Talita
Bij Marcus 5:22-43
Aagjes vriendin Talita is ziek. Ernstig ziek. Haar vader Jaïrus komt aan de deur en vraagt naar Jezus. ‘Nee, hij is hier niet,’ zegt moeder Maria. ‘Aagje, loop jij even met meneer Jaïrus mee? Ik denk dat Jezus weer bij het strand zit met zijn vrienden. Je weet wel waar.’
Aagje wil dat best. Ze ziet dat Jaïrus tranen in zijn ogen heeft. Zo bezorgd is hij over Talita. ‘Kom maar,’ zegt ze, en pakt hem bij zijn hand, ‘dan gaan we gauw zoeken.’
Ze vinden Jezus op de vaste plek. Daar zakt Jaïrus gewoon in elkaar. Zo verdrietig en bezorgd is hij om zijn dochter. Zou Jezus er nog iets aan kunnen doen?
Jezus pakt Jaïrus bij zijn andere hand. Samen met Aagje trekt hij hem overeind. Ze willen gauw naar de zieke Talita gaan. Maar het is een hele optocht. Iedereen loopt mee vanaf het strand en de mensen in het dorp sluiten zich erbij aan. Het schiet niet op! Even later komt er al iemand uit het huis van Jaïrus aanlopen. ‘Het hoeft niet meer, Talita is al dood,’ zegt hij. Aagje schrikt vreselijk. Maar Jezus roept: ‘Kom mee!’ Met Jaïrus tussen zich in lopen ze zo snel mogelijk naar het huis. Daar gaat Jezus naar binnen met een paar vrienden. Aagje houdt de wacht op de stoep. ‘Mensen, stil een beetje!’ roept ze. Plotseling komen een heleboel huilende buurvrouwen haastig naar buiten. De deur slaat weer dicht. Aagje wacht. Eindelijk, de deur knarst. En wie komt daar om de hoek? Talita zelf. Met een boterham met jam in de hand. ‘Wil je ook één?’ vraagt ze. Aagje weet niet wat ze moet zeggen, zo blij is ze. Maar wat er daarbinnen precies gebeurd is, zijn die mensen daar buiten nooit aan de weet gekomen.