Preekschets Matteüs 15:27
Matteüs 15:27
Judica
Ze zei: ‘Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen.’
Schriftlezing: Matteüs 15:21-28
Het eigene van de zondag
Het is nog maar twee weken voor het paasfeest en nu treden we de lijdenstijd in engere zin binnen. Judica is de eerste passiezondag.
De veertigdagentijd kent een afwisseling van zondagen met volledige ernst en nadruk op het lijden en zondagen waarin daarnaast het licht van Pasen al doorschemert. Zo staat Judica tussen de ‘lichte’ zondagen Laetare en Palmarum. De vreugde van Laetare kan niet zonder het recht dat zal zegevieren, de rechtvaardigheid die zal geschieden.
De naam van deze zondag is ontleend aan het eerste vers van Psalm 43: ‘Verschaf mij recht, o God.’ Het vervolg in de Nieuwe Bijbelvertaling verbindt deze psalm nog sterker met de evangelielezing die voor deze zondag centraal staat: ‘Vecht voor mijn zaak.’
Uitleg
Het verhaal van de Kanaanitische vrouw maakt deel uit van een kleine verhalencyclus in het Matteüsevangelie, die ingesloten wordt door de beide spijzigingsverhalen. Binnen deze kring krijgt het verhaal zijn kleur en betekenis.
In het verhaal van de spijziging van de vijfduizend (Mat. 14:13-21) krijgt de messiaanse belofte aan het volk van Israël een bijna.tastbare vorm. Er wordt een prachtige voorbode gegeven van het heil dat de mensen te wachten staat, waarin zij overvloed zullen kennen en vredig naast elkaar kunnen leven. Dit heil is ruim voldoende voor alle twaalf stammen van het volk Israël, zoals gesymboliseerd wordt in de twaalf manden die overblijven.
Uit het vervolg, het verhaal van de wandeling over het water, blijkt echter, dat deze belofte niet wordt begrepen. Het vertrouwen van de mensen, de volgelingen van Jezus zelf, is niet sterk genoeg. Zelfs Petrus, trouwe discipel, kind van Israël, blijkt een kleingelovige. Zijn geloof is te zwak om hem te dragen als hij op uitnodiging van Jezus Hem tegemoet komt over het water. Petrus stapt overboord, zet enkele stappen, maar gaat vervolgens kopje onder.
Tegenover dit verhaal van kleingelovigheid stelt Matteüs het verhaal van de Kanaanitische vrouw, die juist een groot geloof heeft, zoals Jezus zelf zegt. Door haar als Kanaanitische te betitelen en niet als Syro-Fenicische, zoals Marcus, benadrukt Matteüs haar positie tegenover de kinderen van het volk Israël. Deze vrouw is een heidense, een kind van de tegenstanders van weleer. Ook in het vervolg van het verhaal maakt Matteüs het contrast scherper dan Marcus. Voor Jezus lijkt deze niet-joodse vrouw niet te bestaan, hij keurt haar geen enkele blik waardig. De reden voor zijn afwijzing wordt duidelijk in het antwoord dat hij zijn leerlingen geeft, wanneer zij Hem vragen om een einde aan het gejammer van de vrouw te maken: ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van Israël.’ Jezus heeft geen boodschap aan haar.
Met een koppige volharding echter weet de vrouw Jezus’ afwijzende houding open te breken. Zij laat Jezus letterlijk over zich struikelen door zich voor zijn voeten neer te werpen. Nog wil Jezus haar niet erkennen. ‘Het is niet goed’, zegt hij, ‘om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te geven.’ Jezus spreekt hier heel harde woorden, waarmee Hij verbaal de vrouw nog verder van zich afstoot. Ze is voor Hem niet alleen een heiden, maar Hij vergelijkt haar zelfs met een onreine hond. Maar de vrouw houdt vol en dwingt Jezus uiteindelijk om haar te erkennen door de gevatte repliek waarvan zij Hem dient: ‘Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen?’
Er is veel geschreven over het antwoord van Jezus, waarin Hij het heil exclusief voor het volk Israël bestemt. Peter Tomson betoogt dat deze tekst op een oude overlevering teruggaat, waarin de oorspronkelijke opvatting van Jezus bewaard is gebleven (Tomson, 137). Waarschijnlijk zag Jezus zichzelf aanvankelijk alleen als een gezondene voor de kinderen van Israël. In dit hele stuk tussen de beide spijzigingsverhalen in wordt de omslag in zijn zendingsopvatting beschreven en verklaard. Voor Matteüs ligt de grond voor deze verandering in de kracht van het geloof van de Kanaanitische vrouw. Door de tegenstelling met de kleingelovige Petrus wordt dat element onderstreept. Ook de er tussen gelegen tekst, over rein en onrein, dient als onderstreping. Niet het zich wel of niet houden aan rituele voorschriften maakt een mens rein of onrein, maar het hart. Het gaat om de juiste instelling en overtuiging. Omdat een oprechte overtuiging haar drijft, weet de Kanaanitische vrouw het heil open te breken voor niet-joden.
De korte verhalencyclus sluit af met de spijziging van de vierduizend, waarin de voorsmaak van het heil gegeven wordt aan de niet-joden. Vierduizend mensen worden verzadigd, uit alle vier de windstreken van deze aarde (zie ook de uitleg bij zondag Laetare, waar deze tekst centraal staat). Alle volkeren zijn uitgenodigd om tot Jezus en, door hem, tot de Vader te komen.
Aanwijzingen voor de prediking
Het verhaal van de Kanaanitische vrouw heeft iets fascinerends, omdat het een aantal tradionele patronen op z’n kop zet. Allereerst natuurlijk de verhouding tussen Jezus en de vrouw. Zij brengt Hem onmiskenbaar tot andere gedachten. In de meeste verhalen van en over Jezus brengt Hfj bij mensen een verandering teweeg, maar in dit verhaal is het omgekeerd.
Voor sommigen heeft deze constatering misschien iets godslasterlijks, maar bijbels gezien is het niet vreemd. Er zijn meer, vaak heel treffende voorbeelden te vinden, waarin mensen, volhardend in hun geloof en overtuiging dat het rechtvaardig is wat zij vragen, God of Jezus tot een ander inzicht brengen. Ze gaan de strijd en de discussie aan. Een mooie illustratie is natuurlijk het onderhandelen van Abraham met God over het benodigde aantal onschuldigen om Sodom te redden. Ook de worsteling van Jakob aan de Jabbok kan genoemd worden. Maar bovenal de psalmen. Er zijn veel psalmen waarin de psalmist God ter verantwoording roept: ‘Waarom, Heer?’ De klacht over het onrecht dat iemand moet lijden, speelt een belangrijke rol.
Doordat wij God weleens te veel laten oplossen in een abstractum, dreigt dit wezenlijke element van het geloof verloren te gaan. Doe mij recht, Heer! – dat moeten wij durven vragen. Een mooi voorbeeld daarvan is het boekje Josl Rakover wendt zich tot God van Zvi Kolitz. Het is een indringend en met mythen omhuld verslag van een jood die tijdens de opstand in het getto van Warschau in opstandigheid vasthoudt aan zijn geloof in God. De vasthoudendheid van deze man, zijn rotsvaste geloof, hoewel het lijkt alsof God hem afwijst, is te vergelijken met de houding van de Kanaanitische vrouw. Men zou een aantal teksten uit dit boekje als een moderne psalmlezing in de dienst kunnen gebruiken.
Maar niet alleen de verhouding tussen Jezus en de vrouw wordt omgekeerd. Ook de verhouding tussen joden en niet-joden. De vrouw dwingt Jezus de universaliteit van het heil af, de ruimhartigheid van zijn boodschap. De kracht van het geloof is niet beperkt tot een klein, uitverkoren groepje. Juist dit element van dit verhaal is tot op de dag van vandaag actueel. Uit angst schermen mensen zich af, voeren rituelen en toelatingseisen in om te bepalen wie er wel en wie er niet tot de club behoren. Maar in dit verhaal wordt dat doorbroken. De woorden van God en van Jezus zijn er om royaal van uit te delen en niet om exclusief voor jezelf te houden.
Tot slot heeft dit verhaal een sterk emancipatoir element. Degenen die voorbij gelopen en genegeerd werden, worden niet langer over het hoofd gezien, maar tellen voluit mee. Emancipatiebewegingen kennen hun eigen voorvechters. Ze starten vaak vanuit een klein groepje mensen die roepen: ‘Doe ons recht!’ Deze kreet heeft veel goede bewegingen opgang gebracht: de emancipatie van de arbeider, van de vrouw, van de homosexuelen. Het gevaar is echter wel dat de kreet: ‘Doe mij recht’, kan doorschieten naar: ‘Ik heb recht op … ’ Dan kan het verworden tot een dwingelandij, die ten koste gaat van anderen en die daarmee contraproductief wordt. ‘
Liturgische aanwijzingen
De psalm van de zondag, Psalm 43, vormt een prachtige ondersteunende lezing bij deze tekst. Maar men zou ook kunnen denken aan Jesaja 56:1-8, een tekst die over de rechtvaardigheid gaat. In de Randstadbundel (p. 336) staat een mooi lied van J. Eijgenraam, ‘Voor kleine mensen’, met als beginregel: ‘Voor kleine mensen is Hij bereikbaar, Hij geeft hoop aan rechtelozen.’
Geraadpleegde literatuur
W.Barnard, Binnen de tijd. Het zinsverband der liturgie, Voorburg 1988, 64-102; W. Barnard, Stille omgang. Notities bij de lezing van de Schriften volgens een vroeg-middeleeuwse traditie, Brasschaat 1993, 174-184; J.T. Nielseri, Het evangelie naar Mattheus II, Nijkerk 1990; A. Leske, ‘Matteus’, in: E. Eynikel e.a. (red.), Internationaal commentaar op de bijbel II, Kampen 2001, 1511-1512; P.J. Tomson, Als dit uit de Hémel is… Jezus en de schrijvers van het Nieuwe Testament in hun verhouding tot het Jodendom, Hilversum 1997, 135-137; 249-257; M. de Jong e, Christology in Context. The Earliest Christian Response to Jesus, Philadelphia USA, 1988, 91-96; Z. Kolitz, Josl Rakover wendt zich tot God, Baarn 1998.