Recht en onrecht op de akker
Preekschets Ruth 2:1-7
Dat is de Moabitische vrouw die met Naomi mee teruggekomen is. (Ruth 2:6)
Liturgisch kader
Het bijbelboek Ruth is bijzonder geschikt voor de zomerperiode. Voor velen is dit een periode van bezinning. Dat kan gaan over hoe je in het leven staat, over je positie. Onder degenen die het goed hebben, leven veroordelende gevoelens jegens hen die een sociaal zwakke positie innemen. Of die laatsten daaraan zelf schuldig zijn of niet, doet er niet aan af dat ze recht hebben op een barmhartige houding van anderen. Het is een sociaal grondrecht dat ieder mens zich kan voorzien van de basale levensbenodigdheden als voedsel, kleding, een woning en onderwijs voor kinderen. Het bijbelboek Ruth gaat hier ook over. In de gekozen passage komt in het bijzonder aan de orde hoe Naomi en Ruth zijn aangewezen op de gunst van een boer die hun toestaat korenaren te rapen om brood op de plank te hebben.
Uitleg
In hun armoedig bestaan neemt Ruth het initiatief. Ze stelt voor aren te rapen, zoals is vastgelegd in Leviticus (19:9;23:22) en Deuteronomium (24:19). Op een akker waar wordt geoogst, gaan de maaiers voorop. Achter hen komen de vrouwen die de aren tot schoven binden. Zij vormen samen het oogstteam.
Daarachter komen mensen die leven onder het sociale minimum en de restanten oprapen. De wettelijke bepaling is mild voor hen. Een boer mag zijn land niet volledig oogsten. Hij moet het koren aan de randen voor hen laten staan en het gemaaide mag hij niet tot de laatste aar oprapen. Als hij per ongeluk een bundel laat liggen op de akker, is die voor een arme. Door deze voorziening hoeven Naomi en Ruth niet van honger om te komen. Ruth weet zich geroepen, zij heeft een jong lichaam dat geschikt is voor dit werk. Maar vooral: zij heeft Naomi beloofd haar bij te staan.
Ruth hoopt gunst te vinden in de ogen van een boer die aan het oogsten is. De NBV21 vertaalt dit met ‘goedgezind zijn’, alsof het niet om een recht gaat. Maar dat is het wel. Door het te benoemen als gunst of goedgezindheid is een indicatie dat het recht der armen niet functioneert. Er is sprake van sociaal onrecht. Dat is niet verwonderlijk, als we bedenken dat dit verhaal speelt in de tijd van de rechters. Het gelijknamige bijbelboek vertelt dat dit een rauwe tijd is. Ruth wordt door de verteller nog steeds ‘de Moabitische’ genoemd. Dat suggereert dat het voor haar gevaarlijker is dan voor een Israëlitische vrouw. Zij zal op haar buitenlandse, heidense afkomst kunnen worden aangekeken. Dit accentueert haar kwetsbare positie.
Aren rapen is vernederend en vermoeiend werk. Als jonge vrouw en als vreemdelinge is het bovendien gevaarlijk vanwege het risico van misbruik door mannen. Cruciaal is de korte conversatie tussen Boaz en de opzichter. Boaz vraagt: ‘Bij wie hoort deze jonge vrouw?’ Betlehem is een kleine gemeenschap waarin iedereen elkaar kent. Dus valt Ruth op.
Boaz zal ongetwijfeld al gehoord hebben dat Naomi met een schoondochter uit Moab is teruggekeerd. Dat verhaal interesseert hem, omdat de gestorven man van Naomi, Elimelech, aan hem verwant is. Dat zal van belang blijken te zijn voor het in stand houden van het familiebezit. Een familie heeft de plicht en de verantwoordelijkheid het toegewezen bezit van het land voor de familie te behouden als basisvoorziening voor het eigen levensonderhoud. De opzichter antwoordt dat zij de jonge Moabitische vrouw is die met Naomi is meegekomen uit het veld van Moab (NBG51; HSV).
In dit antwoord noemt hij twee keer “Moab”; Moab heeft in Israël een ongunstige, vijandige klank. De opzichter positioneert Ruth als een vreemdeling. Hij noemt haar naam niet, terwijl je mag aannemen dat hij die wel weet. De opzichter houdt Ruth buiten de gemeenschap op de akker van Boaz en die van Betlehem. En hij spreekt ongunstig over haar optreden.
Dat valt helemaal niet op in de vertaling van het Hebreeuws waarover we beschikken. Ruth heeft tegen Naomi gezegd dat zij van plan is aren te gaan rapen achter de maaiers. Dat is de juiste plek: “achter degene in wiens ogen ik genade vind”. De opzichter rapporteert aan Boaz dat zij heeft gevraagd aren te rapen “bij” of “tussen” (beide vertalingen zijn goed) de schoven. Dat is wel achter de maaiers maar tussen de vrouwen die de schoven binden. Dat is veel gemakkelijker rapen, maar zo hinder je hen die aan het oogsten zijn. Wat Ruth volgens de opzichter heeft gevraagd, is niet de bedoeling van de regeling. Hij typeert haar als een onbeschaamde vrouw. De opzichter voegt er nog zo’n ongunstig detail aan toe.
Diverse vertalingen geven zijn woorden in vers 7 niet goed weer. Zoals bijvoorbeeld: “Ze zit maar heel weinig thuis”, of “zij heeft bijna niet binnen gezeten”. De NBV21 vertaalt: “ze heeft maar even gezeten”. Terecht blijkt uit de diverse vertalingen dat Ruth hard heeft gewerkt. Maar dat zij rust heeft genomen, staat er niet in het Hebreeuws. Op zo’n veld als dat van Boaz is een ploeg aan het werk. Voor hen is er een afdak, er is een tentzeil gespannen. Daaronder kunnen zij zitten voor de pauzes, ze worden beschermd tegen de brandende zon, en een paar jongens zorgen voor kruiken gevuld met water. Dat afdak is vertaald met “thuis” of “binnen”. Die rustplek is natuurlijk verboden voor onbevoegden. De vrouwen die aren rapen, mogen daar niet komen. De opzichter vertelt dat Ruth de brutaliteit heeft dit wel te doen.

(Beeld: Evi Radauscher via Unsplash)
Aanwijzingen voor de prediking
Het contrast dat tussen Naomi en Ruth is ontstaan als zij nog in Moab zijn, duurt voort. Ruth is de persoon met energie. Zij komt in beweging, zij zal die voor haar vreemde samenleving ingaan. Zij durft het avontuur aan. Hoe gaan we zelf om met risico’s? De een vermijdt ze liever, een ander kan niet zonder. Ruth put haar moed uit haar geloof. Dat is voor haar wezenlijk. Zij is een voorbeeld, ongeacht onze persoonlijkheid. Hoe werkt het geloof in op ons als gemeenteleden? Aanvaarden we hierin onderlinge verschillen? Bemoedigen we elkaar of is het eerder nodig om elkaar af te remmen?
Op de akker ontmoet Ruth twee mannen, de opzichter en de boer. Die hebben een gesprek over haar. Daar hebben we allemaal ervaring mee, dat anderen het over je hebben, en dat dit niet zomaar positief is. Hoe voelt dit, als je je niet kunt verweren? En hoe kunnen we het onaangename voorkomen als we zelf een van die gesprekspartners zijn? Hoe voorkom je dat iemand wordt buitengesloten? De HEER vraagt van iedereen integriteit. Zoals Hij zelf is, wil Hij dat wij zijn. Integriteit is een absolute voorwaarde voor wie wil komen in de aanwezigheid van de HEER (vgl. Ps. 15; Ps. 24). Een integere gelovige aanvaardt de uitdaging te leven in de wegen van de HEER (vgl. Ps. 81, Ps. 95).
We hebben de natuurlijke neiging een vreemdeling ongunstig te beoordelen. Onderkennen we dit bij onszelf? Of zijn er mensen in de gemeente die als vreemdeling gekomen zijn, en is iets te zeggen over hun ervaringen? Hoe staan we als gemeente tegenover vreemdelingen in ons midden, in de kerkelijke gemeente, in de samenleving? Als er in de kerk helemaal niet zulke Ruth-achtige mensen zijn, terwijl ze er buiten de kerk wel zijn; wat weerhoudt hen ervan naar de kerk te komen? Hoe kunnen we een gastvrije(re) gemeente worden? Welke drempels kunnen we verlagen, welke deuren openzetten, opdat we elkaar over-en-weer leren kennen en ze bij ons binnenkomen? Onderkennen we hoe dit ons kan verrijken? In de uitspraken van Jezus of de brief van Jakobus vinden we aanwijzingen voor een christelijke houding tegenover sociaal zwakken en gemarginaliseerden.
Ruth zou kunnen worden gezien als een gelukszoeker. Hoe denkt de gemeente over Nederlanders of vreemdelingen die gebruik willen maken van onze sociale voorzieningen? Welke verantwoordelijkheid hebben we voor een rechtvaardige benadering? Daar moeten we het over kunnen hebben zonder dat we het als kerk kunnen oplossen en zonder dat we onze missionaire roeping verzaken.
Ideeën voor kinderen en jongeren
De kinderen kunnen een tekening maken van het werk op de akker van Boaz. Praat door over wat hen heeft aangesproken.
Een vraag aan kinderen: Hoe is je houding tegenover mensen die er anders uitzien of zich anders gedragen? Vind je het gemakkelijk met zo iemand om te gaan of moet je iets in jezelf overwinnen?
Gesprek met jongeren: Hebben ze ervaring met migranten in hun woonplaats? Hoe kijken ze naar en hoe behandelen ze migranten? Doen anderen het anders? Doen we het goed? Hoe oordelen ze over de houding of het gedrag van migranten, en van de overheid?
Als ons iets overkomt waar we helemaal niet op gerekend hebben, noemen we dit toevallig. Herinneren ze zich een toevallige gebeurtenis. Denken ze er wel eens over na dat we leven onder Gods bestuur?
Geraadpleegd
D.L. Block, Ruth, Exegetical Commentary on the Old Testament, Zondervan
J. Goldingay, Joshua, Judges and Ruth for Everyone, Westminster John Knox Press
L.D. Hawk, Ruth, Apollos Old Testament Commentary, Inter-Varsity Press
L. Morris, Ruth, Judges and Ruth, Tyndale Old Testament Commentaries, Inter-Varsity Press.
Henk Post is in de theologie gepromoveerd aan de Vrije Universiteit. Hij is auteur van diverse boeken en artikelen, en gaat voor in de Protestantse Kerk in Nederland.