Menu

Premium

Tuin

hof

Sommige kerken zijn op de zaterdag vóór Pasen druk in de weer met de inrichting van de kerkzaal. Gedurende de veertigdagentijd was de kerk sober ingericht, bijna kaal en met weinig licht. In de namiddag van Stille Zaterdag komt daar verandering in. Boomtakken, bloemen, groen gras, licht worden de kerk binnengedragen. De kerk verandert in een tuin. Deze tuin symboliseert Gods goede schepping en het nieuwe leven dat in de verrijzenis doorbreekt. Op paasmorgen, zo verwachten de gelovigen, verschijnt in de tuin de ‘tuinman’ om afgesloten leven te openen.

De tuin is een geliefd symbool in onze tijd, zoals de dichters laten zien. Maar niet alleen in onze dagen, ook in de bijbelse tijd. Naar de tuin – beeld van volmaakt bestaan – verlangt en zoekt de bijbelse mens.

Grondtekst

De Hebreeuwse woorden gan (ca. 40x) en ganah (16x), ‘tuin, hof’, zijn afgeleid van de stam gnn, ‘omheinen, beschermen’, steeds met de Heer als subject (Jes. 31:5; 37:35; enz.). Een gan of ganah is een omheind stuk grond waarin men beschutting vindt. We horen van diverse tuinen: de eerste tuin van de wereld (Gen. 2-3); de koninklijke tuinen (2 Kron. 25:4); de tuin van God (Ez. 28:13), ook wel de tuin van Eden genoemd (Joël 2:3). Ook chatser betekent een enkele keer ‘tuin’ (2 Sam. 17:18), specifieker ‘de paleistuin’ (Jer. 36:20; Est. 2:11; 4:11; 5:1). Het nieuwtestamentische Grieks laat twee woorden zien. Het eerste is aulè, ‘tuin, hof, voorhof’ (Luc. 11:21); vaak een omheinde ruimte bij grotere wooneenheden (Mat. 26:3, 58, 69; Mar. 15:16) of de voorhof van de tempel (Op. 11:2; Barnabas 11:2). Daarnaast verschijnt kèpos, ‘tuin, hof’, waarschijnlijk minder aan het woongedeelte gekoppeld (Luc. 13:19; Joh. 18:1, 26; 19:41).

Letterlijk en concreet

a.In de bijbelse tijd is de tuin een geliefd ding. Het is een wens en tevens een teken van welvaart om bij het huis een tuin met bomen en kruiden en planten te bezitten (Jer. 29:5; Am. 9:14; Mi. 4:4). Als er over concrete tuinen wordt gesproken, gaat het meestal over de tuinen bij het koninklijk paleis. Bij een paleis behoort een tuin (Jer. 39:4; 52:7; Pred. 2:3-5; Neh. 3:15). Bij de koninklijke tuin moeten we niet primair denken aan een bloemen- of groentetuin, maar eerder aan een park met struiken en bomen. Achab wil de wijngaard van Nabot als koninklijke tuin bezitten (1 Kon. 21:2). Doorgaans is een tuin omheind en beschut. Daardoor is het mogelijk hem af te sluiten (Hoogl. 4:12). Wanneer er in de tuin een bron of waterstroom is, beschouwt de mens in de Oudheid dat als een enorme rijkdom (Gen. 2:8-25; 13:10; Jes. 58:11; Josefus, Joodse Oorlog, V,410).

b.De tuin dient allereerst als oord om tot rust te komen en om te genieten van de vruchten. De Perzische koning houdt er feesten en hij geniet in de hof van een goed glas wijn (Est. 1:5; 7:78). De koningen van Israël worden in hun tuin begraven (2 Kon. 21:18, 26). De volgelingen van Jezus begraven ook hun Heer in een hof (Joh. 19:41).

Beeldspraak en symboliek

a.Het heeft er veel van weg dat de bijbelschrijvers bij het thema tuin in hun verhalen vaak denken aan de oertuin in Genesis 2-3. Zie de bespreking van ‘paradijs’, B-b. Dat geldt zeker voor teksten die spreken van een toekomstige tuin. We horen daarin de tonen van de tuin der tuinen doorklinken. Die toekomstige tuin symboliseert de verwachting en de belofte dat het eens goed zal komen. Met het volk in ballingschap, met de gemeente in de verdrukking. De profeet Ezechiël spreekt daar kleurrijk over tot zijn medeballingen. Zij zullen terugkeren naar Israël. Volk en land worden uitgebeeld als respectievelijk verzamelde kudde en heerlijk weideland, geleid en beschermd met de Heer als herder (Ez. 34:10-15). Dit land, dat door oorlog en overheersing tot een woestenij is geworden, zal veranderen in een hof van Eden (36:35). De verwijzing naar Israël als tuin beklemtoont dat de relatie tussen God en zijn volk weer goed zal zijn. De tuin is in theologische zin bovenal een relationeel begrip. De tuin biedt veiligheid, saamhorigheid, wederzijdse aanvaarding. Hieraan ontspruit het ware leven. De ziener Bileam vergelijkt de nederzetting of legerplaats van Israël met een tuin vol schitterende bomen en rijk aan water (Num. 24:5-6). Het gezicht doet denken aan de tuin in den beginne. Aan het einde van Johannes’ visioenen komt het tot een climax: hij aanschouwt een nieuwe stad Jeruzalem en in de stad stromen rivieren en groeien bomen waarvan de bladeren genezing brengen (Op. 22:1-5). De stad draagt de kenmerken van een tuin en herinnert aan de oertuin waarvan de verteller van Genesis 2-3 rept. Tuin en stad zijn geen tegenstellingen meer. Tuin en stad vallen samen. En in deze ‘tuinstad’ is de verbondenheid tussen God en mens sterker dan ooit, zo sterk dat er geen tempel meer nodig is. De tuin van het begin – de tuin in de verbeelding – wordt als het ware geprojecteerd op de toekomst, en vanuit de verbeelding van de toekomst door de tuin loopt er een lijn naar het begin. Zoals God in het begin zijn bedoelingen met mens en aarde heeft ontvouwd – en de verteller gebruikt daarvoor het alom bekende beeld van de tuin -, zo zal het ooit worden.

b.Niet alleen het land Israël en de toekomstige stad worden als tuin gezien, ook het volk zelf. Als tegenbeeld van hetgeen het volk nu meemaakt – ellende, geestelijke dorheid, levenloosheid -, verkondigen de profeten in naam van de Eeuwige dat er een keer komt in zijn lot. Om hun verkondiging te verduidelijken en te inten-sifiëren gebruiken zij de metafoor van de tuin. Hun leven (nèfèsj) zal zijn als een besproeide tuin, alle dorst en honger zal gestild zijn (Jer. 31:12). Eenzelfde beeldspraak treffen we aan in Jesaja 58:11. Een waterrijke tuin is een hemels rijkdom in een woestijn. Zulk een lafenis zal Israël zijn, straks, als het weer vertrouwt op zijn Schepper en Bevrijder. Echter, er zijn eveneens tuinen die als cultusruimte dienen. Tuinen waarin met name de bomen voorwerp van aanbidding zijn. God gruwelt ervan wanneer Israël zich daar ophoudt, omdat het binnentreden van deze tuinen gelijk staat met het zich afkeren van God. Daarom laten de profeten zich kritisch uit tegenover hun volksgenoten die hun heil zoeken in van God vervreemdende tuinen (Jes. 1:29-30; 65:3; 66:17).

c.Opmerkelijk is de plaats die de tuin inneemt in de verhalen over de laatste fase van Jezus’ lijden en over de opstanding. In de tuin nemen zijn tegenstanders Hem gevangen; bij de tuin van de hogepriester verloochent Petrus zijn Heer, Jezus wordt begraven in een tuin bij de plaats waar Hij de kruisdood stierf en in dezelfde tuin verschijnt de Verrezene aan Maria die aanvankelijk meent met de tuinman van doen te hebben. Vooral het vierde evangelie lijkt opzettelijk een rol aan de tuin toe te kennen. Johannes 18:1-12 schetst hoe Jezus bij de beek Kidron een hof betreedt. Het is een open tuin. Er staan geen hemelse wezens bij de ingang om met hun flikkerend zwaard de ingang te bewaken. Even lijkt Petrus als zodanig op te treden, wanneer hij het zwaard trekt en de slaaf Malchus het oor afslaat. Jezus bestraft Petrus. De tuin hoeft niet bewaakt te worden, want het is een doorgangstuin. De ontknoping van het goddelijke en menselijke drama voltrekt zich in de volgende tuin. Na de kruisiging leggen zijn vrienden Hem in een onaangeraakt graf in de tuin bij de kruisigingsplaats (19:40-41). In deze tuin vindt op de derde dag een ommekeer plaats, als Maria van Magdala in de vroegte naar het graf gaat (20:1-18). Tot haar ontsteltenis is de steen voor het graf weggerold en is het graf leeg. Huilend staat ze erbij. En dan ziet ze twee engelen bij het graf zitten; zij herinneren ons aan de bewakers van Edens tuin. Ze keert zich om en ziet een tuinman staan, althans dat denkt ze. De tuinman blijkt Jezus te zijn. Na zich tweemaal omgekeerd te hebben, breekt het inzicht door dat de Heer leeft (vers 14 en 16). Letterlijk èn figuurlijk keert Maria zich tweemaal om. Treurnis verandert in vreugde, dood maakt plaats voor leven. De tuin wordt een oord van ontmoeting. Zij die bij elkaar horen, vinden elkaar. Zoals in de oertuin, waar hemel en aarde samenkomen en waar God en mens in vrede samenleven. Ooit stond er een boom in het midden van de tuin, later staat naar de gewoonte van het oude Oosten de tempel in het midden van een ‘hof’, hier staat de gekruisigde en verrezen Heer in het centrum van de tuin. In het midden, in het centrum komt God mensen tegemoet.

d.Net als in de liefdesgezangen uit de omliggende landen van Israël, neemt ook in de liefdeslyriek van Hooglied de tuin een bijzondere plaats in. Niet alleen tuinen, de flora en fauna (bomen, rivieren, wijngaarden, weiden) in het algemeen zijn geliefd als metaforen. De tuin met zijn veelkleurige schoonheid leent zich buitengemeen goed als beeld voor de vrouw en als ruimte voor ontluikende liefde. Tuin en paradijs zijn in Hooglied vooral metafoor voor de bruid, voor het meisje (zie het prachtige stuk in 4:125:1). De jongen noemt haar een afgesloten tuin en een afgesloten bron (4:12). Vaak is gedacht dat de afgeslotenheid haar maagdelijkheid symboliseert. Eerder doelt de afgesloten tuin op de afstand tussen de jongen en het meisje; de twee zijn voortdurend naar elkaar op zoek, maar stuiten telkens op elkaars ontoegankelijkheid. Ook op andere plaatsen in Hooglied zien we metaforen van ontoegankelijkheid; ontoegankelijkheid is samen met toegankelijkheid een thema in dit boek. Even later dringt de man door tot de tuin (5:1), die met zijn geurende en bloeiende kruiden en bomen en waterstromen (4:13-15) het verlangen van de jongen naar zijn lief benadrukt. Tuin en bron duiden samen op het bruisende leven en zij herinneren in hun samenhang aan de vruchtbaarheid. Met het aanroepen van de noordenwind (verkwikking) en de zuidenwind (aanjager van de geur) om de tuin te doorwaaien, prikkelt zij de jongeman. Zij biedt de tuin met zijn geuren aan, zij nodigt hem zo uit bij haar te komen. Tweemaal horen we dat de man afdaalt naar een tuin. In 6:2 naar ‘zijn hof’ en in 6:11 naar de ‘notenhof’. Is hij in het eerste geval afgedaald naar zijn eigen tuin, uit teleurstelling over de mislukte ontmoeting met zijn liefste? Trekt hij zich terug? Of gaat het nog steeds over dezelfde tuin, zijn bruid? In de tweede tekst daalt hij af naar de tuin van noten. Dit is de enige plaats in bijbel waar gesproken wordt van noten. De noot verwijst wellicht naar de ongenaakbare vrouw (van buiten) en naar de heerlijke vrouw (van binnen). Mogelijk verwijst het afdalen in de tuin op de intimiteit van het liefdesspel. In het voorlaatste vers van dit liefdesgezang spreekt de bruidegom zijn bruid aan als ‘bewoonster van de tuinen’. Het heeft er veel van weg dat daarmee een climax is bedoeld. Was het meisje aan het begin slechts de bewaakster van de wijngaard en ondergeschikt aan anderen (1:6), aan het slot is zij een vrouw die in tuinen woont. De tuinen staan hier voor rust, oase, de ruimte waar geluk heerst en waar de vrouw tot bestemming komt. De Targoem vat de tuin op als symbool voor Israël, een kleine tuin onder de volken.

e.Nog een ander lied der liederen kennen we, namelijk het hooglied van de wijsheid. Het staat opgetekend in het boek van Jezus Sirach. De wijsheid, bruid van de wijze, is als een tuin (24:13-34). De wijsheid spreekt over zichzelf als een persoon, in de ik-vorm. Ze ziet zich als een ceder op de Libanon, een cipres in het Hermon-gebergte, een palmboom in Engedi, een rozentuin in Jericho. Zo tekent ze zich met paradijselijke trekken (vgl. Ps. 52:10; Job 8:16).

Praxis

a.Liederen:

Liedboek: Psalm 1; 23; 37; 72; 52; 65; 68; 84; 87; 133; Gezang 34; 37; 72; 284; 479; Bijbel I: 4; Gezegend: 1; 109; 163; 264; Hoop: 62; Laat ons: 14; Liturgie: 622; Vertel: 1; Zingend I-II: 23; III: 29; V: 83.

b.Poëzie:

Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten, Amsterdam 1980, blz. 55: ‘Pastorale’; 73: ‘Tuin van Epicurus’; 341: ‘Grüsz Gott’; 363: ‘Christus als hovenier’; 587: ‘Georgica’. Judith Herzberg,27 liefdesliedjes, Amsterdam 19867, blz. 29: ‘Een tuin met een hek er om.’; 59: ‘Jongens hangen aan je lippen.’. H. Marsman, Verzamelde gedichten, Amsterdam 198810, blz. 38: ‘De blanke tuin”; 108: ‘Landschap’. M. Nijhoff, Vormen, Bussum 197610, blz. 44: ‘Page’. Jan Willem Schulte Nordholt, Verzamelde gedichten, Baarn 19962, blz. 7: ‘Landschap’. M. Vasalis, Gedichten, Amsterdam 1997, blz. 56: ‘Nu word ik nooit meer radeloos.’; 86: ‘Als je een landschap was.’; 117: ‘Landschappen’.

c.Verwerking:

Een boeiende invalshoek voor de bespreking van het begrip tuin is het lezen van hedendaagse poëzie. Neem bijvoorbeeld de hierboven genoemde gedichten van Ida Gerhardt. Daarin gebruikt zij verschillende beelden voor tuin. Ook valt te denken aan de vele tuintaferelen in de schilderkunst. Thema’s bij het begrip tuin zijn: liefde, verlangen, heimwee, volmaaktheid, harmonie en vrede.

Verwijzing

Tuin en ‘paradijs‘ vallen voor een groot deel samen. Er zijn verder raakvlakken met ‘wijngaard‘, ‘boom‘ en ‘bron‘. De ‘woestijn‘ vormt in zekere zin het tegenbeeld van de tuin.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken