Menu

Premium

Preekschets Psalm 68:25,26 – Pinksteren

Psalm 68:25, 26

Pinksteren

Een schouwspel is uw stoet, o God, de stoet van mijn God, mijn koning, naar zijn heiligdom: voorop zangers, daarachter snarenspelers, omstuwd door meisjes met tamboerijnen.

Schriftlezing: Psalm 68

Het eigene van de zondag

Pinksteren is voor menigeen een toeristisch aantrekkelijk weekend geworden. Voor wie zich betrokken weet bij de kring rond de Messias is het een bijzonder feest: uit Sion verschijnt God, glanzend en luisterrijk. Het komt tot een universele doorbraak in de dienst aan God. Met Pinksteren komt de allesoverwinnende liefde Gods voor de wereld aan het licht. Wanneer enkelingen, groepen en gemeenten zich daardoor laten inspireren wordt Pinksteren concreet.

Uitleg

  • Psalm 68 geldt in de kerkelijke traditie als dé pinksterpsalm. Volgens Bamard is het een ‘woest, onstuimig en opstandig lied’. Juist door deze psalm klinkt op de achtergrond de berg Sinaï mee op dit feest van de Geest. Deze psalm wekt de herinnering aan de tocht door de woestijn, het ontzagwekkende spreken uit de wolk, de verbondssluiting, het schijnen van het gelaat van Mozes als hij de berg afkomt, de stoet met de ark. We kunnen de verzamelde mannen en vrouwen op de pinkstermorgen in Jeruzalem, met het licht dat glanst om hen heen, het vuur dat danst op hun hoofden, dan ook niet meer zien zonder achter hen Mozes te ontwaren. Maar ook Elia schiet ons dankzij deze psalm te binnen, en dan vooral zijn reis naar de Sinaï: ook dan is er vuur en stormwind en de ‘stem van de Roepende’. Hier gaat de Heer voor het volk uit, als een koning die zijn hoofdstad binnengaat. De gemeente zingt en musiceert volop, aangezien ook zij in het verbond is opgenomen. Mensen worden tot bondgenoten.

  • Er is nauwelijks een psalm te vinden, waarin de samenhang zo ver te zoeken is als in Psalm 68. Aldus alle exegeten. Het lijkt op een mozaïek van poëtischefragmenten (30!), die volgens verschillende uitleggers los van elkaar staan, maar – zeggen andere exegeten – toch inhoudelijk op elkaar inhaken. Volgens het oude commentaar van Valeton is er ‘geen psalm waarover meer geschreven is dan over Psalm 68’. Duitse commentaren stellen, dat de tekst door exegeten ‘gevreesd’ wordt! Een razendmoeilijke psalm. Het is de Mont Blanc van de exegese (Caquot). ‘Het is niet gemakkelijk deze reus te bedwingen’ (stelt Hitzig in 1836). Ze roept vele vragen op. Toch is er een rode draad en is de toon opgewekt: als God zich sterk maakt is het met de vijanden gedaan! Het is een onstuimige, lyrische uiting van triomf, waarin Gods grote daden van bevrijding (uittocht, verbondssluiting) de grond vormen voor de blijde verwachting. Een bonte, vrolijke stoet volgt de koning en de koninkrijken van de aarde kunnen niet achterblijven. De commentaren denken aan het lied van Mozes uit Exodus 15, maar ook aan het lied van Debora uit Rechters en het lied van Hanna. En het zijn steeds opnieuw de vrouwen, die in menigte – letterlijk ‘als een talrijke strijdmacht’! – een goed bericht, een blijde boodschap, doorgeven (vs. 12).

  • Als Sitz im Leben wordt door verschillende exegeten aan een ‘troonsbestijgingsfeest’ gedacht. Anderen suggereren een feest in het oude Israël, waarbij het verbond werd vernieuwd. Ook wordt voorgesteld dat een herfstfeest de context heeft gevormd, waarin dit lied is gezongen. De psalm hoort bij een feest, daar zijn alle exegeten van overtuigd. In het lied wordt in elk geval teruggegrepen op oude tradities: de tocht door de woestijn, het naderen van Kanaan, het wonen in het land. Als we de psalm visualiseren zien we de tochten in Israëls geschiedenis voor ons. In de psalm wordt ook een niet zo bekend bijbelgedeelte opnieuw zichtbaar gemaakt. Het gaat om het optreden van Debora, in Rechters 4. Barak, de legeraanvoerder van Israël, durft uitsluitend ten strijde te trekken tegen Sisera, een Kanaanitische generaal die de Israëlieten meer dan twintig j aar terroriseert, als Debora met hem meegaat. In de strijd speelt uiteindelijk ook een andere vrouw, Jaël, een hoofdrol. Een ‘menigte vrouwen’, letterlijk ‘een leger van vrouwen’, brengt goed nieuws.

  • Volgens een brede consensus bestaat de psalm uit negen strofen (2-4, 5-7, 8-11, 12-15,16-19, 20-24, 25-28, 29-32, 33-36). De eerste strofe biedt een beschrijving van het ‘opstaan van God’, dat het einde betekent voor allen die Teven zonder God of gebod’ (de rasjim). De tweede strofe is een lofprijzing van de God van de hemel, die redder is van hulpeloze mensen. De derde strofe schildert in hymnische toon de heilsdaden van God. In de vierde strofe tekent de dichter de gevolgen van Gods optreden voor de ‘koningen van de legers’, die uiteengejaagd worden. Een groot vrouwenleger (tsavd = leger) maakt het woord (de blijde boodschap, werkw. bsr = ‘verkondigen van een blijde boodschap’) van de Heer bekend! De vijfde strofe laat zien hoe God zijn macht vestigt op de berg van zijn keuze en zijn opgang is glansrijk. In de zesde strofe wordt eerst bezongen dat God redt: Hij redt uit de dood (‘uit de dood zijn uitwegen’, ‘bij God, de Heer, is bevrijding uit de dood’ (NBV). Vervolgens, in schrille bewoordingen, wordt bezongen dat de vijanden worden ‘verpletterd’ (werkw. m-ch-ts). De zevende strofe toont een feestelijke muzikale optocht, opgetogen mannen, vrouwen en kinderen, die weet hebben van Gods gang of tocht met het volk. In de achtste strofe doet de dichter drie keer een dringend appel op God: toon uw macht, zet de strijd voort tegen de vijandige grootmachten (‘het gedierte in het riet’, ‘die troep stieren’, ‘die kalveren van volken’) en verstrooi de volken die in vechten plezier hebben, die ‘belust zijn op strijd’. De negende strofe ten slotte, is een lyrisch-hymnische afsluiting: alle koninkrijken, zing voor God, die ‘door de hemelen rijdt’. Let op, hoor (‘zie!’ Hebr. hén): Hij verheft zijn stem, een krachtige stem! Die kracht is ook Israëls innerlijke kracht. Met een zegenspreuk eindigt de psalm.

  • ‘God staat op’, de eerste woorden van de psalm, zijn ontleend aan Numeri 10:35, waar de optocht met de ark begint met deze oproep: ‘Sta op, Heer, ga voor ons uit!’

  • De Hebreeuwse uitdrukking ‘voor het aangezicht van God’ komt drie keer voor in het eerste deel van de psalm. Het is deze presentie, het verschijnen van God, die de schoften zal doen verwaaien als rook, smelten als was.

  • De machtige God, die strijdt voor zijn volk, wordt door Israël ook gekend in zijn zorg voor weduwen, wezen (‘vaderlozen’), gevangenen en mensen die eenzaam of ‘solitair’, alleen zijn (yechidiem, vs. 7). De Midrash Tehillim denkt bij de eersten onmiddellijk aan het volk Israël in ballingschap en bij de laatsten aan Genesis 2:18, ‘het is niet goed dat de mens alleen is’. Het gaat om mensen die verstoken zijn van verwanten of van een levensgezel. Bij de gevangenen legt de Midrash een directe verbinding met het volk dat in Egypte gevangen was. Voor al deze kleine, uiterst kwetsbare mensen, zonder macht of invloed, heeft God een ‘thuis’ (vs. 7).

  • ‘Geprezen zij de Heer, dag aan dag, deze God draagt ons en redt ons’ (vs. 20). Van Ruler wijst erop dat God als ‘grond van het bestaan’ een ‘te stabiel’ beeld is: ‘Er zit te weinig beweging in.’ Gelet op de dynamiek van de psalm is er inderdaad veel voor te zeggen om juist hier te denken aan het dragen van iemand, die een last op een wagen draagt. Of aan een vader of moeder die het kind, tijdens de tocht door de woestijn, een tijd lang op de armen draagt. Van Ruler: ‘Hij tilt de last op en heeft haar een ogenblik in zijn handen. Zo draagt God ons, wanneer wij bestaan en leven. Hij beurt ons op.’

Aanwijzingen voor de prediking

  • De psalm straalt vertrouwen, ja, zekerheid uit. Ze is dan ook in de dagen van de Reformatie gezongen door geuzen en later was het een strijdlied van de hugenoten. We kunnen het zien als een overwinningslied, maar dan wel gezongen door een kleine minderheid, die in een uiterst benarde positie verkeert. Het is geen overwinningslied (‘We are the champions’), na afloop van een strijd, maar een lied in de hitte van de strijd. De psalm heeft er weet van dat er mensen zijn voor wie zelfs de Geest Gods radeloos schijnt en geen toegang vindt. Hoe kan God zich desondanks, tegen alle weerstanden in, laten gelden? Hoe kunnen wij ‘geestrijke’ mensen worden? Benoem in de preek het verlangen naar een einde aan het kwaad, de hoop dat schoften niet het laatste woord zullen hebben. Durf expliciet te spreken. Geef ruimte aan de verontwaardiging en waag het daarbij om een gebeurtenis uit het nieuws of uit het leven waarin mensen slachtoffer van een misdrijf werden op te halen. Of maak ruimte voor een verhaal waarin groten die kwaad deden een nederlaag leden. Veigeet daarbij niet inclusief te denken: het kwaad is niet alleen bij anderen te vinden…

  • Op een feest hoort klaarblijkelijk de terugblik: het ophalen van de geschiedenis, het vertellen van herinneringen. Kennelijk gaat het daarin vooral om de gebeurtenissen die de identiteit van het volk dat bijeen is, hebben gevormd. Die zijn kern bepalen. In het feest komen de feestgangers dicht bij de ziel van hun gemeenschap. Vertel over feesten, waar toespraken worden gehouden, waar wordt gezongen en waar bewust teruggekeken wordt op het verleden. De één haakt in op wat de ander zegt. Er ontstaat een ‘wij-gevoel’. Geef aan dat het in de psalm uiteindelijk niet bij dit ‘wij-gevoel’ blijft.

  • Er gaat in deze psalm een ‘complete feeststoet’ (Rothuizen) door de wereld. Een optocht ter ere van God. Waarom dus niet de pinksterpreek onderbreken, of in twee gedeelten houden? In de tussentijd worden tamboerijnen hoorbaar, meisjes slaan op de trommel. Juist een pinksterdienst moet een belevenis zijn! Is er een mogelijkheid om alle instrumenten van de gemeenteleden vandaag ‘uit de kast te halen’? Wie bespeelt snaarinstrumenten, wie klapt in de handen? In een pinksterdienst vervaagt de grens tussen orkest en gemeente: gitaar, trommel, accordeon, mondharmonica, viool, fluit, triangel – het laat zich allemaal invoegen in één groot orkest. Verkeerd spelen kan niet. Muziek, levende muziek en levende woorden vormen een sterke verbinding. Geef cantor en organisten de ruimte. Laat het in deze dienst maar gebeuren: een stroom van nieuwe positieve energie, tegen alle negativiteit en weerstanden.

  • Wie delven het onderspit: ‘Gods vijanden’, ‘zij die God haten’, ‘kwaadwilligen’, mensen die erop uit zijn bewust kwaad te doen aan anderen: de schoften van deze wereld. Zij zijn het ook, die ‘belust zijn op zilver’. De beelden van de psalm doen denken aan veldslagen uit films als The Lord of the Rings of de Chronicles of Namia. De bedrijvers van het kwaad, ‘de harige kruinen van wie met schuld zijn beladen’, de mensenvertrappers, ‘die troep stieren’, het zal met hen zijn gedaan. De teneur van de psalm is dat het uiteindelijk alleen God kan zijn die een einde kan en zél maken aan de macht van degenen die in gevechten plezier beleven, die genieten van conflicten en geweld en belust zijn op geld en goed (vs. 31). Er is een diep besef dat God dwars door de geschiedenis van het voorgeslacht heen, bezig is om het universum (‘koninkrijken der aarde’, vs. 33, en ‘de hoogste, eeuwige hemel’, vs. 34) voor zich te winnen. De aandacht is voortdurend op God gericht, terwijl we ons gaandeweg realiseren dat God al zijn aandacht op zijn mensen heeft gericht.

  • Pinksteren komt dankzij deze psalm naar voren als het feest van het bezielend vertellen én bezingen van de grote daden Gods. Dat mag dan ook in de dienst gebeuren in verbinding met het persoonlijk leven (‘getuigenissen’) en in relatie tot indrukwekkende gebeurtenissen uit de geschiedenis van de gemeente (‘sterke gemeente-verhalen’). Vraag gemeenteleden (vrouwen!) hiernaar onderzoek te doen en er in de pinksterdienst over te vertellen.

Liturgische aanwijzingen

Mogelijke combinatie van lezingen: Psalm 68; Handelingen 2:1-11; Johannes 14:23-31 a. In de aanwijzingen voor de prediking liggen ook reeds liturgische aanwijzingen besloten. Experimenteer deze dienst eens met tussenzang, of vooral: tussenmuziek! Pinksteren is het feest van het creatieve, bezielende getuigen! Liederen: Gezang 459 (‘door de nacht van strijd en zorgen schrijdt de stoet der pelgrims voort’); 441 (een wandellied); 242; 243; 244.

Geraadpleegde literatuur

Zie Donderdag 17 mei, Hemelvaartsdag. Verder: The Midrash on Psalms (Midrash Tehillim), New Haven 1959, 537-549; W. Barnard, ‘De vijftigste dag na Pasen, Pinksteren’, in: Lieve gemeente. Een jaargang schriftuitleg; Amsterdam/Hilversum 1962, 157-163; J. van der Werf, ‘Zondag 17 Mei. Eerste Pinksterdag. Psalm 68’, in: Postille 1963-1964, ’s-Gravenhage 1963; G. Rothuizen, Landschap. Een bundel gedachten over de Psalmen. Tweede vijftigtal, Kampen 1965; A.A. van Ruler, Over de psalmen gesproken, Nijkerk 1973; C. Stuhlmueller, Psalms I, Wilmington, Del, 1983, 301-308; G. Fuchs, ‘Pfingstsonntag’, in: G. Ruhbach, Anselm Grün, Ulrich Wilckens (Hrsg.), Meditative Zugänge zu Gottesdienst und Predigt V, 2, Göttingen 1995, 182187; A. Mulder, E. Groen & C. de Boer (red.), Manieren van vieren. Nadenken over liturgie in veelvoud, Zoetermeer 1998; C. Süssenbach, Der elohistische Psalter, (diss.) Tübingen 2005, 222-237.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken