste editie 1937); C.F. Evans, Het Onze Vader, Ten Have 1998.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken