Van ondergang naar nieuw begin
Alternatief bij Paasnacht (Jeremia 33,1-11)
In de diepte van zijn gevangenschap krijgt Jeremia ‘grote, wonderlijke’ dingen te horen van JHWH (33,3 – NBV21). Niet alleen hoort Jeremia over oordeel en ondergang, hij krijgt ook berichten over een hoopvolle toekomst. Heel nadrukkelijk wordt de Naam van JHWH tien keer genoemd. Ik moest hierbij denken aan Psalm 113,5-6: ‘Wie is als JHWH, die zeer hoog woont, die zeer laag neerziet?’ (NBG51). De beweging van ondergang en diepe pijn naar nieuw begin, genezing en vergeving (33,6.8) past helemaal in de Paasnacht.
De situatie waarin Jeremia ‘voor de tweede maal’ woorden van JHWH hoort, is gevangenschap ‘in de voorhof van de gevangenis’ (33,1 – NB). Hoe dat zo is gekomen met die gevangenschap, wordt beschreven in Jeremia 32,1-2. In deze perikoop beginnen de woorden van JHWH met duidelijk te maken wie JHWH is en wat Hij doet. Dat dat nog niet zo makkelijk is uit te leggen, blijkt uit de grote verschillen in de vertalingen: ‘Zo heeft gezegd de Ene, die de aarde gemaakt heeft, de Ene, die haar geformeerd heeft en bevestigd, Ene is zijn naam’ (NB – 33,2) of: ‘Dit zegt de Heer, die alles beschikt heeft en volbrengt wat Hij zich voorgenomen heeft, wiens naam is Heer’ (NBV21).
Mijn gebrekkige vertaling zou zijn: ‘Zo spreekt JHWH, die doet, die haar vormt om (haar) te bevestigen. JHWH is zijn naam.’ Wat in ieder geval duidelijk wordt, is hoe belangrijk de Naam JHWH is. Vijf keer klinkt de Naam aan het begin van deze lezing (33,1.2[3x].4) en vijf keer aan het eind van de perikoop (33,10.11[4x]). Welke woorden er daartussenin ook klinken, vernietigende of opwekkende, ze worden omringd door JHWH, van Wie in vers 11 wordt gezegd dat Hij ‘goed’ (Hebr.: tof) is. Dit hoofdstuk maakt dan ook deel uit van het zogenaamde Troostboek (30–33), waarvoor Jeremia de opdracht krijgt om het te schrijven (30,2-3).
Vernietiging en genezing
Toch begint JHWH, de God van Israël, met een onheilsboodschap (33,4-5). De verschrikkelijke beelden van paleizen en huizen die verwoest worden (Hebr.: hanechoeziem, vs. 4) en gevuld worden met menselijke lichamen (Hebr.: pirge-ha-adam, vs. 5) zijn heel beangstigend en in onze tijd actueel. De vijanden zijn de Chaldeeën (Hebr.: hakashdiem, vs. 5). Die naam betekent letterlijk: ‘veroveraars’. Het zijn de Babyloniërs onder Nebukadnessar, waarover in eerdere hoofdstukken is gesproken. Door JHWH wordt gesproken over ‘mijn woede en mijn toorn’ (33,5). En er wordt gezegd: ‘Ik heb mijn aangezicht verborgen voor deze stad vanwege hun kwaad’ (vs. 5, eigen vertaling).
Maar het oordeel krijgt niet het laatste woord. Er volgt een belofte van genezing, vergeving en nieuw begin (33,6-9). Heel lijfelijk begint die belofte met ‘nieuwe huid, nieuw vlees groeiend op de gewonde plek’ (vs. 6). Ook klinken de woorden ‘genezing’ (Hebr.: marfe, vs. 6) en ‘Ik zal hen genezen’ (Hebr.: refatiem,vs. 6). Het ‘genezen’ werd eerder genoemd in Jeremia 30,12.13.17. Samenhangend met de ‘genezing’ klinken hier de woorden ‘vrede’ (Hebr.: shalom, vs. 6) en ‘waarachtigheid’ (Hebr.: emet, vs. 6).
Eind aan de ballingschap
De ‘genezing’ wordt nog nader uitgelegd in vers 7 en 8. De ballingschap van Juda en de ballingschap van Israël zal Ik ‘doen omkeren’ (Hebr.: hashiboti, 33,7). Hier klinkt het werkwoord ‘omkeren’ (Hebr.: shub). Het vormt een soort inclusie met het slot van deze perikoop, waar wordt gezegd: ‘Ik zal de ballingschap van het land doen omkeren, zoals JHWH eerder heeft gezegd’ (33,11).
De oorzaak van de ballingschap wordt tussen neus en lippen door verteld in vers 8: ‘Ik zal ze schoonmaken van alle onrecht, waarmee ze tegen Mij gezondigd hebben, en Ik zal ze vergeven voor alle ongerechtigheden, waarmee ze tegen Mij gezondigd hebben en waarmee ze tegen Mij in opstand zijn gekomen’ (33,8, eigen vertaling).
Maar nu wordt er dus gesproken over ‘vrede’ (Hebr.: shalom, vs. 6 en 9) en over ‘alle goeds’ (Hebr.: qol-hatoba, tweemaal, vs. 9). Bij allebei wordt gezegd: ‘Die Ikzelf aan hen/haar doe’ (Hebr.: asher anochi ose, vs. 9, tweemaal). Zoals we aan het slot horen dat JHWH ‘goed’ is, zo horen we hier dat Hij ‘alle goeds en vrede’ aan haar en aan hen doet.
Heel anders zullen de volkeren tegen het land van Juda en Israël aankijken: ‘Het zal zijn voor Mij een naam van vreugde en loflied en sier voor alle volkeren op aarde’ (33,9, eigen vertaling). In deze belofte worden Israël en Juda niet langer onder de voet gelopen door andere volkeren, maar ‘ze (de andere volkeren) zullen beven en sidderen’ (vs. 9, eigen vertaling). Een nieuw begin, omkeer, nieuwe toekomst wordt beschreven.
Stemmen van vreugde en dankbaarheid
In vers 10 wordt nog even gerefereerd aan de situatie van verwoesting en totale uitgestorvenheid. Vijf keer klinkt het Hebreeuwse woord voor ‘geen’: ‘geen mens en geen enkel vee… geen mens en geen inwoner en geen vee’ (33,10, eigen vertaling). Maar erdoorheen klinkt ook al de belofte: ‘Zo zegt JHWH: Weer zal worden gehoord’ (33,10, eigen vertaling). Groter tegenstelling is niet denkbaar, want nu wordt vijf keer een opgewekte stem (Hebr.: qol) gehoord: ‘Stem van vreugde, stem van vrolijkheid, stem van een bruidegom, stem van een bruid’ (33,11, eigen vertaling), en ten slotte een stem die over ‘danken’ (Hebr.: jada) en ‘dankliederen’ (Hebr.: Toda) spreekt en over ‘solidariteit, verbondenheid’ (Hebr.: chèsèd).
Juist in de Paasnacht horen beide erbij: de stilte van het lege graf, maar ook vreugde en dankbaarheid vanwege de goedheid van JHWH. Wanneer alles verloren lijkt, daagt er opeens licht.
Deze exegese is opgesteld door Willemien Roobol.