Menu

Premium

Preekschets Johannes 20:6 – Stille Zaterdag / Paaswake

Johannes 20:6

Stille Zaterdag / Paaswake

… en hij ging het graf binnen

Schriftlezing: Johannes 20:1-10

Het eigene van de zondag

Op deze dag gedenken we het nederdalen van Jezus in het dodenrijk. In de Zoon daalt God zelf neer tot in de diepste diepten van de dood. Het is een dag vol stilte, niet van leegte. De christenen zien niet alleen terug op het lijden en sterven van Jezus Christus, maar zij wachten ook op de morgen, zij hopen op de God van Israël, die ontferming en verlossing wil betonen, die wil verlossen uit de macht van het dodenrijk. In veel kerken wordt de dienst op Stille Zaterdag gevierd als een Paaswake. In de Paasnacht komt alles bijeen: een reeks oudtestamentische lezingen die leiden naar het evangelie van Pasen. Het is de nacht om de Doop te vieren, of in ieder geval te gedenken. Tenslotte wordt ook het avondmaal gevierd, al kan dit ook op de Paasmorgen gebeuren. De dienst begint in het donker; dan wordt de nieuwe paaskaars brandend binnengedragen.

Liturgische aanwijzingen

In de liturgische literatuur zijn voldoende aanwijzingen te vinden hoe de Paaswake vorm kan krijgen. De verschillende oudkerkelijke tradities hebben zeven of twaalf lezingen. Een minimum van vier is aan te raden, waarbij in ieder geval het gedeelte uit Genesis 1 en 2 en Exodus 14 niet zouden moeten ontbreken. Suggesties voor liederen passend bij de lezingen vindt men in de genoemde literatuur. Om een verbinding te maken tussen de Paaswake en de dienst op Paasmorgen kan gekozen worden voor bijvoorbeeld gezang 210 dat als slotlied in de nacht en openingslied in de morgen gezongen wordt. Hoop van alle volken lied 37, 39, 43; ZG III, 11 (coupletten 8-10), 13; IV, 19, 20; VI, 13, 84 en 85.

Uitleg

Deze drie grote dagen lezen we dit jaar met de focus op Petrus. De motivatie hiervoor is dat het belangrijk is een concentratiepunt te hebben op deze dagen, die het hart van de kerk en de gemeente vormen. Er wordt een bepaald accent gezet: Petrus is dit jaar de ankerplaats in de veelheid van bekende woorden die jaarlijks klinken. We kijken met Petrus mee, we leven met Petrus mee en Petrus houdt op sommige momenten ons een spiegel voor.

Voor de evangelist Johannes betekent de opstanding dat Jezus in een nieuwe gestalte verschijnt en aanwezig is in de geschiedenis. In zijn nieuwe gedaante wil Hij gezien worden door de leerlingen. Hij verschijnt, vertoont zich en de mensen herkennen Hem. Dit laatste gaat met moeite. De verrezen Heer moet ontdekt worden. Als Jezus ontdekt is door zijn leerlingen, door Maria van Magdala, is Hij er ook en geeft Hij concrete opdrachten en beloften.

Geen van de evangelisten geven met precisie de opstanding weer. Bij alle vier ligt het accent op het totaal nieuwe van de verschijning van Jezus. Jezus verschijnt aan de leerlingen en aan de kring van vrienden daaromheen. Jezus verschijnt als de Heer. Er is continuïteit in de zin dat Jezus bij hen komt. Maar Hij is niet meer de tastbare en aanraakbare gestalte van de reizende rabbi, de historische Jezus, die optrok door het land, samen met zijn leerlingen. Hij heeft nu de gestalte van de inspirerende Heer, de Christus van de geschiedenis. Hierin is sprake van discontinuïteit.

In de vroege kerk was sprake van twee tradities: de traditie van het lege graf en de traditie van de verschijningen. Deze tradities sluiten elkaar niet uit. In de traditie van het lege graf ligt de nadruk op de overwinning van Christus op de dood. De Heer is als eerste uit de dood verrezen. De traditie van de verschijningsverhalen legt de nadruk op de aanwezigheid van Christus in de geschiedenis.

Johannes vertelt van de mensen die het lijden en sterven van Jezus begeleid hebben. Verrassend genoeg begint het met Maria van Magdala, zij gaat naar het graf, ziet dat de steen weg is, rent terug en zij vertelt het aan Simon Petrus en de geliefde leerling. Deze zinnen worden allemaal in de tegenwoordige tijd verteld, waarmee een gevoel van nabijheid tot stand komt. Bij het horen van het evangeliegedeelte alleen al zijn we getuigen.

De beweging van Maria wordt overgenomen door Simon Petrus en de andere leerling. In het nachtelijk donker vindt een hardloopwedstrijd plaats. Welke intentie spreekt er uit deze wedren? Is er, opnieuw, sprake van een zekere rivaliteit tussen deze twee discipelen? De andere leerling is het eerst bij het graf. Deze wedstrijd heeft hij gewonnen. Vanuit de opening ziet hij de windsels liggen. Simon Petrus, als tweede bij het graf, gaat naar binnen; hij gaat het graf in. Is het maar lef dat hij dit doet? Petrus ziet van alles maar trekt nog geen conclusies. Hij schampt als het ware langs de ontdekking van het geheim van Pasen. Hij ziet wel, maar hij begrijpt de situatie nog steeds niet. Dan pas gaat de andere leerling naar binnen. Hij ziet en gelooft. Er is een duidelijke ontwikkeling van ‘ gedeeltelijk zien’ via ‘alles zien’, naar ‘zien en geloven’. Dit patroon herhaalt zich in het vervolg bij Maria.

Op grond van de gevonden linnen doeken kan er geen sprake zijn van een door onbekenden weggenomen lijk. Immers, zonder omhulling kan niemand het hebben meegenomen. De overledene heeft de doodskleren achtergelaten. Dit contrasteert met de beschrijving van Lazarus in Johannes 11:44.

Aanwijzingen voor de prediking

In deze lange nacht van waken eindigen we met het Paasevangelie. Toch lopen we niet helemaal op de zaken vooruit. We blijven, voor nu, staan bij het zien van Petrus in het donkere graf.

In de nacht gebeurt veel. Het is te overwegen om de preek een meditatief karakter te geven. Het gaat om de beweging van donker naar licht, de bevrijding die naar voren komt uit de lezingen in deze nacht der nachten.

Waarom gaat Petrus naar het graf? Waarom zo gehaast, zo vlug? Wat heeft hij daar te zoeken, na de gebeurtenissen van afgelopen vrijdag? De geliefde leerling was aanwezig op Golgota. Van Petrus hebben we na de verloocheningen niets meer vernomen.

Petrus komt sterk terug in dit verhaal. Hij wordt niet afgeschilderd als een negatieve contrastfiguur. Hij is niet veroordeeld vanwege zijn ongeloof of vanwege zijn daden anderhalve dag ervoor. Dat kan iets bemoedigends hebben: dat we steeds opnieuw mogen beginnen en telkens mogen terugkomen.

Het schouwen van Petrus roept vragen op, zeker vergeleken met het zien en onmiddellijk geloven van de andere leerling. Maria en Petrus zien in dit evangeliege- deelte van alles, maar kunnen nog geen conclusies trekken. De andere leerling wordt geschetst als een voorbeeldige gelovige. De inhoud van zijn geloof wordt door de evangelist Johannes niet onder woorden gebracht. Hij vertelt ons evenmin van een verklarend gesprek tussen deze leerling enerzijds en Maria en Petrus anderzijds. Vers 9 is daarbij vreemd. De andere leerling gelooft, maar zij hadden nog niet begrepen datJezus op grond van de Schrift uit de dood moest opstaan. Beide leerlingen hebben nog niet het juiste inzicht. Het voorlopige slot in vers 10 zouden we ook kunnen lezen als ‘Petrus en de andere leerling houden het voor gezien’. Dat Pasen juist mensen in beweging zet, mag echter aan de hand van de rennende Petrus nog eens benadrukt worden.

Kunnen we hier weer spreken van een totale Petrus? Ik ben persoonlijk geneigd dit wel te doen. Hij doet geheel mee in de discipelkring, loopt zich de benen uit het lijf en rent direct het graf in. Dan hapert het bij Petrus. Er zal tussen hem en de Heer nog iets rechtgezet moeten worden, alvorens Petrus voort kan op de weg in navolging van de verrezen Heer.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken