Derde zondag van de Advent
OT: Jesaja 35,1 -10 Psalm: Psalm 146 EV: Matteüs 11,2 -11 Epistel: Jakobus 5,7 -10 Overig: Jesaja 35,1 -10 Alternatieven:
OT: Jesaja 35,1 -10 Psalm: Psalm 146 EV: Matteüs 11,2 -11 Epistel: Jakobus 5,7 -10 Overig: Jesaja 35,1 -10 Alternatieven:
Deze passage uit de Filippenzenbrief staat vol krachtige taal en beelden, die ook in het kader van Advent prachtig oplichten. Het is zinvol eerst nader te bezien waartegen Paulus zich verzet, om vervolgens stil te staan bij de weg van Christus waaraan hij zich wil spiegelen.
De Adventstijd is een tijd van verwachting. De lezing uit Jesaja 65 sluit daar mooi bij aan. Het gaat er over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Het leven is er goed en iedereen is gelukkig. Alle ellende en alle verdriet van vroeger worden vergeten. Het meeste in dit gedeelte zal de kerkgangers onmiddellijk aanspreken. De enige dissonant lijkt te zijn dat mensen uiteindelijk toch zullen sterven, al is het dan op een hoge leeftijd.
Wat mensen tot volk van God en verwanten van Jezus maakt is niet een eventuele bloedverwantschap, maar dat zij zich achter hetzelfde doel stellen. Doen wat God wil is de toetssteen van de onderlinge relaties en schept een verbondenheid die de bloedband te boven gaat. Zo ontstaat één volk van God in het Rijk van de Vader.
Hoeveel mensen zouden er zijn die zich aangetrokken voelen tot de persoon van Jezus Christus, maar zonder dat ze de stap durven zetten om zijn leerling te worden? Het is iets waar enquêtes niets over zeggen. Iets dat zich aan de gebruikelijke indelingen onttrekt. Maar juist deze onzichtbare categorie komt vandaag aan de orde in de leerlingen van Johannes de Doper.