Menu

Basis

René Girard en de ontwikkeling van het offer

Wat is een offer nou eigenlijk? In ons eigentijds taalgebruik is het woord offer bepaald niet eenduidig en historisch is er ook geen sprake van een enkel offer, maar van vele offers. Door overdrachtelijk gebruik is het woord offer een metafoor geworden met een veel bredere betekenis dan de oorspronkelijke. Hier tasten we naar een antwoord op de vraag: wat is de ontwikkeling van het bijbelse offer geweest en is er iets te zeggen over de oorsprong ervan?

Gerard van Broekhuizen is theoloog en kunstenaar.

Bij ‘sacrifice’ komen we in de buurt van waar we moeten zijn.

Offer?

Je kijkt naar een uitzending van het journaal en je hoort dat bij een verkeersongeval op (bijvoorbeeld) de A15 drie slachtoffers zijn gevallen. Je begrijpt wat er bedoeld wordt en blikt of bloost niet bij het taalgebruik. Pas als je stil staat bij het woord ‘slachtoffer’ zie je hoezeer dat woord in de loop der tijden is verbreed. Vooral als je tussen de twee delen van het woord een streepje plaatst (in mijn studietijd een ‘Heideggertje’ genoemd) wordt dat duidelijk: slacht-offer. Past dat wel in het verband van een verkeersongeval? Eigenlijk niet (ik bedoel: eigen-lijk niet). Een ander probleem is dat het Nederlands in tegenstelling tot andere talen het woord offer (gave) in het taalgebruik niet specificeert. Terwijl een offer in het Nederlands gewoon een offer is, kun je in het Frans en in het Engels bijvoorbeeld een onderscheid vinden in het gebruik van het woord ‘offerande’ en sacrifice (in beide talen hetzelfde geschreven). Bovendien noem je een verkeersslachtoffer dan gewoon victim(e). Bij ‘sacrifice’ komen we in de buurt van waar we moeten zijn. We herkennen er het Latijnse sacer in met de betekenis van heilig of gewijd en dat maakt dit offer nadrukkelijk religieus. En dat leidt ons hier specifiek naar de Bijbel, ook al kwam het offer als verschijnsel wereldwijd in alle culturen voor.

Beperken we ons tot de Bijbel dan zien we dat daarin geen sprake is van een enkel offer. Er is bijvoorbeeld sprake van brandoffers, vredeoffers, zoenoffers (te onderscheiden in zondeoffers en schuldoffers), spijs-plengoffers en wierookoffers. Ook de toonbroden in de tempel dienen te worden gezien als offer. En dan is er ook nog sprake van mensen-en/of kinderoffers (zie bijvoorbeeld Genesis 22 en Jeremia 19,4-5). Het Hebreeuws heeft voor vrijwel elk offer een eigen woord, waarvan de betekenis niet altijd eenduidig is en waarbij sommige betekenissen elkaar ook overlappen. Zo is met name het onderscheid tussen een zondeoffer en een schuldoffer niet heel duidelijk. Hier zal ik u alle Hebreeuwse offerwoorden besparen, op de meest bekende na. Ons woord ‘brandoffer’ is de gebruikelijke vertaling van het hebreeuwse olah, waarvan de stam ‘opstijgen’ betekent. Het is het (slacht) offer waarvan men door verbranding de rook vanaf het altaar doet opstijgen. (Terzijde zij hier vermeld dat de griekse weergave van olah werd verlatijnst tot holocaustum, ‘geheel verbrand’, en dat wij zo gekomen zijn aan ons woord holocaust.)

Een offer vergt een altaar en een altaar een priester. In de Bijbel kon het altaar een rotssteen als hoogte zijn, zoals die bij Zora waarop Manoah offerde (Rechters 13,19) of een altaar met hoornen zoals gevonden in Megiddo. Bij deze altaren horen priesters, al vanaf het altaar op de voorhof bij de Tabernakel (Exodus 27,9-18; 38,9-20) tot en met de altaren op het ‘voorhof der priesters’ bij de tempel van Salomo en die van Herodes. Met de altaren en de bijbehorende priesters moeten offers gezien worden als een ritueel. Gezien de beperkte ruimte van dit artikel ga ik voorbij aan de uitgebreide beschrijving van de verschillende, of beter, onderscheiden offers in de Bijbel. Wie zo’n beschrijving wenst, vindt die in het tweede deel van het inmiddels al klassieke werk van R. De Vaux, Hoe het oude Israel leefde.

Ontwikkeling

De offervoorschriften in de Bijbel lijken voor de eeuwigheid geschreven, maar dat waren ze niet. Je zou in eerste instantie kunnen denken dat het offer als onveranderd verschijnsel pas van het toneel verdween met de verwoesting van de tweede tempel in het jaar 70 van onze jaartelling. Maar dan gaan we voorbij aan het feit dat het verschijnsel al lang voor die tempelverwoesting in discussie was.

Een paar voorbeelden, zonder volledig te zijn: In Psalm 40,7 zegt de Psalmist over God: ‘Offers en gaven verlangt U niet, brand-en reinigingsoffers vraagt U niet’, en in Psalm 51,18: ‘U wilt van mij geen offerdieren, in brandoffers schept U geen behagen’. Bij de profeten is de Eeuwige zelf aan het woord: ‘Wat moet Ik met al jullie offers? – zegt de HEER. Ik heb genoeg van die schapen, die vetgemeste kalveren; het bloed van stieren, rammen en bokken wil Ik niet meer’ (Jesaja 1,11). Vergelijkbaar lezen we in Jeremia 6,20: ‘Wat heb Ik aan wierook, uit Seba gehaald, aan kalmoes uit een ver land? Jullie brandoffers aanvaard Ik niet, jullie vredeoffers behagen Mij niet’. Wat de Eeuwige dan wel wil, lezen we bijvoorbeeld in Hosea 6,6: ‘Want liefde wil Ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer’.

Ten aanzien van het offer is er dus binnenbijbels al sprake geweest van een ontwikkeling, al verliep die ontwikkeling chronologisch niet in een rechte lijn. Tot aan de verwoesting van de tempel werd er nog steeds volgens de oude voorschriften geofferd. Dat er evenwel sprake was van ontwikkeling (of, hetgeen hetzelfde is, van andere theologische inzichten) is de Franse antropoloog, filosoof, historicus en literatuurwetenschapper René Girard (1923-2015) niet ontgaan. Hij ziet de ontwikkeling en vraagt van daaruit verder terug naar de (mogelijke) oorsprong van het offer als verschijnsel, omdat je moet veronderstellen dat ook dat verschijnsel zelf een vrucht van ontwikkeling moet zijn. Voordat ik hier echter toekom aan een verkorte weergave van zijn theorie of hypothese, moet er eerst nog even stil gestaan worden bij het slachtoffer en bij de zondebok, omdat die in Girards theorie samenvallen.

Het slachtoffer en de zondebok

In Leviticus 16 is sprake van een verzoeningsritueel dat door Aäron (de eerste hogepriester) voltrokken moet worden. Bij dat ritueel is ondermeer sprake van twee bokken. Een daarvan moet letterlijk ge(slacht)offerd worden, terwijl de andere bok levend, zij het beladen met schuld, de woestijn wordt ingestuurd: de zondebok. Met deze laatste bok worden de zonden van het volk meegenomen naar een verlaten gebied (Leviticus 16,22). De functie of de uitwerking van beide bokken is daarmee in feite gelijk; er moet verzoening worden bewerkt en bereikt en in die zin kunnen beide bokken worden gezien als zondebok. Ik kan natuurlijk niet spreken voor de ene of de andere bok – duidelijk is wel dat beide sterven en de bok die geslacht is, naar ik aanneem, sneller dan de andere. Is hier evenwel toch sprake van een minder bloedige ontwikkeling? Mogelijk, al kwamen de letterlijke slachtoffers nog veelvuldig voor.

Slechts bij de spijs-en de wierookoffers is er geen sprake van een slacht-offer. Waar van slachtoffers wel sprake was, hoeven we slechts onze verbeelding aan te spreken om onpasselijk te worden. Verplaatsen we ons naar de eerste of tweede tempel in Jeruzalem in de twee warmste maanden van het jaar (juli en augustus). De gemiddelde temperatuur is er dan 29 graden Celsius. Ooit is zelfs de piek van 44 graden Celsius gemeten. In die omstandigheid is slachten geen feest. Het moet er vreselijk gestonken hebben. Niet slechts vanwege de rook, maar zeker ook vanwege de stank van ranzig vet en al of niet geronnen bloed. Vergeleken met de daadwerkelijke slachters (zij die de slacht uitvoerden) kwam de hogepriester er dan nog goed vanaf. Na de slacht beperkte hij zich met zijn vingers slechts tot het sprenkelen van het bloed op het verzoendeksel in het heilige der heiligen en daar ook vóór (Leviticus 16,14). Schoongemaakt zal er niet zijn omdat bloed nu eenmaal werd gezien als symbool van het leven zelf (zie onder andere Genesis 9,4 en Deuteronomium 12,23). Dat er ter plekke ook sprake was van een reukofferaltaar met wierook kan diepe redenen hebben, al kunnen we een praktische natuurlijk ook goed verzinnen. Wierook helpt (als het je niet tegenstaat) ook tegen stank.

Waarom doe je zoiets? Die vraag leidt naar de mogelijke oorsprong van offers in de Bijbel en daarbuiten, en naar de ontwikkeling ervan. Volgens René Girard zijn offers bedoeld:

1. om de goden van wie men ze heeft geleerd te behagen;

2. om de onderlinge rust en vrede in de samenleving, indien nodig, te waarborgen of te herstellen.

René Girard

In het bestek van dit artikel kan ik aan het gedachtegoed van Girard onmogelijk recht doen, maar een vereenvoudigde weergave van zijn theorie is hopelijk toch genoeg om licht te laten schijnen op het verschijnsel offer in de Bijbel.

Girard gaat uit van wat hij mimesis of mimetisme noemt. Nabootsing in menselijk gedrag of verlangen. Je kunt ook zeggen: begeren. Girard gaat er, vooral na studie van belangrijke werken in de wereldliteratuur, vanuit dat begeren onze gevoeligste en zwakste menselijke snaar is. Als de ene mens begeert wat de andere heeft, of begeert (als) de ander te zijn (nabootsing), dan is er sprake van rivaliteit en die rivaliteit kan gemakkelijk leiden tot geweld. Nooit anders geweest. Dat kan in beperkte verhoudingen een tijd goed gaan, maar in een breder verband als een grote groep of een samenleving uiteindelijk ook ontsporen. Dat laatste leidt volgens Girard tot mimetische crises, waarbij uiteindelijk alle leden van een groep zich tegen elkaar richten in collectief geweld. De vijandigheid van allen tegen allen. Het is de homo homini lupus (‘de ene mens is de andere een wolf’) van Thomas Hobbes. Dat geweld nu moet, om het voortbestaan van een samenleving te garanderen (en om in breder verband cultuur te genereren), bezworen worden. En dus moet er iets of iemand gevonden worden die schuldig wordt geacht aan de ontstane chaos. ‘Iemand’ kan, blijkens de jodenvervolgingen die leidden tot moord op ongekende schaal, overigens ook een volk zijn. In ieder geval verschijnt hier de zondebok in overdrachtelijke zin. Door de groep wordt aan hem of haar de oorsprong van het onheil, de chaos of het geweld toegeschreven en dus moet hij of zij boeten voor het belang van het geheel en worden uitgebannen – doorgaans door moord. Barbertje moet hangen. Na het liquideren van de zondebok keert de rust voor enige tijd in de samenleving terug omdat men ervan uitging dat verder onheil was afgewend. Vervolgens wordt de zondebok voor die rust postuum geprezen en in mythen zelfs vergoddelijkt, totdat het hele circus van mimetisme met bijbehorend geweld zich opnieuw kan herhalen. De geschiedenis toont in de literatuur (waaronder vele mythen) en dus ook in de Bijbel talloze voorbeelden van dit proces.

Zolang als er mensen in een samenleving bestaan, worden er dus ook mensen ten behoeve van rust en vrede in die samenleving opgeofferd. En het is uitgerekend een hogepriester (Kajafas) die hier, volgens het evangelie van Johannes, tijdens het proces tegen Jezus uiting aan geeft: ‘Hij was het die de Joden had voorgehouden: Het is goed dat één man sterft voor het hele volk’ (Johannes 18,14).

Volgens Girard zie je in mythen wereldwijd dat de zondebokken ook altijd werkelijk schuldig werden geacht. In de Bijbel is dat echter anders zegt hij. Keer op keer blijkt de zondebok daar werkelijk onschuldig, met de veroordeling van – en de moord op Jezus als kroonvoorbeeld.

Afsluitend

René Girard is geprezen en bekritiseerd. Hij is wel de Einstein en de Darwin van de menswetenschappen genoemd, en ook de Hegel van het christendom. Waarbij dat laatste in mijn ogen een nogal bedenkelijke eer is. Kritiek kreeg hij ook. Men verweet hem de teksten die zijn hypothesen moeten ondersteunen soms te verdraaien. Guy Stroumsa, die zelf schreef over het eind van de offercultuur, zegt evenwel: Het is niet nodig de hele mimetische theorie van Girard te onderschrijven om hem erkenning te geven voor het oerkarakter van het offerinstituut in oude culturen. Blijft dus staan dat Girard op zijn minst te denken geeft. Als hij op hoofdlijnen gelijk heeft dan zijn de bloedige offerrituelen met dieren zoals we die vinden in de Bijbel cultureel een stap vooruit geweest in de beschaving van de mensheid omdat ze de plaats hebben ingenomen van daadwerkelijke menselijke zondebokken en slachtoffers in een gewelddadige voortijd. De binnenbijbelse kritiek op het offerritueel bij de profeten zoals hierboven genoemd, is dan weer een enorme stap verder naar een samenleving die menselijker zou moeten zijn. Voor Stroumsa is het zelfs een belangrijke stap geweest in de uiteindelijke ontwikkeling van de drie boekreligies: jodendom, christendom en islam.

De ontwikkeling van het offer is, zoals eerder gezegd, niet rechtlijnig. Bij Kaïn en Abel zien we dat beiden volgens de schrijver al een offerritueel uitvoeren, terwijl dat niet wegneemt dat de een vervolgens toch letterlijk slachtoffer wordt van de ander (Genesis 4). Onschuldig, want er wordt geen enkele reden voor schuld gegeven. Het is de Mimesis van Girard.

Tot slot: Met iedere nieuwe stap in het veld van het offerverschijnsel zijn oudere machinaties helaas nog niet verdwenen. Er wordt nog steeds gemoord. Al is er met de ontwikkelingen al wel een nieuwe richting gewezen. De vraag die daarbij open ligt, is wat we daar dan mee doen.

Literatuur

• R. de Vaux, Hoe het oude Israel leefde. Deel 2 (Utrecht: Wristers, 1978).

• René Girard, De Zondebok (Kampen: Kok Agora, 1986).

• René Girard, Ik zie Satan vallen als een bliksem (Kampen: Agora, 2000).

• Guy Stroumsa, The End of Sacrifice: Religious Transformations in Late Antiquity (Chicago: University of Chicago Press, 2009).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken