Menu

Premium

Preekschets Matteüs 10:19,20

Matteüs 10:19, 20

Vijfde zondag na Epifanie

Wanneer ze je uitleveren, vraag je dan niet bezorgd af hoe je moet spreken of wat je moet zeggen. Want wat je moet zeggen, zal je op dat moment worden ingegeven. Jullie zijn het immers niet zelf die dan spreken, het is de Geest van jullie Vader die in jullie spreekt.

Schriftlezing: Matteüs 10:1-8, 16-25a

Het eigene van de zondag

Dit is een van de zondagen na Epifanie, waarop de aandacht uitgaat naar de Heer die is verschenen.

Uitleg

  • Deze tekst maakt deel uit van de zogenaamde uitzendingsrede. Jezus geeft exousia (= macht) aan zijn discipelen en zendt hen rond door Israël als zijn afgezanten (vs. 2: apostelen). Hun taak is net als die van hun Meester, prediken en beter maken (vs. 7v). Op die manier breekt Gods Koninkrijk door op aarde.

  • Het is geen eenvoudige zaak, die uitzending en die prediking. In vers 16 zegt Jezus: ‘Ik zend (!) jullie als schapen onder de wolven.’ Uit vers 17 blijkt dat met die wolven de mensen zijn bedoeld. Zij zijn niet geneigd om de prediking van het Koninkrijk aan te nemen. De predikers noemt Jezus schapen, omdat ze van zichzelf niet tegen de gevaren zijn opgewassen. Het vervolg laat zien hoe hun missie toch succesvol kan zijn en Gods woord temidden van tegenspraak tot klinken komt. In de tijd van deze uitzending bestond er nog geen kerk. De tegenstand kwam toen van buiten de kring van Jezus’ volgelingen. Maar ook binnen de kerk kan tegenstand voorkomen tegen de prediking van het evangelie. Augustinus heeft eens gezegd, dat er wolven voorkomen binnen de kerk en schapen buiten de kerk. Hij bedoelde daarmee dat er kerkleden zijn die op enig moment Gods Woord gaan afwijzen en aan de andere kant mensen van buiten de kerk die tot geloof komen.

  • Vers 24 neemt een centrale plaats in. Het is allesbepalend dat het een discipel niet beter vergaat dan zijn meester. Wie Jezus volgt, krijgt te maken met dezelfde problemen als hij: ‘overleveren’ (vs. 17, 19, 21). Zoals Jezus werd overgeleverd door Judas, zo zal het ook de discipelen overkomen dat ze worden overgeleverd aan sanhedria (= gerechtshoven). Deze sanhedria (en de synagogen) vormen de kerkelijke overheid. Het volgende vers noemt de wereldlijke overheid (stadhouders en koningen). Matteüs heeft de rede van Jezus gekleurd met ervaringen uit een latere situatie zoals die in Handelingen. Paulus moest verschijnen voor de stadhouders Felix en Festus en koning Agrippa en hij beriep zich op de keizer. Calvijn zegt terecht dat zulke machthebbers ons angst aanjagen en dat het heel begrijpelijk is, als we (vs. 19) bezorgd worden, hoe of wat we moeten zeggen. Jezus waarschuwt van tevoren, zodat die angst en zorg ons niet overvallen. Want we moeten niet uit angst voor onze missie weglopen. Wat wel moet, is hulp zoeken waar die is te vinden. Je moet beseffen datje op eigen kracht niet staande kunt blijven en aangewezen bent op de bijstand van de Heer.

  • Bemoedigend is, dat de volgelingen van Jezus dit lijden niet voor niets doorstaan. Als zij ter verantwoording worden geroepen door kerkelijke of wereldlijke machthebbers, dan krijgt de wereld een getuigenis (vs. 18). Het hier gebruikte woord marturion duidt niet, zoals marturia, op het martelaarschap. Het gaat om een bewijs zoals dat bij de rechtbank wordt geleverd, waardoor iemands schuld wordt vastgesteld. Wie dit getuigenis hebben gehoord, kunnen zich niet meer op onwetendheid beroepen. Het kan ertoe leiden dat mensen (bijv. deze machthebbers) zich verharden, maar ook dat mensen tot geloof komen. Voorbeeld van dat laatste: Sergius Paulus, landvoogd van Cyprus (Hand. 13:4-12, waarin het ook gaat over een uitzending!). Iwand ziet de holocaust ook als zo’n getuigenis, dat kan leiden tot inkeer zowel als verharding.

  • De donkere kant blijft niet onbesproken (vs. 21vv). Het pijnlijkste is datje de breuk in eigen familie kunt tegenkomen (reeds Mi. 7:6). Ook in onze tijd, want het hangt samen met het discipelschap, het gebeurt ‘omwille van mijn naam’. Gemeenschap met Jezus is gemeenschap met zijn lijden. Zijn volgelingen staan niet boven zijn lijden, want dan zouden ze staan boven Hem die het lijden op zich heeft genomen. En dat zou ongerijmd zijn (vs. 24). Ik noem hier ter vergelijking de opvatting van de psychiater Jung, dat een individueel geworteld zijn in het ‘goddelijke’ van grote betekenis is voor de gezondheid van een mens. Het kan de dissociatie tegengaan, waardoor de persoonlijkheid in de massamaatschappij wordt bedreigd. Hij verwacht in dit kader weinig heil van de kerk als organisatie, omdat de verschillende denominaties een geloofsinhoud aanbieden die men los van de persoonlijke ervaring dient aan te nemen. Hij meent dat op deze manier geen beroep wordt gedaan op de verantwoordelijkheid van de mensen, net zo min als bij reclame en propaganda.

  • Het lijden hoeft ons niet af te schrikken. De volgelingen van Jezus hoeven niet te denken dat ze monddood worden gemaakt. Ze kunnen tegenover de tegenspraak zeer welsprekend zijn (vs. 19v). ‘Wanneer zij u overleveren …’ Jezus geeft aanwijzingen voor die situatie. Eerst geeft Hij aan, wat we niet moeten doen. Onder punt 3 kwam al ter sprake, dat we ons niet bezorgd moeten maken. Wat en hoe we moeten spreken, zal ons gegeven worden. Jezus’ boodschap doorgeven, kan alleen maar gave zijn. Om precies te zijn: dat is ook de bedoeling. Want mensen kunnen niet Gods Woord spreken. God zal het zelf moeten doen in (of door) de mensen die zijn gezanten zijn (vgl. 2 Kor. 5:20). Het Griekse ‘en’ in vers 20 (‘het is de Geest… die in jullie spreekt) kan zowel ‘in’ als ‘door’ betekenen.

Welke vertaling we ook kiezen, de betrokken mensen zijn niet alleen maar spreekbuis van de Geest. Het is duidelijk dat zij met heel hun bestaan in dit gebeuren zijn betrokken. Want ze lijden erdoor! Dat wil zeggen: ze boeken geen resultaat. Als de missie toch succes heeft, dan komt dat van de Heer (28:20: Ik ben met jullie).

Jezus wil ons leren dat de missie doorgaat, ook als we vastlopen in tegenspraak en lijden of zelfs in de (martelaars-)dood. Hij roept ons op om op zijn hulp te vertrouwen. Dat vertrouwen moet spreken uit onze woorden. Zulke woorden kunnen ons (net als dat vertrouwen) alleen maar gegeven worden. En dan niet op voorhand, zodat ze bezit van onszelf zouden kunnen worden, neen, ‘in die ure’ (vs. 19). Het moet de rechters duidelijk worden dat ze niet uit de discipelen zelf komen. De wereld moet geconfronteerd worden met de Geest van God (Joh. 16:7-11). Onze tekst laat weten dat het lijden van de volgelingen daaraan dienstbaar kan zijn. Gods zaak houdt niet op met onze ondergang (Iwand), kan er zelfs mee gediend zijn.

Aanwijzingen voor de prediking

Wij kennen niet uit eigen ervaring de geloofsvervolging waardoor christenen ter verantwoording worden geroepen (kwetsbaar als schapen). De prediker moet zich afvragen, waar van ons een soort verantwoording wordt gevraagd: als je in je omgeving afwijkt … Door de individualisering wordt het steeds moeilijker om je voor je overtuiging te beroepen op een groep. En een overtuiging kan weersproken worden. Dat gebeurt inderdaad met de boodschap van Jezus.

Jezus heeft ervoor gewaarschuwd, toen hij de mensen wolven noemde. ‘Pas op voor de mensen.’ Niet: blijf uit de buurt. Juist gezonden. Maar: wees erop voorbereid, zodat je niet vervalt in angst en zorgen. Angst voor wat er over je heen kan komen. Zorgen over watje moet doen.

Want er komt wat over je heen: ‘uitleveren’ (zie Uitleg 6). Als je Jezus volgt en andere machthebbers afwijst. Waar de wereld vol mee zit. Zelfs de kerk. Dat laatste kun je uitwerken (zie Uitleg 2 en 5). Maar je moet wel bedenken dat het uiteindelijk politiek is: wie heeft macht over de schepping? God wil zijn schepping terug. Machthebbers verzetten zich. En anderen leveren ons uit, ook huisgenoten (ook vs. 35: Ik kom een wig drijven tussen …).

Jezus volgen is niet leuk: boodschappers worden aangeklaagd. Om bang van te worden! En dan ga je je zorgen maken en van alles bedenken om jezelf te redden, als het geval zich voordoet. Niet doen! Wantje kunt jezelf niet redden! Als je aan jezelf denkt, wordt het een werelds conflict. En het is Gods Koninkrijk. En God zelf die zijn Koninkrijk doet komen. Ook als jij ter verantwoording wordt geroepen. Dan gaat het er niet om dat jij wordt vrijgepleit. Het gaat erom dat het getuigenis doorgaat, ook daar, in de verdrukking. Of ze het aannemen of afwijzen, de woorden die gesproken worden, moeten woorden van God zijn.

De kerk is gezonden; 2 Korintiërs 5:20. Wij kunnen niet zorgen voor de juiste woorden. Het moet ons gegeven worden op het moment dat het erop aankomt. Zo is het God zelf die spreekt – door ons: ‘Jullie zijn het niet zelf die spreken, het is de Geest van jullie Vader die in jullie spreekt.’

God heeft niet eens altijd woorden nodig. Hij kan ook spreken door onze gehoorzaamheid en trouw, die niet terugschrikken voor de kosten. Gods Koninkrijk komt, ook als de getuigen worden uitgeschakeld. Zijn Geest kan door ons spreken, zelfs als ons het zwijgen wordt opgelegd.

Liturgische aanwijzingen

Epistellezing: 2 Korintiërs 5:16-21; Psalm 145:1, 6; Gezang 427:1, 2, 8; 441:2, 6, 7; 456; 481:1,2,3.

Geraadpleegde literatuur

Zie bij 5 februari; D. Bonhoeffer, Navolging, Amsterdam 1968, Kampen 2001; A. Augustinus, Tractatus in Iohannis Evangelium, Turnhout 1990; C.G. Jung, The Undiscovered Self, London 2002 (vertaling van ‘Gegenwart und Zukunft’).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken