Menu

Premium

The times they are a-changin’ – W. Pieterse

Lezing gehouden door W. Pieterse
tijdens de studiedag van IZB/Areopagus op 28-10-2016 ‘The times they are a-changin’

Zie ook

De andere lezingen op deze studiedag waren:

Lezing

Vandaag bestrijken we ongeveer 30 jaar. In retrospectief twintig jaar en als vooruitblik tien. Voor het retrospectief ben ik net te jong – in 1997 ben ik bevestigd in de toen nog SoW gemeente Muiderberg; na vier jaar als zendingspredikant in Kameroen gewerkt te hebben, heb ik zeven jaar de Protestantse gemeente Heinkenszand gediend. Sinds december 2014 ben ik bijna drie jaar één van de drie predikanten in de Amstelveense Paaskerk.

Denkend aan de komende tien jaar wil ik een drietal observaties, intuïties en wat ik ‘verlangens’ wil noemen- Imperatieven, zo je wilt… delen. Tot slot drie voornemens tot actie…
Zien; voelen; hopen; doen.

I. Observaties

Amstelveen

Twintig jaar geleden hadden de verschillende Protestantse gemeenten van Amstelveen-Buitenveldert tien kerkgebouwen in gebruik. Toen ik drie jaar geleden beroepen werd nog vier. Op een zondag met elkaar ongeveer 600-700 kerkgangers. Amstelveen-Buitenveldert heeft ongeveer 100.000 inwoners. In de omgeving van de Paaskerk staan drie grote PC scholen met samen ongeveer 800 leerlingen. Afgelopen drie jaar zijn er tien kinderen gedoopt. We hopen op een gemiddeld kerkbezoek van zes kinderen op een zondag in een zee van 200 steeds grijzer wordende hoofden. De leeftijdscategorie van 12 tot 35 ontbreekt volkomen. Binnenkort wordt er in de kerkenraad vergaderd of er gevierd kan worden zonder een ouderling of diaken, maar met een vrijwilliger, omdat we de roosters met ambtsdragers niet meer goed rond krijgen.

Ik vertel dit niet om met elkaar te somberen of om ons nog eens lekker te wentelen in het oordeel Gods dat door onze geseculariseerde wereld waart, maar omwille van de eenvoudige vraag: wat betekenen deze feiten voor onze verkondiging of misschien nog iets realistischer – betekent dit iets voor onze prediking? Want soms lijkt het of het allemaal niets uitmaakt – we preken onverstoorbaar voort, de neergang betreft anderen. Dat is niet waar.

Dominees

In de tien kerkgebouwen is prachtig gepreekt. Door vrolijke gereformeerde dominees tussen plantenbakken op vloerbedekking die geen kerkdiensten hielden maar vieringen; door hooggeleerde liturgen die in hun crèmekleurige albes de gemeente de finesses van het heilige theater tot drie responsies na de komma aanleerden (desnoods in het Latijn); door Hervormde preektijgers van de beste soort waar honderden ademloos aan de lippen hingen; door grote inspirerende theologen van de nabije faculteiten die schrift en traditie hooghielden tegenover de vervlakking. Het heeft allemaal niets uitgemaakt. De erosie, of beter nog de implosie loopt dwars door orthodoxie en vrijzinnigheid; rekkelijken en de preciezen niemand blijft gespaard. Noch aanpassing noch verzet, behoud als vernieuwing – heeft de stoomwals van de secularisatie, zoals een Amsterdamse collega het onlangs noemde, kunnen keren.

Ikzelf

Ik heb mee gepreekt. Ik begon in de nadagen van de polarisatie. Zoals mijn dispuut aan het einde van mijn studie werd opgeheven; mijn linksigheid irrelevant werd toen ik eindelijk stemrecht kreeg, ik een videorecorder kocht toen een halfjaar later de DVD er was – zo betrok ik in de nadagen van polarisatie mijn stellingen. Op Hydepark, over nadagen gesproken, maakten we ruzie over het avondmaal, dat niet gezamenlijk kon worden gevierd. Terwijl de kerk instortte, verspilden we onze energie met polarisatie: tegen de gereformeerden, de Bonders, de evangelicalen, we ruzieden over de nieuwe Bijbelvertaling, fulmineerden tegen de Ietsisten, New Wge, Happinez. Goed Amsterdams opgeleid wist ik altijd wel een tegenover te vinden.
En soms, als ik weg somber, denk ik dat de preekstoel inmiddels tot een loopgraaf is geworden, een schuttersputje van waaruit ik als laatste soldaat, de wereld beschiet. Een schijnbaar moedige don quichot of poor lonesome cowboy, om het met Lucky Luke te zeggen.
Tragisch, want onze schermutselingen zijn irrelevant geworden. Het slagveld is elders.
Toch? Dus wat nu?

II. Intuïties

De fronten van de prediking zijn verdampt.
Ik ben grootgebracht, dat begrijpt u inmiddels, met de frontale prediking. Ik heb veel aan de dialectische theologie te danken. Prachtig. Alléén met Utrecht was ik geen predikant geweest. Gods woord is ons vreemd. Lang leek het alsof het frontale preken uit de schrift zelf opdoemde. Tegenover en de Ander waren de toverwoorden voor ieder theologisch dilemma.

Ik ben de fronten moe. Het voelt als een meer en meer kunstmatig afzetten tegen een wereld waar we in alles deel van zijn. Het materialisme, de koopzondagen, de Gay Pride, de pornografie, de media, de PVV, Wilders, Pechtold, weet ik veel. Het gekunstelde tegenover vraagt van veel gemeenteleden die er nog wel zijn een soort keuze die ze nooit kunnen maken. Vijf dagen werken in de financiële sector en op zondag een preek tegen het materialisme en de hebzucht. Het vervreemdt hen van de gemeente die meer en meer tot een evangelisch reservaat verwordt. Een groepje dat op zon- en feestdagen de crisis beweent maar er verder de schouders over ophaalt.

Vanwaar die fronten? Om onze kwetsbaarheid te maskeren? Preken we niet zoals Poetin vecht – de leegte in het land te lijf met een oorlog aan de grens…

De fronten van onze prediking zijn verdampt. Te veel prediking richt zich op het kunstmatig tot leven wekken of in leven houden van die fronten. Wie lef heeft, komt uit zijn of haar loopgraaf.

We onderschatten de inhoudelijke erosie in de gemeente.
Te vaak nog zien we secularisatie als iets van buiten. De gemeente zelf is diep geseculariseerd. Zondag aan zondag moeten velen opnieuw worden ingewijd in de schrift. Preken veronderstellen schrift en traditie als bekend en zijn gericht op hen die al weten, maar wie zijn dat? Nu bedoel ik niet dat Chinese schouwspel voor hen van buiten, maar wie van hen die horen, horen? Jarenlange erosie van catechese en leerhuis hebben de grond van het verstaan tot in de kern van de gemeente doen verdampen. We zullen ons meer en meer moeten richten op de schrift zelf.

Verkondiging begint toch niet pas in het woord dat wij er overheen roepen?

We miskennen het verlangen.
Heeft het einde van de kerk en het verdampen van haar taal werkelijk het verlangen naar het evangelie doen verdwijnen? Overal om me heen hoor en zie ik verlangen naar diepgang, betekenis, zin – of het nu Bas Heijne is die iedere week roept om een verhaal; de booming yoga cursus; de zingeving op de Zuidas; of de burgemeester die een goeroe uitnodigt ter inspiratie… Er woont veel verlangen rondom het lege plein van onze stad. Veel te lang heb ik en velen met me, dat afgedaan als inferieure religieuze modes. Weggehoond als oppervlakkige zweverige weet-ik-veel-wat. Maar kennen we het verlangen dat om ons heen woont en sijpelt daarvan iets door in onze prediking?

III. Imperatieven

Het woord klinkt wat moeterig – het zegt meer iets over mijn verlangen; of hoop.

Van de zomer las ik een preek van Meister Eckhart. Lang heb ik hem verre van me gehouden – mystiek is toch verdacht voor deze Barthiaanse jongen. Hij schrijft: ‘Als wij God alleen op bepaalde plaatsen kunnen vinden is het onze gebrekkigheid. God is op alle plaatsen dezelfde en is, als het aan Hem is, overal bereid zich te geven. God is ons nabij; wij zijn hem ver’, in een preek naar aanleiding van Lukas 21:31. Het deed me ook denken aan de adventstekst uit Filippenzen: Verheugt u in de Heer te allen tijd, wederom zeg ik u verheug u de Heer is nabij.

Het is een stem in de schrift die we te lang van ons af hebben gehouden. De Nabijheid, de vreugde. Ook Paulus moest het blijkbaar steeds herhalen – wederom – hoor nu toch.

In dat licht mijn eerste verlangen:
Goede prediking schept ruimte voor de ziel, zodat onze blik gericht kan worden op dat wat er al is. De prediking waar ik naar verlang is niet argumentatief, drammerig, tegenover de wereld of mijn leven, ze verwoordt niet keer op keer een ontoegankelijk vergezicht voor een klein groep electie. Maar ze leert ons vanuit het evangelie om met een milde blik naar de wereld onszelf en onze naaste te kijken. Speurend naar signalen van belofte en Gods nabijheid. Zoals Marilynne Robinson zegt in haar preek over Psalm 8: ‘So I spent my life watching, not to see beyond the world, merely to see, great mystery what is plainly before my eyes. (…) With all respect to heaven, the scene of miracle is here, among us.’

Ik verlang naar predikanten die in schrale tijden onze blik richten op dat wonder. En ik verlang naar de momenten dat mij dat zelf gegeven wordt.

Dat vraagt profetisch predikantschap. Maar nu eens even geen roepende in de woestijn of een kerugmatisch model van prediking, maar profetisch zoals Jonathan Sacks in zijn prachtige Exodus commentaar schrijft: ‘The prophet is not a detached intellectual; – they were rooted, with all their anger, in their own societies. They lived and worked among their own people; they spoke not from outside but from within. They identify with those to whom they speak. They share their history, their fate, their calling, their covenant. Hence the particular pathos of the prophetic calling. The prophets were the voice of God to the people, but they were also the voice of the people to God.’

We hebben de predikant te lang beschouwd als de leraar. Deze tijd vraagt veeleer een predikant als een kunstenaar – die deelt in de verbazing, verdriet, woede soms, schoonheid en ontroering de vloeken van het leven. En in dat leven iets van deze God laat zien en horen.

Het theologische thema dat zich in dit licht aandient is voor mij het thema van de menswording. Het raadsel van die dragende grond van heel ons geloof – God is mens geworden, schepsel – beeld van God ben jij. Als dat werkelijk zo is…

Daarom, met het prachtige boek van Wiman: Faith in God is in the deepest sense, faith in life. In dagen dat er zo slordig wordt gesproken over de mens – euthanasie, embryo selectie, monomaan individualisme; consument; in dagen dat de taal voor het mysterie van het leven verschraalt hebben wij te volharden bij het Ecce Homo als theologische kern. De tijd dat we Jezus uitkleden tot een vrome rabbi is nu wel voorbij. Dat kan Fik Meijer veel beter.

IV Aanbevelingen tot actie.

We kunnen het allemaal zo mooi zeggen. Met net iets te veel voldoening dalen we soms de kanseltrap af. Daarom drie tastende aanbevelingen voor actie of attitude in de dagen dat de kerk is verdampt:

We hebben te zoeken naar een nieuwe gezamenlijkheid.

De tijden voor de predikanten zijn zwaar. Zonder een attitude van gezamenlijke liefde voor het evangelie redden wij het niet. Blijven in de kerkelijke polarisatie of hem als fronten in onze prediking opnieuw opblazen, is een gebrek aan verantwoordelijkheid. We zijn geroepen elkaar als broeders en zusters in deze dagen met een pastorale blik te bezien en te bemoedigen. ‘Dat komt bij ons niet voor’ is het nieuwe taboezinnetje van de kerk. We – en ik zeg ook ik – hebben veel te veel tijd verspild in het blijven in de polarisatie, in het wegen en te licht of te zwaar bevinden.
Er zijn gemeentes waar geen vrouwelijke ambtsdragers zijn; er zijn gemeentes met een homoseksuele voorganger; er zijn gemeentes waar geen orgel is; er zijn gemeentes waar een handjevol aan het avondmaal gaat. Ik roep zondag aan zondag ‘allen zijn genodigd’. Al die gemeentes, al die voorgangers delen in de roeping tot het evangelie. Schrijf dat eens in uw clubblad.

Laten we de illusies van de groei loslaten.
Ieder denken in kwantiteit schaadt nu. Het stimuleert uitputtend missionair activisme of aanhoudend rouwbeklag. Het put uit en erodeert. Het functionele denken over ambt en gemeente vanuit landelijke burelen is een grote bedreiging voor het ambt van predikant. Hoop ligt in de kleine geconcentreerde gemeenschappen waar Oude en Nieuwe Testament worden gespeld. Dat hebben wij te doen. We hoeven de kerk niet te redden. En in die zin ben ik het eens met mijn ambtsbroeder voor mij: als het uit God is, zal het blijven; als het niet uit God is mag het vergaan… En, voeg ik eraan toe, omdat we geloven dat het uit God is blijven we behoed voor de luiheid.

De kansel wordt minder en minder de enige plaats voor prediking.
Laten we met elkaar zoeken naar alternatieve plaatsen om het evangelie op nieuwe manieren present te stellen – niet als hip zingevingsdingetje waarschuw ik maar meteen, maar als evocerende prediking. Voor de toekomst van het evangelie zullen we de kerk uit moeten. Niet omwille van het succes, want we zitten daar maar met groepjes van zeven, acht, soms ineens tien aan een Bijbeltafel, met de directie van een school – en ineens zijn er dan weer 35 kleuters in die Paaskerk, met open mond horen ze het verhaal en zingen ze een lied.

En nu ik toch aan het preken ben sluit ik af met die prachtige tekst van Paulus:

Verheug u in de Heer te allen tijd
wederom zeg ik u
verheugt u:
– de kerken zijn gesloten-
de Heer is nabij.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken