Preekschets Hebreeën 3:1
Hebreeën 3:1
‘U allen, heilige broeders en zusters, die deel hebt aan de hemelse roeping, richt uw aandacht op Jezus, de apostel en hogepriester van het geloof dat wij belijden’
Schriftlezing: Hebreeën 3:1-6
Het eigene van de zondag
Het gemeentewerk gaat altijd door, maar op (of in de nabijheid van) deze zondag vindt in veel gemeenten de start van het ‘winterwerk’ plaats. Het is de opmaat van allerlei activiteiten in en vanuit de gemeente. Het is dan passend ons door de tekst te laten bepalen bij gemeente zijn, roeping, belijdenis, geloof en doop(herinnering).
Uitleg
Het Schriftgedeelte (3:1-6) vormt de verbinding tussen de christologische uiteenzettingen van hoofdstuk 1 en 2 en de uitgebreide vermanende gedeelten van 3:7-4:13. Net als elders in het betoog dienen steekwoorden om met het voorgaande en het volgende te verbinden. ‘hogepriester’ wijst terug naar het slot van hoofdstuk 2 en ‘Mozes’ naar wat straks over de onder diens leiding reizende woestijngeneratie zal worden behandeld. Met ‘daarom’ (vs. 1; in NBV weggelaten, wel in NBG vertaling) neemt de auteur het voorafgaande als fundament voor het vervolg van zijn homilie. Hij vat dat bondig samen met behulp van woorden die aan de belijdenis van de gemeente zijn ontleend: Jezus is de apostel en hogepriester van het geloof dat wij belijden (3:1). De betrouwbaarheid van Jezus wordt vervolgens in een uitleggende midrasj over Numeri 12:7 waarin Jezus en Mozes met elkaar worden vergeleken, getekend. Het woord ‘trouw’, ‘betrouwbaar’ (pistos) is hier een kernwoord. Mozes was een getrouw dienaar in het huis van God, dat is: zijn volk, Christus is echter trouw als Zoon over dat huis.
Het hele gedeelte is in de vorm van het chiasme gegoten en toont de retorische kunde van de schrijver:
– A: de identiteit van de gemeente: heilige broeders en zusters, geroepenen (3:1a)
– B: Jezus en Mozes: beiden betrouwbaar (3:1b-2)
– C. Jezus komt grotere eer toe, want door hem bouwt God het huis (3:3-4)
– B’: Jezus en Mozes: Mozes is dienaar in, Jezus is Zoon over het huis (3:5-6a)
– A’: de identiteit van de gemeente: huis van God (3:6b)
De verzen 3 en 4 vormen het kruispunt van het chiasme. Zij zijn de scharnier van wat de auteur wil vertellen. Vers 1 en 6 omramen het gedeelte. Wij focussen op vers 1 met verrekening van het geheel.
De schrijver spreekt zijn lezers/hoorders persoonlijk aan: ‘U allen’. Toch ziet hij zichzelf ook als gemeentelid en gebruikt in vers ‘wij’. De beide namen waarmee de schrijver de gemeente aanspreekt, dragen zijn handschrift. ‘Heilige broeders (en zusters)’ (adelfoi hagioi) komt alleen hier in het Nieuwe Testament voor. Het herinnert aan hoofdstuk 2. Jezus heeft de mens die hij wilde redden met deze naam genoemd (2:11). Daarop is deze apart gezette, heilig gemaakte gemeenschap gefundeerd. In het Oude Testament wordt gezegd dat Israël Gods heilig volk is (o.a. Ex. 19:6; Lev. 19:2). Het is verkozen en afgezonderd tot dienst aan God. Zij die bij God horen, kunnen later kortweg ‘heiligen’ heten (Dan. 7:21; 1 Makk. 1:46). De gemeente van Qumran hoemt zichzelf ‘gemeente van de heiligen’ of ‘heiligen van zijn (Gods) volk’ (bijv. 1 QM 6:6). In 1 Petrus wordt de gemeente van Christus betiteld als een ‘heilig volk’ (1 Petr. 2:9).
De tweede naam die de auteur voor de gemeente gebruikt (‘deelgenoten aan de hemelse roeping’) is ook door hem gevormd, maar toont enige overeenkomst met uitdrukkingen die elders in het Nieuwe Testament voorkomen. In Filippenzen spreekt Paulus over de roeping Gods die van boven is (Fil. 3:14) en in Efeziërs over de hoop die Gods roeping wekt (Ef. 1:18). De auteur van Hebreeën vindt dat de gemeenteleden moeten beseffen, dat zij geroepenen zijn (vgl. 9:15). Als deelgenoten van Christus (3:14) participeren zij in een hemelse roeping. Het is moeilijk uit te maken of ‘hemels’ slaat op de oorsprong of op de richting van de roeping. Door de prediking van het evangelie van Jezus die aan de rechterhand van God troont, zijn ze geroepen. Tegelijk bevinden ze zich op weg naar hun eindbestemming: de eeuwige stad, het hemelse Jeruzalem (12:22). In elk geval, begin, voortzetting en einde van de pelgrimerende gemeente staan in het teken van de stem van de Roepende.
Tezamen met de hoge namen van de gemeente noemt de auteur twee ambtelijke titels van Christus. De gemeente moet Jezus, die zij belijdt als apostel en hogepriester in het oog houden (vgl. 12:2). De hoorders moeten op hem hun aandacht richten (katanoèsate). Voor de acte van het geloof gebruikt de auteur vaak woorden als ‘horen’, ‘gehoor geven’, ‘gehoorzamen’, maar meer dan eens ook visuele termen (bijv. 2:8,9; 12:2-3)). Het geloof ziet met de ‘verlichte ogen van het hart’ (Ef. 1:18). Het in vers 1 gebruikte werkwoord (katanoëoo) wordt in 10:24 gebruikt voor het opmerkzaam zijn van de gemeenteleden voor elkaar. De hoorders moeten hun blik gevestigd houden op Jezus, de apostel en hogepriester van onze belijdenis.
De titel ‘apostel’ voor Jezus komt alleen hier in het Nieuwe Testament voor. Wijst dit woord terug naar het voorgaande hoofdstuk 2, waarin over Jezus’ zending door God gesproken wordt: de Zoon is in de wereld gekomen om Gods reddingsplan uit te voeren? Maar over Jezus’ gezonden zijn wordt daar niet expliciet gesproken. Dat gebeurt wel in het evangelie van Johannes. Jezus is de Gezondene om door zijn lijden en dood de bereider van de redding van mensen te worden (2:10). In elk geval behoort de titel ‘apostel’ samen met die van ‘hogepriester’ blijkbaar tot de belijdenistraditie van de gemeente.
Met de titel ‘hogepriester’ bevinden we ons in het hart van de belijdenis. En ook in dat van de hele brief. De Zoon is de eeuwige hogepriester, die met het offer van zijn leven de reiniging van de zonden heeft voltrokken (1:3). Over de rijkdom van dit hogepriesterschap zal de auteur nog uitgebreid gaan vertellen. Christus is hogepriester voor altijd en het offer dat hij heeft gebracht – niet een offerdier, maar zichzelf – is eens en voorgoed. Door hem mogen wij altijd vrij tot God gaan om barmhartigheid en genade te vinden als we hulp nodig hebben (4:16). Hij kan ieder die door hem tot God komt volkomen redden, omdat hij voor altijd leeft en zo voor hen kan pleiten (7:25). Hij is een hogepriester die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat hij niet vervallen is tot zonde (4:15).
We mogen bij ‘belijdenis’ (homologia) denken aan een vaste formulering die de hoorders kennen. Driemaal herinnert de auteur de gemeente aan haar belijdenis (3:1; 4:14; 10:19vv.). Volgens Günther Bornkamm heeft deze belijdenis ook een bepaald Sitz im Leben, namelijk de doop. Andere uitleggers zetten haar in een breder liturgisch kader. We kunnen denken aan oorspronkelijk korte epiclesen en acclamaties van profetische, charismatische en didactische aard, die vervolgens hymnisch en liturgisch zijn ontvouwd (Michel, 174). Hoe de hier genoemde belijdenis precies geluid heeft, is moeilijk na te gaan. De schrijver doet niet anders dan zijn hoorders in herinnering roepen dat ze Jezus (bij hun doop) beleden hebben en hem nu nog belijden als apostel en hogepriester. De twee titels vullen elkaar aan. Ze ‘complement one another: Jesus is sent by the Father in order to enable humanity to have access to God’ (Ellingworth, 199).
Waarom de hoorders het oog op Jezus Christus gericht moeten houden, zet de auteur in de volgende verzen uiteen aan de hand van een vergelijking tussen Jezus en Mozes. Het kernwoord, dat beiden typeert is ‘trouw’. Beiden zijn betrouwbaar in hun roeping gebleken. Ook al gaat de auteur naar voren brengen dat Jezus hoger is dan Mozes, de waardering voor laatstgenoemde is er niet minder om. Jezus’ superioriteit gaat niet ten koste van Mozes, maar komt door hem juist nog meer in het volle licht te staan. Er is tussen hen beiden overeenkomst: ze zijn beiden trouw geweest (voor Mozes, zie Num. 12:7). Maar er is ook verschil. Jezus is zoveel groter heerlijkheid dan Mozes waardig gekeurd, als de bouwmeester hoger eer geniet dan het huis. Elk huis wordt iemand gebouwd, maar de bouwmeester van alles is God. Hij is de schepper van alles: van de wereld, van het huis van Israël (Ez. 3:17). In zijn bouwarbeid maakt hij gebruik van Jezus en van Mozes. Tussen hen bestaat echter een groot onderscheid. Als scheppingsmiddelaar is de Zoon bouwheer van de schepping (1:2-3), als hogepriester is hij de bouwmeester van Gods huis, dat is: Gods volk. Mozes is dienaar (therapoon) in Gods huis geweest, maar de Zoon is heer over dat huis. Het gaat om het ene huis, waarin Mozes getrouw werkzaam was en waarover de Zoon de betrouwbare Heer is. Tot het wonen in dit huis behoort: de vrijmoedigheid en de hoop waarin wij roemen vasthouden (zie NBG vertaling). Hiermee koppelt de auteur terug naar het begin, waarin hij de heilige, geroepen gemeente van broeders en zusters opwekt Jezus, die wij in het geloof belijden, vast in het oog te houden.
Aanwijzingen voor de prediking
Met de gekozen tekst voor de prediking richten we ons op wezen en roeping van de gemeente. Deze is direct en onlosmakelijk verbonden met haar Heer en Heiland. Geen gemeentevisie zonder het vizier gericht te houden op Jezus, de apostel en hogepriester. Het is goed om telkens weer bij de essentie van het gemeente zijn te worden bepaald. Juist in onze tijd, waarin het instituut ‘kerk’ geen hoge ogen gooit, niet weinigen de kerk verlaten en de gemeente zich meer en meer in de marge van de samenleving bevindt. Wat maakt de gemeente vitaal en aantrekkelijk? Welke relevantie heeft de kerk? Zulke vragen houden ons bezig. Identiteit en relevantie hangen nauw samen. Leiding, structuren, communicatie, activiteiten zijn alle belangrijk, maar functioneren alleen goed vanuit de primaire zaak van de identiteit. Deze staat geformuleerd in het credo, in belijdenisgeschriften, in kerkorde. Maar deze blijven dode letters, als de gemeente niet leeft wat ze belijdt. Belijden is een dynamische activiteit, die constant gevoed wordt door een levende relatie met Jezus Christus. Juist als we de moed dreigen te verliezen – een situatie waarin de gemeente van Hebreeën ook verkeerde – is het nodig dat we worden opgemonterd.
Dat doet de schrijver van deze ‘woorden van bemoediging’ (13:22) ook. Wat je om je heen ziet gebeuren, in de gemeente, in de wereld of in je eigen hart, kan je danig ontmoedigen. Dan niet met het hoofd naar beneden lopen, maar je blik richten naar boven waar Jezus troont aan Gods rechterhand. Als apostel en hogepriester blijft hij innig betrokken bij wat de gemeente doormaakt. Als Heer van het volk onderweg blijft hij bouwen. In de preek mag verteld worden wat de rijkdom van de hoge titels van Christus inhouden. Maar ook belijdenis, doop en doopherinnering, lied en gebed richten onze aandacht op zijn persoon en werk. Wat is de gemeente? De gemeente is Christus belijdende gemeenschap.
Hieruit vloeien nog meer kenmerken voort. De gemeente is een broederschap. Ze is door Christus gestichte familie, gezin van broeders en zusters. In onze tijd van individualisme en zelfredzaamheid klinkt op sociaal-maatschappelijk en politiek terrein de roep om ‘broederschap’, dat wil zeggen: om solidariteit en verbinding. We worden opgeroepen na te denken over wat ons verbindt, wat we delen, waar we vandaan komen en welke gezamenlijke lotsbestemming we hebben. Zulke stemmen herinneren aan de leuze van de Franse revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederschap, en aan het lied van Beethovens negende symfonie Ode an die Freude: ‘alle Menschen werden Brüder’. Maar de realisering van dit (Europese) ideaal heeft het in onze dagen erg moeilijk.
De aanduiding ‘broeders en zusters’ kan voor de een traditioneel, voor de ander familiaal klinken. Maar de echte bedoeling is duidelijk: de gemeente is een gemeenschap, die bij elkaar hoort door hem, die zich er niet voor schaamde ons zijn broeders en zusters te noemen (2:12). Binnen deze gemeenschap zien mensen om naar elkaar (3:12; 4:1; 10:24), houden de broederliefde (filadelfia, de onderlinge liefde) en de gastvrijheid in ere en bekommeren zich om de gevangenen (13:1-3). Over die onderlinge liefde wordt in het Nieuwe Testament meer dan eens gesproken (Rom. 12:10; 1 Tess. 9:9; 1 Petr. 1:22; 2 Petr. 1:7). Ze heeft alles te maken met de unieke eenheid van zusters en broeders in Christus.
Hier mag de prediker ook iets aangaande de relatie kerk en Israël zeggen. Wellicht richt de auteur zich tot een gemeente die voor het merendeel uit Jodenchristenen (onder wie voormalige proselieten en zogenoemde ‘godvereerders’) bestaat, maar ook christenen uit de volken bevat. Waarop het aankomt, is dat hij over één huis spreekt. Het volk van Israël en de kerk behoren beide tot dit ene huis. Want kerk en Israël horen bij Eén.
Een volgend kenmerk van de gemeente: zij is een gemeenschap van heiligen. Ze bestaat niet uit ‘heilige boontjes’, ze acteert ook nogal eens ondermaats. Maar ze is door en in Christus heilig. Apart gezet en toegewijd aan haar Heer. De doop is daar het teken en zegel van. Levend in de gemeenschap met Christus is de gemeente een gemeenschap met elkaar (zie antwoord 55 van de Heidelbergse Catechismus).
Een laatste kenmerk is dat van de roeping. De gemeente is een gemeenschap van geroepenen. Als deelgenoten van Christus hebben de gemeenteleden deel aan een hemelse roeping. Hemels, dat is dan beide: als oorsprong en als doel. Geroepen door hem die aan Gods rechterhand gezeten is, door Woord en Geest uit het donker tot Gods wonderbaar licht. En op de verhoogde Jezus gericht, op hem georiënteerd, gaan de weg hem tegemoet. Deze roeping wordt in en vanuit de gemeente in de werkelijkheid van alledag gepraktiseerd. Om hieraan enige invulling te geven mag de prediker (nog eens) vers 6 betrekken. Ik weet niet of de vertaling van NBV (‘trots en zonder schroom vasthouden aan datgene waarop wij hopen’) nu zoveel toegankelijker klinkt dan het meer letterlijke en traditionele van de NBG vertaling (‘de vrijmoedigheid en de hoop waarin wij roemen [tot het einde toe] onverwrikt vasthouden’). Maar het gaat om wat de geroepen gemeente in praktijk mag brengen. Twee dingen: met vrijmoedigheid spreken tot God in het gebed en in het alledaagse leven getuigen van de door in Christus geborgde hoop voor de wereld.
De gemeente kent een tweevoudige dynamiek: een ingaande en een uitgaande beweging. In een wereld die meer dan eens door angst, onzekerheid en gebrek aan toekomstperspectief beheerst wordt, houdt de gemeente vast aan de hoop die voor ons is weggelegd. En zij legt daarvan getuigenis af in woord en daad. Wereldlijke gemeenschappen en corporaties, die berusten op eenheid van bloed, belangen of doelstellingen, sluiten krachtens hun aard tal van mensen en levensaspecten uit. De christelijke gemeente overschrijdt al deze grenzen en betrekt in principe alle mensen in haar eigenheid. Juist ook hen die door andere gemeenschappen worden uitgesloten: ‘de schuldigen, de eenzamen, de vreemdelingen, de onbelangrijken, de gestoorden, de onmondigen. En zij heeft er in principe alle levensaspecten aan de orde te stellen, ook en juist die welke in andere gemeenschappen niet ter sprake komen: het heil, de toekomst, de zonde, de zin van leven en dood, de rechten van vreemden, verren en vijanden’ (H. Berkhof, 389). Als deelgenoten aan een hemelse roeping staat de gemeente in de wereld en werkt daar missionair.
Ideeën voor kinderen
De voorganger kan de kinderen rondom de doopvont verzamelen en daar een gesprek met hen voeren over het sacrament van de doop. Dat ligt in een doopdienst voor de hand. Maar het kan ook als doopherinnering voor de hele gemeente dienen. We houden er rekening mee, dat er ook kinderen (en gemeenteleden) zijn die niet zijn gedoopt. Des te meer reden om op pastorale wijze te vertellen waarom de doopvont voor in de kerk staat.
Liturgische aanwijzingen
Als lezing uit het Oude Testament kan Numeri 12 worden gekozen. Liederen die gaan over kerk en gemeente. Ps. 33; 133; 138; Gezang 95; 310; 312; 313; 314; 321; 341; 342 (LvdK). Bij een doopdienst: Gezang 332-345 (LvdK). Lied 280, 283, 287, 351:1, 965-976 (Liedboek). Over roeping: lied 612, 975 (Liedboek). Bij een doopdienst: Lied 346-359, 612, 778-782 (Liedboek). Het (al of niet samen) spreken of zingen van de geloofsbelijdenis zal in deze dienst zeker plaatsvinden.
Geraadpleegde en aanbevolen literatuur
-
Erich Grässer, An die Hebräer (Hebr 1-6), Zürich, Braunschweig – Neukirchen Vluyn 1990
-
P. Ellingworth, The Epistle to the Hebrews. A Commentary on the Greek Text, Grand Rapids – Carlisle 1993
-
O. Noordmans, Verzameld Werk 7. Preken, Kampen 1990, 387-391
-
H. Berkhof, Christelijk Geloof. Een inleiding tot de geloofsleer, Nijkerk 19855, 386-413
-
G. van den Brink en C. van der Kooi, Christelijke Dogmatiek. Een inleiding, Zoetermeer 2012, 517-578 (kerk, sacrament en ambt), met name: 517-534, 562-568 (over de kerk), 593-594 (over de roeping), en 647-652 (over de christelijke hoop)
-
H.C. van der Meulen, Met het oog op Jezus. De prediking van de brief aan de Hebreeën, Soest 2018