Menu

Premium

Preekschets Lucas 1:54-55

Derde zondag na Epifanie

Lucas 1:54-55

‘Hij trekt zich het lot van Israël aan, zijn dienaar, zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd: hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.’

Schriftlezing: Lucas 1:46-55

Uitleg

Samuël, het door de onvruchtbare Hanna van God gevraagde kind, de sjaoel (van de wortel sja’al, vragen, wensen, verlangen [1 Sam. 1:28; vgl. vs. 17, 20, 27]) van Hanna, groeit op in het heiligdom van de Heer tot een man van God met de trekken van een priester, een profeet en een rechter. Zijn leven – zijn handel en wandel met de HEER – is erop gericht Israël het koningschap te brengen, een koningschap onder God. Met en door koning Saul, de sjaoel van het volk, wordt God echter als Koning over Israël verworpen. Toch geeft God het volk waar het om vraagt: een koning zoals de heidense volken rondom hebben. Om zijn ongehoorzaamheid wordt Saul op zijn beurt door God als koning over zijn volk verworpen. God zoekt zich voor zijn volk een koning naar zijn hart, een mens met hart en ziel toegewijd aan zijn wet en recht: David, de sjaoel van de Heer. Maar ook deze messiaanse koning, geroepen om God te dienen en zijn wil te doen, vervalt net als Saul van tijd tot tijd in heidens koningschap. Hij steekt echter gunstig af bij Saul, omdat hij zich laat gezeggen door Gods profeten en tot zijn roeping terugkeert. De ware messiaanse Koning, die ondanks alle verleiding bij zijn roeping blijft, in wie de Heer zijn volk nabij is en zich aan hen openbaart als de Barmhartige, die recht en gerechtigheid doet, is ook messias-koning David nog niet.

Lucas plaatst het optreden van Jezus in de synagoge in Nazaret (Luc. 4:14-30) als openbaring en uitgangspunt aan het begin van Jezus’ prediking van het koninkrijk van God: ‘Vandaag hebben jullie deze schrifttekst [Jes. 61:1-2; vgl. Luc. 4:18-19] in vervulling horen gaan’ (Luc. 4:21). Het gaat in deze tekst om de zalving met de Geest van God om recht en gerechtigheid te doen. Hiermee is de tendens van Lucas’ verhaal gezet: Jezus is de Messias, de sjaoel van God en zijn Gezalfde, de Messias- Koning die in het aangezicht van verleiding, van lijden, godverlatenheid en dood, bij zijn roeping blijft. Jezus is de openbaring van God als de Barmhartige, die recht en gerechtigheid doet, precies zoals Maria in haar lofzang verwoordt. In Hem is de Heer zijn volk nabij.

In haar lofzang (Luc. 1:46-55) grijpt Maria niet alleen op verzen terug uit de psalmen en andere oudtestamentische boeken – de oudtestamentische profetie komt hier immeis tot vervulling – maar ook op de lofzang van Hanna, de moeder van Samuël (1 Sam. 2:1-10). Beiden bezingen Gods barmhartigheid en trouw en zijn genadig recht. In de geboorte van haar zoon herkent Maria – net als Hanna in haar zoon – Gods barmhartigheid voor haarzelf én voor zijn volk. Beide vrouwen vereenzelvigen zich in hun lied met Israël, dat onder Gods heerschappij wordt opgericht telkens als het valt (1 Sam. 1:8 en Luc. 1:54-55). Zij weten ook zichzelf door God opgericht (1 Sam. 2:1; vgl. Luc. 1:46-49). Zo staat Maria met Hanna model voor het bedreigde en kwetsbare volk, voor Israël – en ook voor ons, zijn kerk – dat Gods uitredding nodig heeft en zijn sterke hand die het opricht. Als aartsmoeder staat Maria naast Hanna model voor hen die niet alleen heil voor zichzelf zoeken, maar voor heel het volk, ook voor de komende geslachten, en die dat heil niet van mensen maar van God alleen verwachten. Hun beider zonen worden niet geboren uit de kracht van een man (alleen), maar uit de kracht van God (1 Sam. 1:17-19; Luc. 1:35).

Wat van Samuël, Saul of David niet gezegd weid, wordt wel van Jezus gezegd, namelijk dat Hij geboren is uit de Geest van God. Bij Samuël wordt überhaupt niet over zalving gesproken, noch met olie noch met de Geest van God. Hij is in die zin geen messiaanse figuur, slechts een messiasmaker. Voor Saul en David geldt een zalving met olie tot koning over Israël door Samuël, de profeet, nadat zij op last van de HEER zijn weggeplukt van achter de ezelinnen en de schapen (1 Sam. 10:1 en 16:13). In geval van Saul wordt niet met zoveel woorden gesproken over een zalving met de Geest. We lezen wel, dat hij op zijn zalving met olie ‘een ander mens werd’ en dat op cruciale momenten de Geest van de HEER hem overmande (10:7 en 10; 11:6; 16:23), zelfs nadat de Geest van God hem verlaten had en hij door een boze geest gekweld werd (16:14; 19:23). Van David wordt gezegd, dat hij vanaf het moment dat hij de zalving met olie ontving, door de Geest van God doordrongen werd (16:13). Jezus daarentegen wordt met de Geest van God gezalfd op het moment van zijn conceptie (Luc. 1:35): Hij is de Messias van God vanaf zijn prilste begin. Hij ontvangt wel een zalving met olie, maar niet als uitwendig teken van zijn roeping van Godswege, veeleer als bewijs van liefde en dankbaarheid van de hand van een tot inkeer gekomen vrouw, wier leven bevrijd is van zonden (7:36-50), als vrucht van zijn roeping en messiaanse arbeid.

In haar lofzang zingt Maria niet over de grote daden, die het kind in haar schoot zal doen, maar over de grote daden van God. Hij brengt een wending in het lot van Israël, zijn volk, zoals Hij beloofd heeft. De oudtestamentische belofte wordt vervuld, de langverwachte Messias staat op het punt te verschijnen, maar hoe Hij zal optreden, dat is nog een geheim. Hoe Hij zijn rol als Messias-Koning zal vervullen begint pas te dagen aan het eind van het evangelie, althans voor wie het horen wil. Ter zitting van de raad van de oudsten van het volk, de hogepriesters en schriftgeleerden, zeggen zijn ondervragers tegen Hem: ‘Als u de messias bent, zeg het ons dan’ (22:67). Jezus antwoordt: ‘Als ik het u zeg, gelooft u mij toch niet. En als ik een vraag stel, antwoordt u toch niet. Maar vanaf nu zal de Mensenzoon gezeten zijn aan de rechterhand van de Almachtige’ (22:67-69). Wanneer men Hem voor Pilatus brengt met de beschuldiging dat Hij zich voor de messiaanse koning uitgaf, vraagt Pilatus, die zich natuurlijk niet van bijbelse taal bediende, Hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordt hem: ‘U zegt het.’ Op de zware beschuldigingen van de leiders van het volk hangt Herodes op zijn beurt Hem een pronkgewaad om de schouders en zijn dienaren bespotten Hem (23:1-3 en 10-11). Wanneer Hij aan het kruis hangt honen de leiders Hem: ‘Anderen heeft hij gered, laat hij nu zichzelf redden als hij de messias van God is, zijn uitverkorene!’ Ook de soldaten drijven de spot met Hem en zeggen: ‘Als je de koning van de Joden bent, redt jezelf dan!’ (23:35-37).

In zijn geboorteaankondiging wordt zijn naam genoemd als een voorbestemming: Jezus, Jeshoea, de Heer redt, Hij zal op de troon van David zitten en tot in eeuwigheid koning zijn over Israël (1:30-33). Jezus is de Messias-Koning in de gestalte van de Mensenzoon, de mens die God voor ogen heeft als zijn partner, de sjaoel van God, en zoals die uiteindelijk verschijnen zal. Hij is de eersteling. Er zullen nog velen volgen die op Hem lijken, dat is Gods toekomstdroom voor zijn volk. Wat een vooruitzicht en wat een uitdaging!

Aanwijzingen voor de prediking

Als de boodschapper van God haar de geboorte van haar zoon aankondigt, is Maria’s reactie: ‘De Heer wil ik dienen, laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd’ (1:38). Dat is de basishouding van de gelovige, die vol vertrouwen met God op weg gaat en zich voegt in zijn plannen die groter zijn dan het mensenhart bevatten kan. Het is een geloofshouding, die moeilijk vol te houden is. We hebben het gezien in het leven van de koningen Saul en David (zie de zondagen 14 en 21 januari). Maar soms gaat ons onverwacht een licht op: de Geest van de Heer gunt ons een blik over de horizon van het heden en van ons eigen, kleine bestaan.

Maria is niet gehuwd en zwanger. Dat is ongetwijfeld een levensweg met veel lijden geweest: je hoort bijna het gefluister achter handen en gauw toegesloten deuren, je voelt bijna de warme adem van de roddelaar aan je begerig oor. Maria ontvlucht het stadje waar ze woont en gaat op bezoek bij haar nicht Elizabet, die zwanger is van een ander bijzonder en door Gods boodschapper aangekondigd kind, Johannes, die de Doper genoemd zal worden. Bij de begroeting vindt een kettingreactie plaats: de begeestering van de een steekt de ander aan. Het is dit nog ongeboren kind van Elizabet, dat in de vrucht van Maria’s schoot zijn Heer herkent, want op de groet van Maria springt het van vreugde op in de schoot van zijn moeder (vs. 44); Elizabet voelt dat en wordt erdoor begeesterd, en vervuld met de Heilige Geest groet zij Maria met profetische woorden die getuigen van een zelfde herkenning: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot! Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt?’ (vs. 43). Maria op haar beurt wordt daarop gegrepen door de Geest en zingt haar loflied op Gods trouw (vs. 46-55).

God heeft oog gehad voor haar. Net zoals Hij in David iets gezien heeft, een man naar zijn hart door en met wie Hij zijn volk Toekomst scheppen kon (zie zondag 21 januari), zo heeft Hij in Maria iets gezien. Haar geloofshouding, haar dienstbaarheid aan Hem en zijn wil, maakt dat God haar heeft uitverkoren de moeder te worden van de Messias-Koning, die Hij beloofd heeft. Zij is kneedbaar in de handen van de Pottenbakker: Hij heeft haar verkozen om van haar de moeder van de Messias-Koning te maken. Zó schept Hij zijn volk toekomst.

Maria steekt niet de loftrompet over haar eigen groot geloof en godsvertrouwen, ook zingt zij niet over de voorzegde grootheid van haar nog ongeboren kind. Nee, zij bezingt Gods grote daden van barmhartigheid aan haar bewezen. Dddrom zullen alle geslachten haar gelukkig prijzen. Hij doet namelijk barmhartigheid aan allen die Hem vereren en zoeken Hem en zijn Koninkrijk te dienen. Zij zullen haar vreugde begrijpen over Gods aandacht voor haar, de Heer heeft iets in haar gezien! Haar leven is aangeraakt door God, bezwangerd is zij met Geest en kind: ‘De Heer heeft mij gezien en onverwacht ben ik opnieuw geboren en getogen… ’ (LvdK Gezang 487:1). Jezus, wiens naam betekent ‘de Heer redt’, is vrucht van haar geloofshouding. Hij is de Messias-Koning die komen zou. In Hem vervult de Heer zijn belofte aan Abraham en zijn kinderen-in-het-geloof (vs. 54-55). Hij is geen verheven koning, maar een die zich vereenzelvigt met de geringen, met de armen en de hongerlijders en met allen die barmhartigheid en uitredding nodig hebben. In Hem is de Heer zijn volk nabij, met en door Hem openbaart Hij zich aan hun als de Barmhartige, die recht en gerechtigheid wil en met en door Hem opent Hij hen zijn grote Toekomst. Hij is de eersteling. Er zullen nog velen volgen die op Hem lijken, dat is Gods toekomstdroom voor zijn volk, voor Israël en de kerk. Wat een vooruitzicht en wat een uitdaging!

Maar uitredding betekent ook oordeel, Gods naam is immers heilig, Hij triomfeert over zijn vijanden: wie zichzelf verheffen drijft Hij uiteen, zodat ze alleen komen te staan, de heersers stoot Hij van hun zelf gebouwde tronen en de rijken stuurt Hij met lege handen weg. De geringen in de ogen van de wereld, de armen en de hongerlijders en die zich met hen vereenzelvigen, geeft Hij aanzien, zij worden vruchtbaar voor de Toekomst van de Heer – en hoe!

Liturgische aanwijzingen

LvdK Psalm 93 en 145; Gezang 66; 159; 199; 254 en 487; GvL 619 en 401; ZG III 41; IV 5; IV 6; VI 1 en VI 2.

Geraadpleegde literatuur

K. Deurloo, E. van den Berg, P. van Midden, Koning en tempel, Kleine Bijbelse Theologie II, Kampen 2004; R.W. Klein, 1 Samuel, WBC 10, Texas USA, 1983; I. Howard Marshall, NIGTC, The Gospel of Luke, A Commentary on the Greek Text, Grand Rapids 1978; H. Mulder, Lucas I. Een praktische bijbelverklaring, Kampen 1985. Alle referenties in deze studie komen uit de Nieuwe Bijbelvertaling 2004.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken