Menu

Premium

Preekschets Matteüs 19:28 – Nieuwjaar

Matteüs 19:28, Titus 3:5

Nieuwjaar

Wanneer de tijd aanbreekt dat alles vernieuwd [wedergeboren] wordt … Hij heeft ons gered door het bad van de wedergeboorte …

Schriftlezingen: Matteüs 19:23-30; Titus 3:3-7

Het eigene van de dag

De klassieke lezing voor de nieuwjaarsdag, die in westerse traditie tevens octaafdag van kerstfeest is, is Lucas 2:21. Het gaat daar over de besnijdenis van de Heer ten achtsten dage; bij deze gelegenheid ontvangt Hij zijn naam: Jezus. In het spoor van de Heer mag ook door heidenen het leven geleefd worden in de lichtkring van het verbond van Israëls God. Titus 3:3-7, de klassieke lezing van kerstdagdienst, verschijnt daarom ditmaal naast Matteüs 19:23-30 waarin zijn trouw nog eens krachtig wordt onderstreept. Het ‘bad’ waar Titus 3:5 van spreekt, vond oudtijds dikwijls plaats in een achtkantig doopvont. Het getal acht verwijst naar Noach en zijn ‘acht zielen’ (1 Petr. 3:20) die gered werden en naar de nieuwe, achtste dag, toen de Heer, na op de sabbat gerust te hebben, als de Zonne der gerechtigheid (vgl. Mal. 3:20 = 4:2) verrees.

Uitleg

Wat beide teksten gemeen hebben, is het woord wedergeboorte, een vertaling van het Griekse paliggenesia. Laatstgenoemd woord, letterlijk: ‘opnieuwwording’ (uit: palin en genesis), komt in het NT slechts op deze twee plaatsen voor. Opmerkelijk is verder dat paliggenesia niet voorkomt in de lxx, andere Griekse vertalingen van het OT, de apocriefe, c.q. deuterocanonieke boeken, of bij Griekse auteurs uit de tijd voor Christus. Om weer te geven wat door de verschijning van Gods filantropie in Jezus Christus openbaar werd, heeft de eerste gemeente dus een destijds modern woord gekozen, dat getuigt van terugkeer tot het bestaan, een wending van de dood naar het leven, kortom: een wedergeboorte.

Vergelijking van paliggenesia bij auteurs van de latere Stoa en bij Philo en Josephus stelt het gebruik van dit woord door de jonge gemeente in breder verband. Zowel bij de Stoa als bij de beide Joodse auteurs heeft het woord te maken met de toekomst; bij beide laatstgenoemden echter houdt het tevens verband met daden van Israëls God: opstanding uit de dood van enkelen, het opleven van de wereld na de zondvloed, de terugkeer uit de ballingschap en ook het gericht Gods over de wereld.

De Griekse vertaling van Jezus’ woorden bij Matteüs is zo goed te plaatsen. Bij Titus wordt het nieuwe nog eens onderstreept door het parallelle anakainoosis (vgl. Rom. 12:2). De aandacht is daarbij in de eerste plaats gericht op het heden: nu reeds, met de doop, begint het nieuwe leven. Het noemen van het ‘bad’ (loutron) doet denken aan de enige andere plaats waar dit woord in het NT gebruikt wordt: Efeziërs 5:26. Ook dit verband laat zien dat de ‘wedergeboorte’ in Titus niet een zaak is die slechts de enkele persoon aangaat, maar die verband houdt met de gemeente.

Als we Matteüs en Titus naast elkaar leggen in één dienst, is het goed om ook te wijzen op de enige overige christelijke tekst uit de eerste eeuw waarin paliggenesía wordt gebruikt. Clemens, bisschop van Rome, stelt de gemeente van Korinte een aantal vromen van het OT ten voorbeeld: Henoch, Noach, Abraham, Lot en Rachab. Hij schrijft dan onder meer: ‘Noach bleek getrouw en verkondigde door zijn dienst (leitourgia) de wedergeboorte aan de wereld (kosmos) en de Heer (despotès [toon hapantoon]) redde door hem de levende wezens die eendrachtig de ark waren binnengegaan’ (1 Clem. 9:4). De verwijzing naar Noach in het klassieke doopgebed heeft dus oude wortels.

Ten slotte een opmerking over de Matteüslezing. Opvallend zijn de twaalf (zo niet Luc. 22:30) tronen en de twaalf stammen. De gevolgen van de ballingschap en het verraad van Judas blijken niet op te wegen tegen een paliggenesía die stoelt op Gods trouw aan zijn volk. Jezus is in de eerste plaats de koning der Joden (Mat. 2:2). Het krinontes in 19:28 kan in verband gebracht worden met de voorafgaande discussie over de toegang tot het eeuwige leven en het onderhouden van de geboden, gevolgd door de vraag naar de beloning; zie ook 20:1-28, dat eerdere thema’s opneemt (19:30 herhaald in 20:16). Als God trouw is, staan het leven en werken in de tussentijd voor jood en voor heiden in het perspectief van een beloning die niet los te denken is van de weg van de Mensenzoon (Mat. 19:28; 20:28 en 25:31).

Aanwijzingen voor de prediking

Kuyper, die sterk toekomstgericht leefde en altijd bedacht was op verbetering in welke vorm ook, bezon zich al tijdens zijn studie op Titus 3:5. In 1874 legde hij daar (voor zover na te gaan) voor het eerst Matteüs 19:29 naast. Mens en schepping vormen ‘naar luid de Schrift, en … volgens de resultaten der wetenschap’ een geheel. De verlossing van de mens kan nooit volkomen zijn zonder verloste schepping, te beginnen bij zijn eigen lichaam. De wedergeboorte was dus ‘een oneindig rijker verschijnsel’ dan doorgaans in de gemeente werd beseft, en ook veel spannender. Immers tussen de persoonlijke wedergeboorte en die ‘van alle dingen’ strekte zich ‘de wedloop des geloofs’ uit.

Toen Kuyper rond 1890 in het zenit van zijn theologische loopbaan stond, voegde hij zijn in de loop der jaren steeds meer ‘buitenkerkelijk’ geworden voorstelling van de individuele wedergeboorte voorgoed samen met die van de kosmische. Wedergeboorte was een begrip met twee brandpunten; vandaar dat voortaan voor dit begrip het ‘Nedergriekse’ palingenesie hanteerde. In zijn rectorale oratie van 1892 over De verflauwing der grenzen legde hij de palingenesie ten grondslag aan zijn neocalvinistische wereldbeschouwing. Tegenover de evolutionistische opvattingen van Darwin en Haeckel poneerde Kuyper een eigen, eveneens evolutionair, systeem van een door God geleide palingenesie. Met palingenesie beklemtoonde hij zowel het bewust subjectieve uitgangspunt van zijn denken als de door hem beoogde holistische, tevens teleologische benadering van de schepping. Alledoor hem ontplooide activiteiten op het gebied van politiek, universiteit en kerk pasten uitstekend binnen dit elliptische model.

Conform de hermeneutische regel ‘Sacra Scriptura sui ipsius interpres’ confronteert en combineert Kuyper Schrift met Schrift. Als we zijn combinatie volgen, gaan we met hem uit van de overtuiging dat alle canonieke geschriften samen het ene, ongedeelde Woord Gods tot de gemeente vormen. Op nieuwjaarsmorgen behoeft er niet zoveel gezegd te worden. Men kan de prediking toespitsen op vragen als: wat is ‘nieuw’ in dit jaar ‘onzes Heren’ 2009; welke ruimte treden we in en met welke verwachtingen doen we dat? Wat betekent het voor ons persoonlijk, maar ook voor ons gemeentelijk leven dat we dankzij Gods daden niet alleen persoonlijk vernieuwd worden, maar ook de wedergeboorte van hemel en aarde mogen verwachten?

Of de predikant veel tijd zal moeten besteden aan de uitleg van ‘wedergeboorte’ en de beleving daarvan, hangt af van de vertrouwdheid van de gemeente met dit begrip. In ieder geval zal beklemtoond moeten worden dat ‘wedergeboorte’ volgens de Schrift meer omvat dan een individuele ervaring (born again Christian). In Titus wordt de gemeente als geheel aangesproken; het bad der wedergeboorte veronderstelt naast de gedoopte op zijn minst een doper; het woord uit Matteüs verruimt het perspectief tot de wederkomst van de Mensenzoon en wijst heidenchristenen op Gods trouw aan Israël.

Liturgische aanwijzingen

Psalm 98 vertolkt veel van hetgeen in de lezingen aan de orde komt. Verder valt te denken aan LB Gezang 94 (geroepen om te leven), 160 (Gods menslievendheid), 224 (wedergeboren), 287 (onze arbeid niet vergeefs), 313 (Zonne der gerechtigheid).

Geraadpleegde literatuur

A.F.J. Klijn, Apostolische vaders II, Baarn 1967; A. Kuyper, Uit het Woord. Stichtelijke bijbelstudiën III.1, Amsterdam 1879, 64-72, 90-99; A. Kuyper, E voto Dordraceno. Toelichting op den Heidelbergschen Catechismus III, Amsterdam 1894, 403-407; A. Kuyper, Encyclopaedie der heilige godgeleerdheid I (Inleidend deel), Amsterdam 1894, m.n. V.; ThWNT I, 685-687; J. Vree, ‘Palingenesie bij Abraham Kuyper: een levensproces dat door heel de schepping gaat’, in: Sj. Voolstra, J. Vree (red.), Protestants Nederland tussen tijd en eeuwigheid, Zoetermeer 2000, 154-171. Zie ook bij Oudjaar.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken