Menu

Premium

Slachtofferhulp

Een doekje voor het bloeden?

Het slachtoffer staat in de picture. ‘Het feit dat andere mensen me slachtoffer noemen betekent niet dat ik dat ook ben. Anderen kunnen dat niet voor je bepalen. Dat kun je alleen zelf (…). Ik wil serieus genomen worden en ik wil dat wat er in mijn zaak is gebeurd niet onder het kleed wordt geveegd.’[1] Aldus Natascha Kampusch. Hoe kunnen we haar beter noemen? Overlever, doorvechter? Het is tijd om na te denken over de woorden ‘slachtoffer’ en ‘slachtofferhulp’.

Ik kijk naar het woord ‘slachtofferhulp’ en zie drie woorden: slacht, offer en hulp. Er komen heel wat associaties in me omhoog. Ik denk aan eerste hulp bij ongelukken: er is bijvoorbeeld een slachtoffer van een ongeluk of een geweld-misdrijf. Ik denk aan een slachtpartij: er zijn mensen afgeslacht. Ik zie beelden voor me uit Syrië, uit Centraal-Afrika, uit zo veel plaatsen. Er heeft in de naam van een heilig doel een slachting plaatsgevonden. Mensen worden geofferd voor een ideaal of voor het krijgen van zeggenschap over grondstoffen. Helaas woont de bevolking op het gebied waar een mijn moet komen. De bevolking wordt afgeslacht. Wie helpt? Ik denk aan mensen die dagelijks worden geslachtofferd. Kinderen die op school worden gepest, kinderen van de rekening. Kinderen die thuis of in een internaat of een instelling worden misbruikt, steeds maar weer. Wie helpt? De kindertelefoon, slachtofferhulp? Bij wie kunnen ze terecht? Ik denk aan de vele telefoontjes die we in 2011 als IKON-pastores kregen van rooms-katholieke slachtoffers van seksueel misbruik in pastorale relaties, die soms voor het eerst na zo veel jaren hun mond opendeden.

Bijbelse slachtoffers

Haast vanzelfsprekend hebben we het in onze taal over slachtoffers. Dat woord heeft een religieuze betekenis. We komen op vele plaatsen in de Bijbel de brand- en slachtoffers tegen die aan God gebracht worden. Ook zien we op verschillende plaatsen de overtuiging dat God geen behagen heeft in brand- en slachtoffers (Ps.40:7; Jer.6:20; Hos.6:6; 9:4; Mi. 6:6-8). De uitspraak in Micha 6:8: ‘Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de Heer van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God’, staat op gespannen voet met een liturgie die de nadruk legt op het brengen van offers aan God. Die spanning ontstaat vanuit de ervaring dat een volk God slachtoffers brengen en tegelijkertijd de armen, de weduwen, wezen en vreemdelingen tot slachtoffers maakt. Die dubbelheid is God een gruwel. Die spanning bracht Bonhoeffer rond een van zijn colleges op Finkenwalde onder woorden toen hij zei: ‘Nur wer für die Juden schreit, darf gregorianisch singen.’ Hij zei dat op een moment dat er in de Evangelische Kirche een discussie aan de gang was over het wel of niet zingen van gregoriaans. De liturgische prioriteit is het opkomen voor de Joden.

Cornelis Verhoeven over ‘slachtoffer’.

Wat gebeurt er als dit woord ‘slachtoffer’, dat afkomstig is uit de offerliturgie, gemeengoed wordt in ons seculiere taalgebruik? Daarover zegt de filosoof Cornelis Verhoeven behartigenswaardige dingen in zijn kanttekeningen bij het woord ‘slachtoffer’.[2] Verhoeven ontdekt enkele merkwaardige trekjes in de gangbare betekenis van het woord ‘slachtoffer’:

Hij merkt op dat tegelijk met een zeker mededogen in het woord een schijn van redelijkheid meekomt. In een zin als ‘Het verkeer eist dagelijks slachtoffers’ lijkt het alsof ‘het verkeer’ een levend wezen is, een monster dat eisen stelt. Als wij bereid zijn om ons bloed te offeren, mogen we gebruikmaken van de diensten van het monster. We hebben ons er langzamerhand aan gewend het offer te beschouwen als een prijs die we moeten betalen voor een dienst die ons geleverd wordt. We zien er zelfs het redelijke van in.

Een ander merkwaardig trekje ziet Verhoeven in de manier waarop het woord gebruikt wordt, namelijk vrijwel uitsluitend voor wezens die de dood vinden zonder schuld. Verhoeven ziet dat al in de aloude magische offerprakrijk. Niet de tijgers, de leeuwen en de hyena’s worden geofferd, maar runderen, varkens, lammeren en duiven.

In deze kroniek wil ik de nadruk leggen op nóg een denker die ons helpt om het slachtoffer op het spoor te komen, sterker nog, die ons de oorsprong van het maken van slachtoffers wil laten zien en die ons als theologen helpt om anders te kijken. Ik heb het over de literatuurwetenschapper René Girard. Girard helpt ons zicht te krijgen op het slachtoffermechanisme. Ook een vorm van hulp bij het kijken naar slachtoffers.

Mimesis

Girard zegt dat de menselijke cultuur uitgaat van een mateloze begeerte. Een begeerte die niet alleen maar gericht is op het hebben van het bezit van de ander, maar ook op het zijn van de ander. De mens wil de ander nabootsen (mimesis). Dat nabootsen leidt tot grote rivaliteit, tot conflicten en uiteindelijk tot geweld. Dat geweld ontaarden in een eindeloze spiraal. Hoe is dat geweld te beperken?

Offer

Girard stelt dat in deze rivaliserende cultuur het brengen van offers dient tot een kanalisering van het geweld. Het offeren van mensen en dieren, en andere religieuze offerhandelingen dienen ertoe om de eenheid tussen rivaliserende groepen te bewaren en te herstellen. In dit kader wijst Girard op de functie van de zondebok. Hij noemt dit het slachtoffermechanisme. Eén slachtoffer sterft voor het geheel. Als dit offer gebracht is, keert de rust in de groep terug. Girard ontmaskert in zijn werk de drijfveren achter onze cultuur, achter ons mens-zijn. De op het eerste gezicht beschaafde en fatsoenlijke cultuur is een cultuur die als het moet over lijken gaat. Hij toont dat met talloze voorbeelden aan.

Van zondebok tot redder

Girard wijst in zijn werk op de samenhang tussen godsdienst en geweld. Bij het lezen van de Bijbel valt het Girard op dat op het eerste gezicht ook in de Bijbel dat zondebokmechanisme sterk is. Denk aan de moord van Kaïn op Abel, denk aan het offer van Isaak. Maar wie goed leest, ziet dat God daar intervenieert en het handelen van Kaïn ter discussie stelt. God is degene die de vraag stelt:

Kaïn, waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker2 Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken2 Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij (Gen. 4:6-7).

God probeert de moord te voorkomen. Girard wil komen tot een niet-sacrificiële lezing van de evangelieteksten, een lezing ontdaan van alle offersymboliek. Waarom? Girard leest in de Bijbel een onthulling van het zondebokmechanisme. De waarheid erachter wordt geopenbaard. In de liederen over de knecht des Heren in Jesaja wordt de onschuld van het slachtoffer beklemtoond. ‘Wij echter zagen hem als een verstoteling door God geslagen en vernederd’ (Jes.43:5). Girard zegt dat de bijbelteksten verschillen van de mythen omdat ze niet vertellen dat de zondebokken terecht zondebokken zijn die gedood moeten worden, maar de zondebokken tekenen als ten onrechte beschuldigde slachtoffers. Volgens Girard demystificeert de Schrift het zondebokmechanisme in plaats van het te mystificeren, het voor te stellen als waarheid. In de bijbelteksten ziet Girard de waarheid onthuld over de zondebok. Een gemeenschap die onschuldigen vermoordt, wordt aangeklaagd. Maar stelt Girard zichzelf en ons de vraag: is Jezus ook geen vergoddelijkte zondebok, zoals al die zondebokken die na hun dood tot held of godheid verheven zijn omdat ze door hun dood rust of vrede hebben bewerkstelligd? Nee, zegt Girard,

Jezus is God niet omdat ook hij een efficiënte zondebok is, maar omdat hij als een ondoeltreffende zondebok voor eens en voor altijd en op de hele wereld een einde stelt aan het regime van de vergoddelijkte zondebokken.[3]

Zo helpt Girard ons om datgene wat verborgen was vanaf het begin van de schepping te ontdekken.

Problematisering van het woord slachtoffer

In het spoor van Girard pleit de Tilburgse hoogleraar victimologie en menselijke veiligheid Jan van Dijk ervoor om het woord ‘slachtoffer’ niet meer te gebruiken voor iemand die schade heeft opgelopen door misdadig gedrag van een ander. Het is een verhullend woord. Er komt een waas van zieligheid om het slachtoffer te hangen. Van Dijk pleit voor empowerment, voor een grotere positie van het slachtoffer binnen het strafrecht. Hij ziet voor de nabije toekomst als wenkend perspectief een wederzijdse kruisbestuiving tussen het christelijke en het islamitische strafrecht voor wat betreft de positie van de gedupeerde partij. Van Dijk ziet archaïsche trekken in de sharia-wetgeving. Hij vindt dat het Arabische strafrecht een ingrijpende moderniseringsslag zou moeten ondergaan. Maar omgekeerd, zegt hij, kan de sterkere procedurele positie van de gedupeerde in het Arabische strafrecht aan het westerse strafrecht ten voorbeeld worden gesteld.[4] Stapje voor stapje, zegt Van Dijk, wordt in het strafrecht de positie van het slachtoffer in ere hersteld. In het strafproces van de toekomst zullen de gedupeerden, overlevers of nabestaanden uitgebreid aan het woord komen.

Wat ik leer van Verhoeven, Girard en Van Dijk is om iedere keer opnieuw de vraag te stellen waarom we het woord ‘slachtoffer’ gebruiken en niet een ander woord. Waarom zeggen we bij een verkeersongeluk: ‘Op de A15 zijn drie slachtoffers gevallen’, en niet: ‘Een automobilist uit X heeft drie mensen doodgereden’ of: ‘Bij een botsing vanwege de gladheid zijn drie mensen om het leven gekomen’. Waarom steeds die slachtofferterminologie? Helpen we daar de mensen mee die het betreft of slachtofferen we hen? Ik heb in deze kroniek te weinig recht kunnen doen aan een denker als Girard. Daarom: neem en lees.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken