Ruimhartig delen
6e zondag van de zomer (Genesis 18,20-33, Psalm 138, Kolossenzen 2,6-15 en Lucas 11,1-13)
Onze relatie met God is een van de thema’s die de vier lezingen voor deze zondag gemeenschappelijk hebben. In de evangelielezing onderwijst Jezus zijn leerlingen over gebed als vriendschap. In de Genesislezing zien we hoe het gebed van een van Gods intiemste vrienden in de praktijk gestalte krijgt. In Kolossenzen roept Paulus de gemeente op tot wandelen met God in een relatie die gebouwd is op en geworteld is in Christus. De psalm bezingt biddend die hechte relatie en de verlossing die deze brengt.
Het gebed dat Jezus in Lucas 11 aan zijn leerlingen leert, komt niet alleen hier voor. Matteüs geeft een langere versie met andere accenten. Lucas’ versie is korter en bondiger. Het is tegelijk een gebed, een belijdenis en een oproep aan de gelovige gemeenschap: Vaders naam geheiligd, Gods regering nabij, brood van morgen vandaag, zonden vergeven, schuld kwijtgescholden, vrij van beproeving.
In de relatie met God is het heiligen, het (om)hooghouden van Gods naam een eerste prioriteit. Gebed begint met de onuitsprekelijke naam recht te doen en hoog te houden. De aanspreekvorm ‘Vader’ die hier gebruikt wordt, is – in tegenstelling tot wat sommigen beweerd hebben (Kittel in zijn woordenboek en Jeremias in zijn commentaar) – niet anders of intiemer dan wat in de joodse traditie gewoonte was en is. Eerder kunnen we er een contrast in horen met de vaders in de Grieks-Romeinse wereld: de almachtige pater familias, of de keizers die zich soms als vader van de natie lieten betitelen, vaders die zich vaak opstelden als genadeloze schuldeisers die het welzijn van hen over wie ze macht uitoefenden, niet als eerste prioriteit hadden. Het is een politiek contrast: de Vader staat boven de pater familias en de vaderlijke keizer. De God wiens naam wij heiligen, is iemand op wie we een beroep mogen doen om ons het brood van morgen vandaag te geven en ons te bevrijden van schuld en beproeving.
Dagelijks brood in vrijheid
Het dagelijks brood kan gelezen worden als brood voor vandaag én morgen, bestaanszekerheid die verder reikt dan het hier en nu. Tegelijk kan het een bede zijn om het brood van de grote morgen, wanneer er geen gebrek meer zal zijn en het hemels banket in vrede en gemeenschap geproefd kan worden, nu al gestalte te laten krijgen.
Vergeef ons onze zonden, bidt Lucas. Anders dan Matteüs maakt Lucas een onderscheid met de schulden die wij elkaar vergeven. Als wij voor God staan vragen we om vergeving, terwijl tegelijk van ons verwacht wordt dat die vergeving die wij van de Vader vragen, ook in onze relatie met elkaar materieel gestalte krijgt. Hier klinkt het ideaal door van een christelijke gemeenschap waarin alles gedeeld wordt en niemand gebrek heeft. Het koninkrijk vandaag, het brood van morgen nu, geen schulden die ons gevangen houden, en geen verleiding om anders dan ruimhartig te leven.
De gelijkenis die Jezus als commentaar op het gebed geeft, benadrukt dit. Er is een woordspel waarin twee dingen door elkaar lopen: God als vriend en menselijke vriendschap. God is de vriend op wie een beroep kan worden gedaan; maar ook in de christelijke gemeenschap die Lucas voor ogen heeft kunnen vrienden in Christus een beroep doen op elkaar, kun je elkaar midden in de nacht wakker maken voor brood, zelfs voor brood voor een ander. In die gemeenschap worden we geroepen om God en elkaar niet met rust te laten tot iedereen te eten heeft en het koninkrijk hier op aarde gestalte krijgt. En om alles te geven, het brood van morgen vandaag, zelfs als we het risico lopen (zoals de vriend) dat we zelf morgen zonder brood zullen zijn.
Intieme relatie
In het verhaal van Abraham in Genesis 18 vinden we een voorbeeld van een gebed binnen die intieme, wederzijdse en (verrassend) gelijkwaardige vriendschapsrelatie waarnaar Lucas in de gelijkenis verwijst. God aarzelt om zijn vriend in vertrouwen te nemen. Zal Hij hem belasten met wat Hem op het hart ligt? God staat voor Abraham en Abraham roept God ter verantwoording. Hij eist recht en gerechtigheid, herinnert God aan zijn belofte om op een andere manier Vader te zijn dan de wereld verwacht. God wil toch niet een wereld waar de goeden met de kwaden lijden en geweld het wint van genade? Het ging toch om een wereld waar twee handen vol rechtvaardigen het tij kunnen keren? Tien mensen die de wet houden, tien mensen slechts in wie Gods bedoeling met de wereld die Hij met tien scheppingswoorden tot aanzijn heeft geroepen, gestalte krijgt. Abraham sjachert en God luistert. Maar tien zal niet genoeg blijken te zijn. Er is een ondergrens aan Gods geduld.
Mettertijd zal die ondergrens veranderen, want het evangelie leert ons dat God, door Christus alleen, de wereld redt (bijv. Joh. 3,17) en dat God zichzelf geeft zonder terug te vragen. Daarover horen we ook in de lezing uit Kolossenzen. We leven in Christus in een intieme relatie met God en hebben geen andere machten of filosofieën nodig om ons te redden. Onze schuld is aan het kruis genageld, wat een fysiek beeld is dat spreekt van het bloed, het lijden en de pijn die God in Christus voor zijn vrienden overheeft. God is een vriend die midden in de nacht de verleiding zich om te draaien weerstaat, die bereid is het brood van morgen vandaag te geven aan wie het nodig heeft, die vandaag het koninkrijk gestalte geeft dat voor morgen nog uitstaat. En die ons als vrienden roept om niet op te geven, Gods naam te heiligen en elkaar ruimhartig met leven en vrijheid te bedelen.
Deze exegese is opgesteld door Anneke Oppewal.