Een kerk zonder sterallures
Hoe reageert de kerk op de crisis van leegloop en krimp? Andrew Root, praktisch theoloog in Amerika, beantwoordt die vraag in een inspirerend boek. Dit artikel geeft er een indruk van.
Hoe reageert de kerk op de crisis van leegloop en krimp? Andrew Root, praktisch theoloog in Amerika, beantwoordt die vraag in een inspirerend boek. Dit artikel geeft er een indruk van.
Het derde praktijkverhaal komt uit Beekbergen, waar een gemeente-brede toerusting op gang gebracht is met hulp van het Focus-traject van de IZB. Hier volgt een korte beschrijving.
Zending en evangelisatie waren veelal de beweging van de kerk naar buiten. Tot ze een noodlijdend bestaan hadden… Hoe buig je dat om? Hoe gaan bewegingen naar binnen én buiten elkaar versterken?
In de inleiding op dit themanummer leest u een korte aanduiding van de verschillende artikelen, waardoor al blijkt wat met ‘de geestelijke dimensie’ in de titel wordt bedoeld.
Hoe gaan we – ook in onze gemeenten vandaag de dag – om met lastige vragen, problemen, ethische kwesties enz.? In dit artikel wordt een weg gewezen, die zijn bronnen heeft in brieven van de Apostel Paulus
De zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren heet Weeskinderen- of Wezenzondag. De volgelingen van Jezus zijn als weeskinderen achtergelaten.
Twaalf eeuwen na Jezus’ Hemelvaart voltrekt zich iets soortgelijks rond Franciscus van Assisi. Toen hij wist dat zijn boodschap was overgekomen, trok hij zich terug als leider. En toen hij stierf, liet hij een beweging achter die zelfstandig verder moest.
Ouderlingen staan in de kerk voor goed bestuur en identiteit. Ze helpen die kwaliteiten te borgen en te communiceren naar binnen en naar buiten. Hun ambt groeit met de tijd mee, maar de kern ervan blijft herkenbaar.
Als vader altijd de band van je fiets plakt, leer je het nooit zelf…! Zoiets is aan de orde bij de kernwaarde ‘verantwoordelijkheid geven’. Maar hoe doe je dat dan? Kunnen jongeren dat wel? Belangrijker misschien: wil en kan de gemeente dat wel? Een leerproject…
‘Genesis 1 kun je maar beter niet opvatten als pseudowetenschap, en nog minder als mythe, maar het beste als jurisprudentie. Dat wil zeggen: als het fundament van morele wetmatigheden.’