Preekschets Lucas 24:15 – Pasen
Lucas 24:15
Pasen
Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren,
kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee…
Schriftlezing: Lucas 24:13-35
Het eigene van de zondag
Wanneer met Pasen wordt gekozen voor de lezing uit het Evangelie naar Lucas, hoofdstuk 24 uit diens evangelie gebruikt worden voor zowel de paasnacht als Pasen. In de paasnacht klinkt dan het getuigenis over de opstanding (24:1-10), met Pasen het verhaal over de Emmaüsgangers (24:13-35). Beide diensten vormen op deze manier een tweeluik. Indien de gewoonte bestaat om met Pasen een dienst van Schrift en Tafel te vieren, zullen de lezingen en de verkondiging door de aard van het verhaalde als vanzelf gaan resoneren met de viering van het avondmaal.
Het verhaal over de Emmaüsgangers biedt stof voor een aantal diensten. In deze schets is gekozen voor een concentratie op de rol van de gesprekspartners van Jezus, als beeld van de gemeente van de opgestane Heer. Daarnaast wordt de aandacht gericht op de rol van Mozes en de profeten en wordt in het bijzonder terugverwezen naar een hoofstuk uit Jeremia dat in deze Postille als lezing heeft gediend voor 9 maart, zondag Judica.
Uitleg
De vrouwen hebben de goede boodschap die zij bij het graf van Jezus hadden vernomen, overgebracht aan de mannen, maar die laten zich maar moeilijk overtuigen (24:9-11), zeker niet door vrouwen. Diezelfde dag nog laten twee van de leerlingen Jeruzalem achter zich liggen en gaan op weg naar het dorp Emmaüs. We kunnen veronderstellen dat zij verdrietig zijn en de hoop bijkans hebben verloren, maar tegelijk is het een feit dat het gebeurde in Jeruzalem hen nog sterk bezighoudt en zij daarover stevig met elkaar in gesprek zijn. Het Grieks gebruikt hier voor ‘spreken’ homileoo, hetgeen niet betekent dat ze elkaar ‘bepreken’, maar zich tot elkaar richten. De een is dus niet doende de ander te overtuigen, maar ze zijn op elkaar betrokken door hetgeen gebeurd is. De intensiteit van dit spreken wordt nog duidelijker wanneer we zien dat Lucas het werkwoord in Handelingen 20:7-12 gebruikt in een ander verhaal dat eveneens over opstanding gaat. Tijdens een lange preek van Paulus wordt een zekere Eutychus door slaap overmand en valt door de raamopening van de derde verdieping naar beneden. Paulus gaat naar hem toe en werpt zich op hem, alsof hij de profeet Elia zelf is (zie 1 Kon. 17:17-24). De jongen leeft, en Paulus gaat verder waar hij mee bezig was: hij breekt brood, spreekt met de mensen (homileoo) en brengt zo samen met hen deze eerste dag van de week door (Hand. 24:11). Dezelfde motieven komen in Lucas 24 voor en typeren de reactie op het gebeuren van de opstanding: met elkaar spreken en samen brood breken op de eerste dag van de week.
Terwijl de twee mannen zo in gesprek zijn, voegt Jezus zich bij hen en loopt een eind samen met hen op. De nadruk in de tekst ligt op ‘samen met’ (24:15, vgl. 24:13). Dit is een treffende vaststelling wanneer we bedenken dat het de eerste handeling is die Jezus als opgestane Heer, volgens het Evangelie naar Lucas, verricht. Hij sluit zich bij zijn leerlingen aan en loopt samen met hen op.
De mannen herkennen Jezus niet omdat hun ogen ‘waren bevangen’ (NBG). En dat terwijl uit de inhoud van het hierna volgende gesprek blijkt dat het springende punt voor hen is dat de vrouwen weliswaar niet blijken te hebben gelogen, maar dat niemand Jezus heeft gezien (24:24). Aangezien Jezus overkomt als een buitenstaander die van niets weet, blijven ze staan, verwonderd over zijn onwetendheid. Eerst zullen ze bijpraten, en daarna pas hun weg vervolgen.
In hun weergave van de gebeurtenissen in Jeruzalem gebruiken de mannen drie keer het werkwoord ‘geschieden’ (ginomai). De eerste en de derde keer gaat het om de dingen die geschied zijn, de gebeurtenissen (24:18, 21). De tweede keer is in het Grieks merkwaardigerwijs Jezus zelf het onderwerp: Hij is ‘geschied’ als profeet (24:19). Het is zijn profetisch optreden geweest dat ertoe geleid heeft dat Hij is veroordeeld en gekruisigd. En daar houdt het verhaal eigenlijk voor hen op. Ze hadden gehoopt op de verlossing voor Israël. De verlossing waarmee het Evangelie naar Lucas als hoge verwachting heeft ingezet, in de lofzangen van Zacharias (Luc. 1:68) en de profetes Hanna (Luc. 2:38). Aan het eind gekomen, is er weinig meer van die verwachting over en zijn ze bezig de hoop te verliezen. Er wordt op gezag van engelen wel gezégd dat Jezus leeft, maar geloven kunnen ze het niet.
Door te spreken over Jezus als profeet laten de twee mannen zien dat zij wetende onwetend zijn, evenals zij ziende niet zien. Want precies bij de profeten moeten zij zijn om het geloof te vinden dat ze zoeken. Jezus verwijst hen terug naar Mozes en de profeten (24:27), Hij opent de Schriften voor hen en daardoor beginnen ze er werkelijk in te geloven (24:32). De verwijzing naar Mozes en de profeten is niet expliciet naar bepaalde passages uit het Oude Testament, al doet het spreken over het lijden van de Christus allereerst denken aan de lijdende knecht uit de profetie van Jesaja. Er is dan ook eerder sprake van een formele dan van een inhoudelijke verwijzing, een formele verwijzing die overigens veelzeggend is. Dat blijkt vooral als we naar de andere tekst uit Lucas kijken waarin Mozes en de profeten worden genoemd, Lucas 9:28-36. Juist voordat Jezus zich opmaakt om op te gaan naar Jeruzalem (Luc. 9:51) verschijnen op de berg Mozes en Elia in ‘heerlijkheid’, hetzelfde woord dat Jezus op deze plaats (24:26) gebruikt, sprekende over zijn lijden. Waarom ‘moet’ de Christus lijden, hoe spreken Mozes en de profeten daarover? Door het te hebben over de ‘uitgang’ (exodos) die Jezus in Jeruzalem moet gaan volbrengen. Het is deze exodus, als weg door de diepte heen, die lijden met zich meebrengt. De verlossing waarover de leerlingen spreken en waarop zij hun hoop hadden gevestigd, wordt door Jezus herijkt aan het profetisch spreken.
Het merkwaardig overkomen om naast het verhaal over de Emmaüsgangers Jeremia 45 te lezen. Bij nader inzien blijkt dit echter een profetische tekst die zicht biedt op het lijden van de Christus en de moeite van de leerlingen om te begrijpen. Wanneer we de profetieën over de volkeren (Jer. 46-51) samen met het afsluitende hoofdstuk 52 beschouwen als epiloog, vormt Jeremia 45 het eigenlijke slotstuk van het boek. Het bevat een indringende klacht van Baruch, want het is hem uiteindelijk allemaal te veel geworden. We doen Baruch te kort wanneer we hem als ‘secretaris van Jeremia’ typeren; eerder is hij het alter ego van de profeet. Met zijn lijden deelt Baruch dan ook in het lijden van de profeet. En over dat lijden klaagt hij: waarom is dat nodig, hoe lang moet het ? Zoals de twee leerlingen van Jezus op weg naar Emmaüs somber worden en de hoop dreigen te verliezen, zo vergaat het ook de trouwe makker van Jeremia. En ook hij wordt terugverwezen naar het begin: ‘bouwen en planten’, ‘afbreken en uitrukken’, dat zijn de woorden waarmee de opdracht van de profeet en de weg die hij moet gaan getypeerd worden (zie Jer. 1:10). Dat is een weg door de diepte heen, zoals Jeremia heeft ervaren en Baruch met hem. De Heer staat garant voor het leven en zal Baruch niet prijsgeven aan de dood, maar die weg moet gegaan worden, omdat anders alle profetische woorden vals blijken te zijn.
Van Jezus zeggen de twee leerlingen dat hij een profeet was, machtig ‘in woord en daad’ (24:19). Zowel het ene als het andere laat Jezus aan hen zien: Hij legt de Schriften uit én Hij breekt het brood. Zo opent Hij hun ogen en schenkt hun hartstocht. En daarmee komen zij weer in beweging: ze staan op en gaan meteen in Jeruzalem vertellen wat er ‘onderweg’ is gebeurd (24:33, 35).
Aanwijzingen voor de prediking
Het is een troost voor ons dat de moeite die velen (niet buiten, maar binnen de kerk) ervaren om de goede boodschap te geloven, reeds in de Schrift zelf wordt verbeeld en verwoord. De ontmoeting tussen de Emmaüsgangers en Jezus worden beschouwd als een oerbeeld van de gemeente. Jezus is ons nabij, maar zien wij het ook? De reactie van Jezus moeten we – zeker met Pasen – niet misverstaan als zijnde gericht tot de Joden: zij zouden Mozes en de profeten niet hebben begrepen. Zijn gesprekspartners zijn geen vreemden voor Hem. Het gaat om zijn leerlingen, het gaat dus ook om zijn gemeente nü. De woorden van Jezus dienen we onszelf werkelijk aan te trekken: van week tot week horen we de verkondiging, maar lukt het ons ook om er ons vertrouwen op te stellen?
De Emmaüsgangers zeggen dat Jezus een profeet is, machtig in woord en in daad. Als profeet treedt Hij op met gezag, Hij vertolkt de stem van God. Dat doet Hij door voor de zijnen de Schrift te openen (woord) en door met hen het brood te breken en te delen (daad). In deze twee gestalten is Hij in het midden van de gemeente aanwezig. Maar tegelijk is Hij onzichtbaar, de aanwezigheid blijft een geheimenis.
Het ongeduldige verlangen van de Emmaüsgangers wordt – als het goed is – door de gemeente herkend. De Heer is waarlijk opgestaan uit de dood, zegt men, maar we bevinden ons nog altijd in een wereld vol bedreigingen. Is de dood werkelijk het zwijgen opgelegd? Wanneer we in de naam van Jezus elkaar de woorden van Mozes en de profeten uitleggen en het brood breken en delen, getuigen we van Hem die als Levende in ons midden is.
Liturgische aanwijzingen
Een bijbellied bij Lucas 24 gevonden worden in ZG V, 28. Verder men denken aan Gezang het bijzonder de derde strofe. Wanneer inderdaad Jeremia 45 op deze dag wordt gelezen, als antwoordpsalm gezongen worden Psalm 42:7.
Geraadpleegde literatuur
Will J. Bamard en Peter van ’t Riet geven in Lukas, de Jood: Een Joodse inleiding op het Evangelie van Lukas en de Handelingen der Apostelen, Kampen 1984, 122124, een verrassende blik op het verhaal door de geografie als midrasj te beschouwen.