Menu

Premium

Preekschets Jona 1:9 – Openbare belijdenis van het geloof

Jona 1:9

Ik ben een Hebreeër en ik vereer de heer, de God van de hemel, de God die de zee en het land gemaakt heeft.

Schriftlezing: Jona 1

Het eigene van de zondag

Voor vele generaties vormde het doen van belijdenis de vanzelfsprekende afsluiting van de jaren van catechese. Deze vanzelfsprekendheid is in veel gemeenten verdwenen – evenals de catechese zelf vaak naar opzet en aantal deelnemers is veranderd, – of soms zelfs verdwenen. Hoe men deze ontwikkeling ook beoordeelt, zeker is dat de keuze om belijdenis te doen vandaag de dag veel meer dan voorheen een bewuste en weloverwogen keuze is. Gechargeerd gesteld: vroeger moest je verantwoorden waarom je géén belijdenis deed; tegenwoordig is de vraag omgekeerd. Het persoonlijke antwoord op die vraag kan in de dienst meeklinken in een zelf of gezamenlijk opgestelde tekst.

Het Nederlandse woord ‘belijden’ betekent koudweg: mededelen, verklaren. Zo begrepen kan de misvatting ontstaan dat je ten overstaan van de gemeente een ‘ja-woord’ uitspreekt waarna je toegelaten wordt. Het zicht op het wederkerige aspect ontbreekt dan: wie iemand aanneemt (in sommige kringen is daarom sprake van ‘aannemelingen’), moet zelf immers ook ruimte scheppen voor de toetreder. Ook de gemeente geeft antwoord: ‘Ja, wij aanvaarden u met vreugde in onze gemeenschap, waarin wij ons allen telkens weer aangenomen mogen weten door God.’ Zo biedt een belijdenisdienst kansen om je als geloofsgemeenschap te bezinnen op dezelfde vraag waarover met de kandidaten indringend is gesproken en die ook voor Jona klonk: wat geloof je?

Uitleg

Hoewel Jona een plaats heeft onder de twaalf zogenoemde kleine profeten, is dit niet het boek van, maar óver een profeet. Althans, als de identificatie met de profeet Jona ten tijde van koning Jerobeam ii terecht is (2 Kon. 14:25). De datering wordt op grond van het gebruikte Aramees en het feit dat Jezus Sirach bekend was met dit boek gesteld tussen de vijfde en derde eeuw voor Christus.

Geen directe profetie dus. Maar hoe dan dit prachtige verhaal, dat ook buiten synagoge en gemeente zo vermaard is geworden, te verstaan? Als satire, novelle, biopic? Ik kies ervoor Jona als parabel te lezen: een voor de hoorders herkenbare, maar niet-feitelijke, niet-historische situatie wordt gebruikt om een overtuiging krachtig en het-geloven-waard neer te zetten: met concrete beelden uit het dagelijks leven (zeevaart, storm), maar ook met overdrijving als stijlmiddel (Ninevé is bij Jona groter dan het ooit geweest is; alle mensen en dieren vasten; de héle stad bekeert zich etc.) en allegorieën die uitnodigen tot theologische reflectie (de buik van de vis; de bodem van de zee; het uiterste westen en oosten die de vertelling omspannen). Ook het ontbreken van tijd- en plaatsaanduiding in het begin en het feit dat behalve Jona geen van de personae persoonlijk benoemd worden, alsmede de open vraag in de directe rede aan het slot lijken te wijzen op het parabelkarakter.

In de Joodse liturgie wordt Jona gelezen op Jom Kippoer, de Grote Verzoendag: Gods mededogen met mensen is groter dan zijn toornige gerechtigheid en strekt zich verder uit dan onze grenzen van geloofsgemeenschap, volk of land. In gelijkenisstijl parafraserend: ‘Het is met Gods vergevingsgezindheid zoals toen op een keer Jona et cetera.’

De opbouw is helder met twee hoofddelen: hoofdstuk 1 en 2: opdracht van God / vlucht / op zee / in de vis en weer op het droge; hoofdstuk 3 en 4: opdracht van God / naar Ninevé / boosheid om Gods goedheid / slot: (4:10) met ‘moraal’ in vraagvorm.

De vaart van de vertelling, de knappe spanningsopbouw met een aantal cliffhangers, de krachtige beeldspraak en de scherpe observaties van de herkenbare wisselingen tussen moed en angst van Jona maken het boek tot een van de bekendste bijbelse verhalen, dat ook buiten Israël en Kerk zijn weg heeft gevonden in kunst, literatuur en in onze volkstaal met het maritieme begrip ‘jonassen’.

Hoofdstuk 1 beschrijft de opdracht, Jona’s vlucht, de storm, de confrontatie met de zeelieden, de zelfopoffering die in tweede instantie wordt aanvaard en (in 2:1 NBV, maar: 1:17 SV!) de vis die een wisse dood voorkomt.

Vers 1-3. Jona, de wilde duif, is zoon van Amittai (‘de heeris trouw’). Zo wordt het thema direct in een spel van woorden geponeerd: zal de duif ook trouw kunnen zijn? Ook het decor wordt neergezet: van Ninevé in het uiterste oosten, tot Tarsis in het verste westen. Ninevé, de oude hoofdstad van het Assyrische rijk, viel in 662 en bestond voor de eerste hoorders van Jona alleen nog in de legendarische, negatief gekleurde herinnering (vgl. Nahum). Tarsis wordt verschillend gelokaliseerd. Belangrijker dan de locatie is de richting: diametraal tegenover de weg die God vraagt te gaan. In de SV (‘weg van het aangezicht des Heeren‘) komt dit krachtiger tot uitdrukking dan in de NBV.

Vers 4-16. Een zware storm bedreigt schip en bemanning – maar Jona gaat benedendeks. De stam jrd, afdalen (vs. 5), is dezelfde als in de naam ‘Jordaan’ en roept connotaties op met afdalen in het dodenrijk. Geen rustige, onbekommerde slaap als teken van ongeschokt vertrouwen, maar eerder een voortzetting van het vluchtgedrag – zo zal dit slapen verstaan moeten worden. Het werpen van de lotsstenen was een wijdverbreid gebruik in de antieke wereld. Men deed dit om alle twijfel weg te nemen en een bevestiging te zoeken dat de wil van de god(en) bepaalde wat zou gaan gebeuren. Geen ‘God of lot’-tegenstelling dus, maar: het lot toont de wil van de godheid.

Opvallend is dat de buitenstaanders Jona oproepen om de Heer aan te roepen, en hem verwijten dat hij voor Hem gevlucht is. Zo wordt een van de twee hoofdthema’s (zie boven) opgevoerd: Gods handelen strekt zich uit voorbij de grenzen van zijn eigen volk.

Op de storm aan vragen volgt het ‘hoge woord’ van Jona. De anonimiteit waarin hij dacht te kunnen vluchten, wordt opgeheven met het noemen van de Naam.

In één adem maakt hij zichzelf en zijn geloof kenbaar. De eerste bepaling, ‘de God van de hemel’, is van origine een Perzische uitdrukking en komt enkel in post-exilische geschriften voor.

Net als later in Ninevé maakt het getuigenis indruk op de buitenstaanders, maar Jona zal dat uitgesproken vertrouwen telkens moeten hervinden: het uitspreken van het credo is blijkbaar iets wat telkens geactualiseerd moet worden.

Aanwijzingen voor de prediking

De autonome, postmoderne westerling zal in Jona gemakkelijk een persoonlijke identificatie vinden: zijn twijfel, zijn zoeken, zijn bijna-dood-ervaring, zijn persoonlijk verwoord geloof. Dat is voor de verkondiging een legitiem perspectief en biedt ook veel kansen om hoorder en tekst tot elkaar te brengen. Laat alleen niet daarmee het zicht verloren gaan op Jona als pars pro toto voor heel Israël, de geloofsgemeenschap – wij allen. Anders komt de bovengenoemde wederkerigheid niet tot haar recht.

Jona meent dat zijn roeping (in zijn geval: onrecht benoemen) te zwaar voor hem is. Hij vlucht voor het aangezicht van God, de stem die in zijn geweten spreekt. Pas na een existentiële crisis op de bodem van zijn bestaan durft hij zich volledig te verlaten op God (2:3-10).

Echter, nog voor deze crisis spreekt Jona desgevraagd zijn Godsgeloof uit. Zijn credo markeert het begin, en niet de conclusie, van zijn metanoia, omkeer. Een spannende vraag: gaat het geloof (als aannemen van de geloofsleer) vooraf aan het belijden daarvan – zo in de reformatorische traditie – of kan het ook andersom: dat het uitspreken van een oud, vertrouwd maar soms ook gewantrouwd credo juist het begin is van een proces van groeien in geloof? In het Jodendom, de Romana en ook bij andere wereldreligies valt het moment van de ‘confirmatie’ (bijv. bar mitswa of het vormsel) samen met de overgang naar de jong-volwassenheid (12-14 jaar). Vanaf dat moment word je in de geloofs- en leergemeenschap niet zozeer als volwassen, maar wel als volwaardig lid beschouwd. De steeds hoger geworden leeftijd waarop in de Nederlandse protestantse kerken belijdenis werd gedaan, heeft zeker bijgedragen tot de huidige teruggang van aantallen aannemelingen.

Het verschil tussen schuld en verantwoordelijkheid: God geeft Jona/ons een taak, waarvoor we al dan niet verantwoording kunnen nemen. Deze verantwoordelijkheid is uiteindelijk niet ondraaglijk, al kan dat soms wel zo schijnen. Bij falen en feilen heeft Jona de neiging om verantwoordelijkheid te duiden als schuld: gooi mij maar in zee, want deze ramp is mijn schuld. Dat lijkt nobel, maar is tragisch, want zo wordt de eigen verantwoordelijkheid ontkend. Als het inderdaad ‘Jona’s schuld’ was, zou hij ook verdrinken; – maar uit de verstikkende diepte van schuld wordt hij bepaald bij en zo bevrijd tot een verantwoordelijk mens die de gegeven uitdaging (vs. 2) aandurft – en aan blijkt te kunnen.

De ‘buitenstaanders’ doen een appel op Jona-Israël-ons: als het er op aankomt in je leven, sta je dan voor je geloofsvertrouwen? Pastores die werkzaam zijn op of buiten de grenzen van de gemeente, bijvoorbeeld in de zorg, bij justitie of de krijgsmacht, zullen dit appel vaak en krachtig ervaren. Maar ook een lokale gemeente die zich missionair wil opstellen, zal zichzelf eerst en bij voortduring deze wezenlijke vraag moeten stellen, die ‘de buitenwacht’ zo dringend kan verwoorden. Een belijdenisdienst kan een uitdagende gelegenheid zijn om allen, en niet alleen de ‘nieuwelingen’, actief te betrekken in dit proces.

Liturgische aanwijzingen

Naast de liederen en gebeden die passen bij de specifieke zondag waarop belijdenis wordt gedaan, valt te denken aan: Gezang 458, 474, 484 (LvdK); Gezang 75, 94-96 (Tt). Bij de lezing van Jona: Gezang 40 (LvdK); Gezang 100 (Tt). Uit de bundel van S. de Vries, Tegen het donker, Zoetermeer 2002: lied 82, 83.

Geraadpleegde literatuur

A. S. van der Woude, Amos, Obadja, Jona, Kampen 1997; B.F. Price e.a., A Translators Handbook on the Book of Jona, Stuttgart 1978; J. Fokkelman en W. Weren (red.), De Bijbel literair, Zoetermeer 2003; W. Barnard, Stille omgang, Brasschaat 1993.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken