Menu

Premium

Tussen zending en thuiskomst

Bij Marcus 6,30-44

Om met een persoonlijke ontboezeming te beginnen: het was/is toch wel een merkwaardige samenloop van omstandigheden, wanneer je vorig jaar oktober het verzoek ontvangt om voor deze zondag 22 juli de exegetische inleiding te schrijven. Toevallig de zondag van mijn geboortedag: ik ben deze dag jarig. Toevallig de dag van mijn 65e verjaardag, ook dat nog. En toevallig betrof het verzoek de vraag, of ik mij zou willen buigen over dezelfde perikoop uit Marcus, als waarmee ik mijn afstudeerscriptie voor mijn doctoraalstudie theologie vulde. Toeval? De Geest? Van de Heilige? Begin en einde van een werkzaam predikantsleven, gemarkeerd door uitzending van de leerlingen, de onthoofding van Johannes de Doper en de terugkomst van de leerlingen? Tussen zending en thuiskomst. Laat me proberen er iets moois van te maken. Opdat deze dag me nog lang zal heugen.

Drieluik

Marcus 6 vormt een drieluik met een lijst daaromheen. Het drieluik wordt gevormd door het middenpaneel, de dood van Johannes de Doper (6,14-29), met als zijpanelen de uitzending van de leerlingen van Jezus (6,6b-13) en hun terugkomst (6,30-34), met 35-52 als nadere explicatie van hun terugkomst en wat hun blijkbaar nog ontbreekt: het begrip voor teken van de broodvermenigvuldiging. De randlijst hieromheen – als een kader waardoor alles wordt vastgehouden – wordt gevormd door de verwerping van Jezus uit zijn vaderstad, het ontbreken van elke kracht (dunamis) daar, terwijl Hij toch enige zieken genas (6,1-6) aan de ene kant, en het verblijf aan de overkant in vele dorpen, waar Hij juist een menigte zieken genas aan de andere kant (6,45-56). Een nog groter kader vormen de waterpartijen: de gang naar de overkant, de twee belevenissen op de waterzee (de storm en de vierde nachtwake) en de terugkomst (4,35-6,53).

Het hoofd-stuk

Storten we ons nu even níét meteen op de broodvermenigvuldiging, omdat we daar natuurlijk al alles van (menen te) weten, maar laten we ons voor een moment concentreren op de verzen 6,30-31. De apostelen kwamen weer samen bij Jezus. Er staat ‘apostelen’, de enige keer dat Marcus dat woord in zijn evangelie gebruikt! Ze zijn van ‘de twaalf’ die ze waren bij hun uitzending (6,7) omgevormd tot apostelen (6,30). Het zijn ware ‘zendelingen’, wég-gezondenen (apo-stelloo) geworden. Weggezondenen die terugkomen. Bij de bron. Het was geen los-bandig, zelfstandig leven, het was een stageperiode. Overigens was de opdracht die ze meekregen dat ze precies hetzelfde zouden doen als Jezus. En dat deden ze ook (6,12-13)! Maar dan komt er een kink in de kabel. In hun afwezigheid, terwijl ze van niets wisten – gelukkig maar – horen wij hoe Johannes de Doper aan zijn eind komt. Een vreselijk einde. Zijn dood en begrafenis en opstanding (!) worden beschreven in termen die ook gebruikt worden rondom Jezus’ dood, begrafenis en opstanding. Bij wat Herodes allemaal doet met Johannes, komt herhaaldelijk het woord ‘wegzending’ (Gr.: apo-steilas) voor (6,17.27). De ene zending is de andere niet, maar deze twee in ieder geval wel. De ‘apostelen’ en hun meester zullen er gezamenlijk deel aan krijgen, aan wat Herodes tijdens hun afwezigheid ‘uitzendt’.

Nog een ander hoofd-stuk

Tijdens hun wegzending worden de twaalf geacht geen brood mee te nemen (6,8). Na hun terugkomst komen ze in aanraking met brood in overvloed (6,38-44). Wat droegen ze dan wel bij zich, tussen wegzending en wederkomst? Is het te veel gevraagd om te denken: het hoofd van Johannes de Doper? Voor de lezer – voor wie het getuigenis van Marcus is geschreven – is het niet onleesbaar om dit beeld te zien. Uiteraard ligt de dood van Johannes de apostelen

zwaar op de maag. Maar is die geschiedenis met de voorbereider van de weg van Jezus voor hen voedend? Is dat hun kost? Nee, en daarom neemt Jezus hen mee naar een plek waar het even stil is, een woestijnachtige doodse omgeving. Om hun het ware voedsel te geven.

De kans van de eenzaamheid

Drie keer is er sprake van een erèmos topos (6,31.32.35), wat vertaald kan worden met ‘eenzame plaats’. Maar ook met: ‘daar waar het stil is’. Waar je tot rust kunt komen en (weer) kunt (leren) horen naar de stem van je hart. Of naar de Stem die je hart vervult. En doet deze plaats ook niet denken aan de plaats waar Johannes de Doper zich bevond (1,3.4), waar de profetische stem zich telkens naar toe moet begeven om op het juiste woord te komen? Om dat te roepen, in de woestijn (erèmos). Op die plek, in die omgeving, misschien wel ‘achter in de woestijn’, zoals bij Mozes (Ex. 3,1), komt de Stem aan het woord, de plek ook waarheen Jezus door de Geest geleid wordt (Mar. 1,12-13). En is het brood niet het woord van God, waarvan wij zullen leven omdat het uit zijn mond komt?

En dát waren de twaalf tot apostelen geworden zendelingen nu juist vergeten: ze hadden geen brood nodig voor onderweg, aangezien ze tijdens hun stage moesten leren zich te voeden met al wat uit de mond van de Eeuwige uitgaat. En zich niet laten imponeren door wat er op de schotel van het ‘meisje’ (Salomé) ligt. Jezus zelf is natuurlijk het meest eetbare brood. Want Hij nam het brood en zei: ‘Dit is mijn lichaam.’

Jezus begon niet met de aangedragen broden te delen. Hij begon met hun te leren. ‘Ze kregen niet de kans om te eten’, vertaalt de NBV (6,31). Dat klinkt alsof er tijdgebrek was. Niet ondenkbaar is het, dat Marcus bedoelt dat de woorden uit Jezus’ mond zo voedzaam waren, dat men er vol van werd. Hij onderwees hen langdurig. Hij had al heel wat uitgedeeld, voordat men aan het lichamelijke brood toekwam.

Maar de leerlingen begrijpen voorlopig nog niets van het brood (6,52). Wanneer ze straks zelf voor koningen en vorsten zullen getuigen, hebben ze uiteindelijk geleerd te volharden in de verkondiging aangaande het levende brood, dan kunnen ze broodnodige taal spreken die het hart voedt. Waarvan men niet ophoudt te spreken. Zo toevallig is het niet, dat ze geen brood hoefden mee te nemen. Er is reeds in voorzien.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken