Menu

Premium

Preekschets Johannes 5:31-32

Johannes 5:31-32

Tweede zondag van Epifanie

Indien Ik getuig van Mijzelf, is mijn getuigenis niet waar; een ander is het, die van Mij getuigt, en Ik weet, dat het getuigenis, dat Hij van Mij aflegt, waar is.

Schriftlezing: Johannes 5:31-47

Het eigene van de zondag

De lezing is een vervolg op die van vorige week en staat daarmee in het kader van Epifanie. De tekst is overigens ook goed geschikt voor een Israël-zondag.

Liturgische aanwijzingen

Uit het Oude Testament kan men een lezing nemen waarin een van de hieronder genoemde teksten voorkomen. Uit de rubriek ‘liederen voor Epifanie’ raakt LvdK Gezang 162 met het refrein ‘Midden onder u staat Hij die gij niet kent’ een belangrijke johanneïsche snaar. Bepaalde pinksterliederen passen ook goed (zie de uitleg), zoals Gezang 237 en 241. Daarnaast zijn bijvoorbeeld Gezang 430 en 439 mogelijk.

Uitleg

In dit gedeelte komt Jezus te spreken over zijn legitimatie. Hij kan natuurlijk wel buitensporige aanspraken maken, zoals Hij in 5:19-30 deed, maar waarop kan Hij zich eigenlijk beroepen, behalve op zijn eigen woorden? Het antwoord blijkt niet ondubbelzinnig te zijn. Geen mens kan een objectieve positie innemen om Hem te beoordelen, omdat niemand vanuit de positie van God naar de aarde kan kijken. Degene die voor Jezus instaat is God en uiteindelijk niemand anders. En de enige, die echt kan weten of het klopt wat God over Hem zegt, is Jezus. We lijken dus in een gesloten cirkel te belanden en de evangelist weet dat (5:31v). Het kan toch niet anders, want Jezus is de enige die God gezien heeft (1:18). Hij is dus ook de enige, die uit kan leggen waar het Hem om begonnen is. Voor de mensen betekent dit, dat slechts zij die het snappen (=geloven) het zullen kunnen zien. En als je het niet ziet, dan blijkt daaruit dat je buiten staat.

Hoe gesloten dit ook klinkt, Johannes heeft hier een punt. In de traditie is dit vaak verwoord met de woorden ‘finitum non capax infiniti’ (wat eindig is kan wat oneindig is niet bevatten). Anders gezegd: er is voor de mens geen weg tot God dan van God uit. Slechts God kan God openbaren. Maar hoe klinkt die stem van God dan voor de hoorders? Op viervoudige wijze, zo vertelt Jezus. Hij verwijst ten eerste op het getuigenis van Johannes ‘ de Doper’ (5:33-35); ten tweede op zijn werken (5:36); ten derde op God (5:37v) en ten vierde op de Schriften, dus op Mozes (5:39, 45-47). Ik ga achtereenvolgens op deze vier punten in.

Het getuigenis van Johannes ‘ de Doper’ betrof ‘ de waarheid’, dat wil zeggen dat alles wat hij over Jezus verteld had, waarheid was (1:19-34; 3:27-30; 10:41; vgl. 14: 6). Hij was de lamp die God voor zijn gezalfde bereid had (Ps. 132:16b-17 LXX), dus door God gezonden was (1:6,31,33; 3:28). Jezus verwijt de joden echter, dat men Johannes in het verleden (zijn dood wordt door het ‘was’ in 5:35 verondersteld) slechts ‘voor een tijdje’ heeft willen zien als een messiaanse gestalte (vgl. 1:19-23; Luc. 3:15), maar dat men niet werkelijk geluisterd heeft naar zijn getuigenis. Juist dat zou hen nu kunnen helpen en ‘redden’ (vgl. 1:7v). De evangelist zet echter ook hier (net als in 1:19-34) een christologische beveiliging op de betekenis van Johannes. Zijn getuigenis blijft uiteindelijk menselijk van aard. Dus voor Jezus zelf is wat Johannes zei niet van betekenis (5:34).

Een gewichtiger bewijs voor de waarheid van Jezus’ aanspraken vormen zijn ‘werken’ (5:36). ‘Werken’ zijn allereerst de zichtbare wonderen of ‘tekenen’, zoals het genezingswonder uit 5:1-9 (vgl. 5:20). Als je zijn woorden niet gelooft, let dan op zijn werken! Deze vertellen wie Hij eigenlijk is. Deze redeneertrant vinden we vaker bij Johannes (bijv. 9:30-33; 10:25, 32). Tegelijk impliceren zijn ‘werken’ meer dan zijn ‘wonderen’. Ze slaan op zijn hele optreden van ‘leven geven’ en ‘oordelen’ (5: 21v, 26v), dus op zijn hele reddingswerk, en ze geschieden zowel in zijn daden als in zijn woorden (14:10v). Daarom kan in 5:36 ook over het ‘voltooien’ van de werken gesproken worden.

Vervolgens wordt het getuigenis van God zelf genoemd (5:37a). Dit getuigenis is niet direct toegankelijk. Slechts wie in Jezus gelooft zal het ontvangen. Wie niet gelooft, heeft ook geen toegang tot (het getuigenis van) de Vader (vgl. 1:18; 8:13v, 47; 14:9; 1 Joh 5:9v). Wat Johannes wil uitdrukken, is dat de waarheid van God in Jezus zichzelf bewijst in de ervaring van de gelovige. Men is dat later ‘het innerlijk getuigenis van de Geest’ gaan noemen.

Tot slot worden de Schriften als argument genoemd. De joden bestuderen deze, schrijft de evangelist, ‘omdat jullie menen daarin eeuwig leven te hebben’ (5:39). Dat laatste is een treffende omschrijving van het vroegrabbijnse jodendom. De oproep om de thora te bestuderen vindt men heel vaak, want thora geeft leven. Zie bijvoorbeeld in de Spreuken der Vaderen: ‘Groot is de thora, want zij verleent hun, die Hem volgen, leven in deze wereld en in de toekomstige wereld’ (Mishnah Aboth 6:7). Johannes heeft zijn tegenstanders in dit opzicht dus correct weergegeven. Hij zal zelf dergelijke uitspraken echter niet kunnen beamen, want eeuwig leven kan men slechts vinden in de Zoon (1:17; 3:16; 14:6; 17:3). Wat de Schriften echter wel doen, is van Hem getuigen. Dat is hun functie, dat is de enig overgebleven rol van Mozes. De wet was weliswaar via hem gegeven (sc. door God), maar het genadekarakter daarvan lag hierin, dat deze getuigde van het heil dat in Jezus werkelijkheid zou worden (1:17; 5:39, 46). ‘De wet doen’ (7:19) betekent voor Johannes daarom niet allerlei geboden verrichten, maar ‘in Jezus geloven’. Ook de formuleringen in de volgende verzen komen overeen met het begrip van het voegrabbijnse jodendom. Men verwachtte inderdaad dat Mozes als verdediger voor de goddelijke rechtbank zou optreden (gebaseerd op o.a. Ex. 32:11-14; Num. 14:19v; Ps. 106:23) en men kon ‘in Mozes geloven’ (bijv. Ex 14:31; 19:9). De leraar van de thora ontving ook ‘eer’ (5:44) en zijn leerlingen dienden hem in alles. Johannes interpreteert dat negatief (5:44; 12:43), maar in de zelfperceptie van de Farizeeën betekenden dergelijke eerbewijzen een hommage aan de thora aan wie de leraar zijn leven gewijd had. Jezus, zo vertelt de evangelist, zoekt een dergelijke menselijke eer niet. Zijn eer komt van de Vader (5:41; 7:18; 8:50, 54; 12:28).

Aanwijzingen voor de prediking

We komen er bij Johannes niet eenvoudig vanaf. Hij behandelt met welk recht Jezus zulke hoge claims over zichzelf kan hebben. De evangelist diept het onderwerp in de vorm van een redevoering van Jezus grondig uit. We zijn hier in andere sferen dan in de synoptische evangeliën. Het is niet een beschrijving van een historische discussie ergens in Jeruzalem, maar de neerslag van verwijten die christenen later in de eerste eeuw hebben gekregen. Zij hemelden Jezus zo ver op, dat Hij bovenmenselijk werd. Met welk recht mochten ze dat doen? Het is duidelijk dat zij zich hiervoor op de zelfopenbaring van Jezus beriepen. We kunnen het scherper zeggen: op de zelfopenbaring van Jezus, zoals deze zich na Pasen door de Geest nader had geopenbaard. De hoge gedachten, waarbij men Jezus heel dicht op God legde, heeft men ervaren als een inzicht dat men van de Geest zelf had ontvangen en dus niet als iets wat men eigenmachtig had verzonnen (vgl. 14:15-21,26; 16: 12-15). Het valt te begrijpen dat men de waarheid hiervan niet kon laten beoordelen door buitenstaanders. Tegelijk levert het wel een stevig probleem op, want hoe valt voor ons te beslissen of men een juiste weg is ingeslagen?

Elke prediker zal zich dus moeten bezinnen op het goed recht van de overgeleverde christologie. Het lijkt me dat het probleem als probleem ook best aan de gemeente uitgelegd kan worden. We zullen dan tussen de Scylla en de Charybdis moeten koersen van enerzijds een automatische instemming met de evangelist en anderzijds van een vlot verwijt van willekeur aan de schrijver. De vraag is op grond van welke argumenten we bepaalde uitspraken over de status van Jezus kunnen doen. En de grens is, dat we erop bedacht moeten zijn dat geen enkel argument een buitenstaander zal kunnen overtuigen.

In onze tijd kunnen we niet meer spreken zoals Johannes dat deed. Hij kon er nog vanuit gaan dat er een bepaald gezamenlijk terrein was. Velen hadden de stem van Johannes de Doper als een stem van Godswege gehoord. Anderen ervaarden wonderen als legitimaties. De Schriften spraken Gods woord. En in zijn milieu was het voorstelbaar dat God zelf ook sprak. Al deze vooronderstellingen zijn dubieus geworden of verdwenen.

Vreemd genoeg is de meest geschikte weg daarom die van de gesloten cirkel. In de ervaring van de gelovigen zal wel blfjken wat van Godswege is. We kunnen slechts de subjectieve weg gaan om bij de waarheid te komen. Je zult als prediker dus eerst bij jezelf te rade moeten gaan: wat is het geweest dat mij overtuigd heeft van de waarheid en betekenis van Jezus? Wat betekent Hij in feite voor mij? De meest persoonlijke benadering wordt de meest algemene. Het gaat om de betekenis die Jezus voor onze eigen existentie heeft en waarin Hij ons op een of andere wijze dus gegrepen en overtuigd heeft. Een louter objectiverende prediking mist de kern. Het gaat er dus niet om wat wij ‘ dienen te geloven’, maar om de werking van Gods Geest in onze eigen levens: waar geeft God ons leven? En vervolgens zijn het de Schriften die ons kunnen begeleiden in de nadere uitleg van onze zelfervaring.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken