Strijd om een land – Arie Kok
Het bloedbad dat in Gaza is aangericht sinds 7 oktober 2023 zette Arie Kok ertoe aan een boekje te schrijven waarin hij in honderd korte hoofdstukjes de belangrijkste thema’s van het conflict tussen Israël en de Palestijnen beschrijft. Hij nam daarin ook bijdragen op van Dineke Houtman, Joas Wagemakers en Bart Wallet.
Voor Kok is de kernvraag: “Hoe zijn we hierin terechtgekomen?” (p. 8) Hij zegt dat met name in het begin van de twintigste eeuw afslagen zijn genomen waarvan we nu de uitwerking zien. (p. 8) Dat lijkt me een goed uitgangspunt om de situatie van vandaag de dag te kunnen begrijpen. Kok legt zichzelf een zware taak op: hij wil aan “vredesjournalistiek” doen door de context van de problematiek te schetsen en de mensen in beeld te brengen “die het meest onder het onrecht lijden.” (p. 8)
Hij wil het advies van paus Leo XIII implementeren: “communiceer eerlijk en vriendelijk. Want: zalig zijn de vredestichters.” Aangezien Kok aan de lezer vraagt of dit ook gelukt is (p. 9), zal ik daarop mijn antwoord geven.
“Geschiedenis is een discussie zonder eind,” zei de historicus Pieter Geyl. Om kort en bondig en op een objectieve manier de laatste honderd jaar van zionisme, Israël en de Palestijnen te beschrijven is niet makkelijk. In de discussies vallen de partijen over elke punt en komma. Zelfs over het ontbreken van het woordje the in Resolutie 242, die Israël opriep zich uit (de) bezette gebieden terug te trekken, wordt gediscussieerd. (p. 67)
Van belang vind ik dat Kok zegt dat joden, christenen en moslims in de Ottomaanse tijd “overwegend vreedzaam” met elkaar omgingen. Daarmee ontkracht hij de doemdenkers die menen dat joden en moslims nooit in vrede met elkaar zouden kunnen leven. De verandering kwam door “ontwikkelingen in Europa die migratiestromen op gang brachten” die de regio een heel ander aanzien gaven. (p. 18) Ik zou daaraan toevoegen dat het Europese nationalisme in het Midden-Oosten intussen ook groeide onder de Arabische elites vanaf het midden van de 19de eeuw, waarbij men aan nationale grenzen en het Arabisch als nationale taal ging denken. Nog los van immigratiestromen van zionisten zorgde ook dit voor een breuk met het traditionele systeem van millets in het Ottomaanse rijk.
Dat was een systeem dat alle religieuze groepen (de millets) een grote mate van autonomie gaf als waren het naties, los van de vraag waar de aanhangers van die groepen woonden. Dat zorgde eeuwenlang voor redelijk vreedzame omgangsvormen.
De bespreking van antisemitisme vind ik goed; ook de stelling dat joden in de geschiedenis meer van christenen dan van moslims te duchten hadden, is belangrijk. (p. 25) Dat geeft hoop op oplossingen in het Midden-Oosten. Dat het anti-joodse sentiment in de huidige Arabische wereld vooral een reactie is op het ontstaan van Israël, lijkt me correct. Kok spreekt over religieus geïnspireerd antizionisme. (p. 30)
Maar kunnen we dit dan ook antisemitisme noemen? Kok gaat in op de twee gangbare definities van antisemitisme. Een door Israël zelf sterk gestimuleerde definitie van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA) is sterk politiek gekleurd. Ook de Tweede Kamer in Nederland adopteerde deze definitie. Volgens de IHRA is al sprake van antisemitisme “wanneer de staat Israël, opgevat als een joods collectief gegeven, in het vizier wordt genomen.” De indruk wordt gewekt dat kritiek leveren op de staat Israël per definitie al antisemitisme is. (p. 31–32)
De andere definitie wordt meer door wetenschappers gebruikt: de Jerusalem Declaration on Antisemitism (JDA). Kritiek op de staat Israël hoeft niet antisemitisch te zijn. Volgens deze definitie is het dat alleen wanneer de kritiek op Israël samenhangt met het Joods-zijn van die staat. (p. 32) Kok gaat hier verder niet op in, maar het antizionisme in de Arabische wereld heeft natuurlijk wel degelijk geleid tot een enorme antipathie tegen Joden in het algemeen. Daarbij worden de tropen van het Europese antisemitisme van de vorige eeuw dankbaar herhaald. De Protocollen van de Wijzen van Zion worden in het Arabisch keer op keer herdrukt.
Goed dat Kok ook de nodige aandacht besteedt aan het ontstaan van het zionisme. Het was aanvankelijk vooral een seculiere beweging en de meeste joden in Europa hadden er geen sympathie voor. (p. 36–37) Terecht wijst schrijver erop dat de Balfourverklaring eigenlijk heel weinig zei. Er was in elk geval geen sprake van de belofte van een onafhankelijke staat aan joden. (p. 44)
Waarom noemt Kok de terreuraanslag van de Joodse Irgoen in 1946 tegen het King David Hotel in Jeruzalem? Wellicht omdat de latere premier van Israël, Menachem Begin, de leiding gaf aan die terroristen? Dat ondermijnt argumenten van Israël dat het niet met terroristen van Palestijnse kant kan onderhandelen, lijkt me. (p. 49) Ook de zionistische beweging gebruikte excessief geweld bij het bereiken van haar doelen. (p. 52)
In een bijdrage van Bart Wallet over waar de joodse immigranten die naar Israël trokken precies vandaan kwamen, had hij wat duidelijker kunnen zijn over de positie van joden in de Arabische wereld, die “steeds nijpender” werd en waardoor zij “massaal toevlucht in Israël” zochten. Dat was pas nadat de staat Israël was gesticht en de anti-joodse sentimenten in de Arabische wereld enorm toenamen. Het is tragisch voor landen als Egypte, Irak, Syrië en Libanon dat zij hierdoor zoveel goede joodse burgers kwijtraakten. (p. 49)
Wallet schrijft over de 700.000 Palestijnen die in 1947–1948 uit hun huizen vluchtten voor de komst van de joodse legers. Interessant is hoe hij schrijft over de vraag in hoeverre er een Israëlisch plan was om de gebieden te ontdoen van de Palestijnse bevolking. Hij geeft twee opties die in Israël gangbaar zijn. Het meerderheidsstandpunt is dat dit een militair plan was voor specifieke situaties om de Palestijnse burgerbevolking te redden. Het minderheidsstandpunt is dat het niets minder was dan een poging tot etnische zuivering (p. 55). Kok volgt, m.i. terecht, deze gedachtengang: “Vanaf het begin af aan werd er rekening gehouden met al dan niet gewelddadige verdrijving van de Palestijnse bevolking.” (p. 61)
Ik zou liever niet de term Jom Kippoeroorlog gebruiken. Dan bekijken je de oorlog vanuit de kant van Israeël. Waarom niet wat neutraler spreken over de oorlog van Oktober 1973? (p. 65) Goed dat Kok kritiek levert op het imago van Israël als de kleine David die tegen de Arabische Goliath moest strijden in 1967. Die oorlog bewees juist hoe oppermachtig Israël was. (p. 63)
Sadat werd in 1981 niet vermoord om zijn erkenning van de staat Israël, zoals de schrijver stelt. (p. 68) Dat is het Midden-Oosten te veel door de lens van de strijd tussen Israël en Arabieren bekeken. Islamistische bewegingen doodden Sadat omdat hij niet volgens de islamitische sharia regeerde, wat hem feitelijk tot een afvallige maakte die daarom de doodstraf verdiende, aldus de redenering van de moordenaars. Zijn erkenning van Israël was hier maar een klein onderdeeltje van.
Kok beschrijft Hezbollah. (p. 71) Hij had even kunnen vermelden dat dit een sjiitische Libanese beweging is. Ik zou hen niet primair een protestbeweging tegen de Israëlische bezetting van Zuid-Libanon noemen. Die bezetting is al lang voorbij en Hezbollah is springlevend. Het is de sjiitische vorm van het islamisme dat in vrijwel alle landen van het Midden-Oosten populair werd sinds de jaren ’70.
Joas Wagemakers bespreekt Hamas. Jammer dat dit zo kort moest zijn. Hij maakt wel duidelijk dat de typering die Israël graag aan Hamas geeft — als niets anders dan een terreurbeweging die Israël van de kaart wil vegen — op zijn minst eenzijdig is. Hij laat zien hoe Hamas in theorie vasthoudt aan de droom van de “bevrijding van heel Palestina”, maar in de praktijk gestalte wil geven aan de wens van de meeste Palestijnen om een eigen staat in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever te hebben. (p. 75) Ook zegt hij dat Hamas nationalistische motieven heeft, maar dat zij deze ondersteunt met religieuze argumenten. (p. 75) Het gaat om land.
Wat me een beetje tegenvalt is hoe Dineke Houtman stelt dat het ontkennen van het recht op bestaan van Israël antisemitisme zou zijn. Haar vraag is: “Wat zou de reden kunnen zijn om het door de VN gelegitimeerde bestaansrecht van Israël niet te erkennen, behalve dat men het de joden niet gunt?” (p. 96) Ik erken het bestaansrecht van Israël binnen de grenzen van 1967 volledig, maar de logica ontgaat me. Als staten in 1947 tegen de oprichting van Israël konden stemmen, waarom zou je nu dan niet van mening mogen zijn dat het verdelingsplan en de oprichting van een onafhankelijke joodse staat verkeerd waren? Je kunt bijvoorbeeld van mening zijn dat aan de Palestijnen een zo groot onrecht is gedaan dat dit moet worden rechtgezet. Het lijkt me overigens evenzeer onrecht als dat vandaag ten koste zou gaan van acht miljoen Israëli’s.
Als je inderdaad vindt dat het ontkennen van het bestaansrecht van de staat Israël antisemitisch is, dan is ook het ontkennen van het bestaansrecht van een Palestijnse staat naast Israël racistisch te noemen. Dat Houtman in dit verband zegt dat Palestina nooit onafhankelijk is geweest en altijd onder extern bestuur stond, vind ik niet ter zake doen. Het zelfbeschikkingsrecht van de volken, dat in het internationaal recht is vastgelegd, gaat niet over de vraag hoe een volk voorheen werd bestuurd, maar over het recht van een lokaal volk om zelf over zijn lot te beschikken. Dat recht hebben de Palestijnen ook — net als Israël.
Als lezer vind ik dat Kok in zijn doel is geslaagd. Ik heb er nieuwe inzichten door gekregen, en Kok vermijdt eenzijdigheden en geeft eerlijk en met respect voor alle partijen aan hoe zij in de huidige misère zijn beland.
Jozef Martinus (Jos) Strengholt (Beverwijk, 7 februari 1959) is een Nederlands schrijver, journalist, ondernemer, theoloog en anglicaans priester.
Arie Kok, Strijd om een land. Israël-Palestina in 100 vragen en antwoorden. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers, 2025. 96 pp. € 14,99. ISBN 9789043543774
