Menu

Premium

Preekschets Handelingen 5:12,18

Handelingen 5:12 en 18

Jubilate

En door de handen van de apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk. En zij sloegen de handen aan de apostelen…

Schriftlezing: Handelingen 5:12-25

Het eigene van de zondag

Deze vierde zondag van Pasen opent liturgisch gezien met Psalm 66:1 en 2, ‘Juicht voor God, gij ganse aarde. Maakt zijn lof heerlijk. Halleluja!’. De lezing uit Handelingen 5 laat zien dat de lofprijzing van het paasevangelie stuit op de weerstand van mensen. Het evangelie gaat echter zijn ongekende gang. Zie ook de opmerkingen bij de preekschets van 15 april.

Uitleg

Het leesrooster slaat het verhaal van Ananias en Saffira over (Hand. 5: 1-11). Bij de tekening van het leven van de eerste gemeente hoort echter het bewustzijn dat ook binnen de gemeente (hier in vs. 11 voor het eerst in het boek Handelingen aangeduid als ekklèsia) de ‘Geest van de Heer getrotseerd wordt’ (vs. 9).

Vers 12. Er geschieden sèmeia en terata, tekenen en wonderen. Het zijn deze aspecten van het gemeenteleven waar in het gebed (4:30) na de vrijlating van Petrus en Johannes om gevraagd werd. Nadrukkelijk wordt hierbij vermeld dat het gebeurde ‘door de handen van de apostelen’. Dat letterlijk fysiek bedoeld zijn, want de handen zijn van belang bij een genezing (zie ook 3:7; 14:3; 19:11 en 28:8, hoewel de nbv dit woord soms wel zichtbaar maakt in de vertaling, soms ook niet). In het verdere verloop van deze perikoop zal duidelijk worden (zie bij vs. 18) dat dit woord tevens als Leitmotiv in deze geschiedenis gelezen worden.

Vers 13. De bedoeling is onduidelijk: aan de ene kant is het volk ‘vol lof (megalunoo, ze maken hen groot), aan de andere kant durven de overigen zich niet bij hen aan te sluiten (van kollaoo, zich voegen bij. W. Bauer noteert ‘aanhangen’ en ‘zich hechten aan’, zoals een mens zijn God aanhangt of een man zich hecht aan zijn vrouw). Lucas gebruikt dit woord voor het aankleven van het stof aan de voeten (Luc. 10:11) en de zoon die zich voegt bij de burgers van het land (Luc. 15:15). In Handelingen keert dit woord terug in 8:29; 9:26; 10:28 en 17:34; deze teksten lijken eenduidig in deze betekenis. Oussoren kiest voor een andere optie en vertaalt met ‘Van de overigen heeft niemand hen durven hinderen’ (nb). Is deze schroom een uitwerking van de gebeurtenissen die over Ananias en Saffira worden verteld en heeft dit de anderen terughoudend gemaakt?

Vers 14-16. Deze verzen schetsen een situatie waarbij men de zieken op draagbedden (klinarion, de bedden van de rijkeren) en matrassen (krabatos, de slaapmatten van de armen) buiten op straat neerlegt in de hoop dat ‘de schaduw van Petrus op hen valt’. Lucas vertelt deze situatie in alle soberheid: hij bekritiseert deze houding niet en laat ook Petrus niet protesteren. Deze tekst lijkt verwant aan 19:12 waar men de zweetdoeken van Petrus naar de zieken toebrengt.

Vers 16. Na Jeruzalem komt nu een bredere kring in zicht in de mededeling dat ook vanuit de steden rondom Jeruzalem de mensen ‘toestromen’ (sunergoo, ze komen samen, ze gaan mee). Er is opnieuw sprake van een ‘menigte’ zoals in vers 14 sprake was van een menigte mannen en vrouwen.

Vers 17. Het beeld van 4:1 en volgende herhaalt zich. Opvallend is in de weergave van Lucas zijn inzet: ‘De hogepriester stond op’ (nb: ‘Er komt opstand van de hogepriester’). Parallel en in tegenstelling daarmee staat in vers 34 Gamaliël op en geeft het proces een kanteling ten goede. Lucas motiveert de opstand en weerstand van de hogepriester met jaloezie (zèlos). Lindijer vindt het opmerkelijk dat alleen jaloezie de drijfveer zou zijn en suggereert een mogelijk verband met het optreden van de zeloten. Hij denkt daarbij aan de vrome ijver van de zeloten, die opkomen voor het behoeden van Gods eer en van zijn heiligdom. Toch zou hier ook ‘gewoon’ sprake kunnen zijn van afgunst.

Vers 18. Het taalbeeld laat nog meer zien. Lucas heeft bepaald een voorkeur voor het woord ‘handen’. In zijn Evangelie gebruikt hij het 26 keer, in Handelingen 46 keer. De handen duiden op Gods kracht (4:30; zie ook Ex. 5:24 en 14:8), genezende handen (3:7), maar ook handen die moorden (2:23) en arresteren (4:3). In deze perikoop komt dat samen in vers 12 en in vers 18. Daarmee wordt duidelijk: je hebt handen en handen (Deurloo, 254). Lucas zet dat veelzeggend naast elkaar. In de psalmen wordt veelvuldig de hand van God bezongen; zie onder andere de Psalmen 31:6, 44:3, 104:28 en 139:10. De vertaling hoort dat taalspel door te laten klinken.

Vers 19-20. Er worden in Handelingen nog twee nachtelijke bevrijdingen vermeld: van Petrus (12:6) en van Paulus en Silas (16:25). Ook in woordgebruik sluiten de drie verhalen op elkaar aan. Er is steeds sprake van openen (anoigoo) en van naar buiten brengen (exagoo). Dit laatste wordt in 7:36 en 40 en in 13:17 ook gebruikt als uitdrukking voor de bevrijding uit Egypte. Er is bij deze bevrijding uit de gevangenis ook sprake van een exodus uit het land van de dood. De bevrijding is niet alleen maar een gang naar de rust, maar tegelijk opnieuw een weg naar de opdracht. Met het bevel om te gaan (poreuomai, imperatief: ga!) worden de leerlingen opnieuw in beweging gezet om naar de tempel te gaan en het evangelie te verkondigen. Bevrijding en opdracht zijn twee kanten van dezelfde zaak. De plaats waar de apostelen hun boodschap moeten verkondigen, is opnieuw de tempel. Het heil moet in eerste instantie aan het Joodse volk () worden verkondigd en op de plaats waar het samenkomt.

Vers 21-25. Het verhaal krijgt in deze verzen bepaald ironische trekken. Daarbij is er een parallel die deze gebeurtenis tot een waar paasverhaal maakt. De gevangenis is ‘zorgvuldig’ (asphaleia) gesloten, zo vertelt Lucas (vs. 23). Hij gebruikt dat woord slechts een keer eerder om de zorgvuldigheid van zijn beschrijving van het evangelie te onderstrepen (Luc. 1:4). Het werkwoord (asphalizoo) heeft echter een pregnante betekenis, doordat Matteüs het een plaats geeft in zijn opstandingsverhaal. Bij de beschrijving van de dodenwacht bij het graf van Jezus wordt dit werkwoord tot driemaal toe gebruikt (Mat. 27:64, 65, 66). De enige andere plaats is in de geschiedenis van de gevangenneming in Handelingen 16:24 en als zelfstandig naamwoord in onze tekst. Zoals de Opgestane niet door de zorgvuldige deuren van de dood kon worden tegengehouden, zo ook zijn volgelingen niet. Is de tijdsaanduiding hier misschien een verre echo van (de nacht van de opsluiting en het aanbreken van dag)? Dan zou het ook veelzeggend taalgebruik kunnen zijn dat Lucas zijn verhaal begint met het woord anastas, opgestaan (ook al heeft dat op dat moment betrekking op de hogepriester; vs. 17).

Aanwijzingen voor de prediking

  • Het verhaal heeft twee brandpunten en de prediker zal moeten kiezen. In de eerste plaats de vertelling over de gevangenneming. In de actualiteit zijn voorbeelden te vinden van jaloezie en fanatieke bescherming van ‘de waarheid’, zowel binnen het christendom zelf als in de verhouding van religies onderling. Het paasevangelie herhaalt zich niet alleen in de zin van ‘opstand’, maar ook in de zin van ‘weerstand’.

  • Het verhaal bemoedigt ons: de loop van het evangelie is niet te stuiten door muren en menselijke weerstand. Hier zijn drie verhalen die duidelijk maken dat ‘de loop van het evangelie niet door boeien of gevangenissen is tegen te houden’ (Lindijer, 142).

  • Het is een zich herhalend refrein van weerstand en bevrijding. Het zijn messiaanse tekenen, zonder dat daarmee het messiaanse rijk reeds is aangebroken. Hier sluiten vele chassidische verhalen bij aan en zij vormen een bron voor vele spiegelverhalen; bijvoorbeeld het verhaal ‘De weerwolf’ uit de chassidische traditie. De vraag blijft: waar en hoe houden we zicht op open deuren?

  • Tegelijk is er sprake van een andere verhaallijn: wat doen wij met onze handen? Zijn onze handen helend en zegenend, zoals Gods handen helend en zegenend zijn? Of maken onze handen de ander klein, monddood? Onze handen mogen een spiegelbeeld zijn van Gods handen. Je kunt met je handen zegenrijk werk verrichten ten gunste van de ander, maar je kunt met je handen ook de ander te gronde richten en monddood maken.

Liturgische aanwijzingen

Naast de lezing uit Handelingen gelezen worden uit Exodus 5:24 of 14:8 (de bevrijdende handen van God). De psalm voor deze zondag is Psalm 66:1, 2, 8. Tevens valt te denken aan de Psalmen 139:5 en 12, 142 en 145:1, 5. Passend is ook Gezang 227 (met name vs. 3). Uit de bundel Tussentijds past lied 175. Over onze handen zingt ‘Zegen onze handen, Heer’, Geroepen om te zingen, 240.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken