Als alles gezegd en gedaan was bij het afscheid, herinneringen waren opgehaald, liederen hadden geklonken, gebeden waren gezegd, het kleine verhaal van een mensenleven verbonden was met het grote verhaal van de Eeuwige en de overledene gezegend, dan gebeurde het. De organist zette in, de cantorij stond zo stil mogelijk op en hun ogen waren gericht op de kist die uitgedragen zou worden. Dit lied kenden zij niet uit hun hoofd, maar uit hun hart: het slotkoor uit de Johannespassion. Ach Herr, laß dein lieb Engelein am letzten End die Seele mein in Abrahams Schoß tragen. Vaak was de overledene
Het volledige artikel lezen?
Dit artikel is voor Basis-leden.
Log in en lees verder. Nog geen lid?
Al vanaf € 5,83 per maand heb je toegang tot dit artikel en veel meer op Theologie.nl.
InloggenLid worden